Waardevolle teksten uit boeken die ik heb gelezen en herlezen.

 

01.01. Het Groene Gezicht – 02. De komende nieuwe Mens – 03. De Religie van de mens – 04. De driehoek der liefde – 05. Charon, de veerman van de onderwereld – 06. Wie zijn wij? – 07. Over de innerlijke Vrede – 08. De Verborgen Oorzaak van Menselijke Conflicten – 09. Vlinders – 10. Over het geluk – 11. Vriendschap

 

01.   Het Groene Gezicht - Gustav Meyrink (uittreksel)

 
 

De sleutel, die ons tot meesters zal maken over de innerlijke natuur roest sedert de zondvloed. Hij heet: waken. Waken is alles. De mens is er vast van overtuigd, dat hij waakt, maar in werkelijkheid is hij gevangen in een net van slapen en dromen, dat hij zelf geknoopt heeft. Hoe dichter het net hoe machtiger heerst de slaap. Zij die in zijn mazen hangen zijn slapers die door het leven gaan als kuddedieren, die naar het slachthuis worden gedreven, onverschillig en gedachteloos.

De dromers zien door de mazen heen een getraliede wereld, zij onderscheiden alleen bedrieglijke openingen, handelen daarnaar en weten niet dat die beelden slechts zinloze brokstukken zijn van een ontzaglijk geheel. Die dromers zijn niet, zoals je misschien gelooft, de fantasten en de dichters, het zijn de werkers, de rustelozen der wereld, zij die verteerd worden door de dwaasheid tot handelen. Zij lijken op lelijke vlijtige torren die langs een gladde koker klimmen om erin te verdwijnen als ze eenmaal boven zijn. Ze zeggen, dat ze waken, maar wat ze voor leven aanzien is in werkelijkheid slechts droom, van tevoren tot in bijzonderheden vastgelegd en onttrokken aan de invloed van hun wil.

Er zijn enkele mensen geweest, en zij zijn er nog, die wel hebben geweten dat ze droomden, de pioniers die doorgedrongen zijn tot de borstwering waarachter het eeuwig wakende ik zich verschuilt, zieners als Descartes, Schopenhauer en Kant. Maar zij bezaten de wapens niet, die nodig zijn om de vesting in te nemen en hun strijdkreet heeft de slapers niet gewekt.

Waken is alles.

De eerste stap naar dat doel is zo eenvoudig dat ieder kind hem kan zetten. Alleen hij wiens geest ontwricht is, is vergeten hoe men lopen moet en blijft verlamd op beide benen staan omdat hij geen afstand wil doen van de krukken, die hij van zijn voorgangers heeft geërfd.

Waken is alles.

Waak bij alles wat je doet! Denk niet, dat je al wakker bent. Neen, je slaapt en droomt. Verzamel al je krachten en laat gedurende een ogenblik dit gevoel je lichaam doorstromen: nu waak ik!  Als je daarin slaagt, zul je dadelijk erkennen, dat de toestand waarin je je bevond dan een sluimer en een slaap lijkt. Dat is de eerste aarzelende stap van, de lange, lange reis, die leidt tot de onderwerping aan de almacht. Ga op die wijze voort van ontwaken tot ontwaken. Er bestaat geen verontrustende gedachte die je op die manier niet zou kunnen uitbannen. Zij blijft achter en kan je niet meer bereiken. Je strekt je uit boven haar als de kroon van een boom zich verheft boven de dorre takken. De smarten verlaten je als dode bladeren, wanneer deze waakzaamheid ook je lichaam in bezit neemt.

De ijsbaden der brahmanen, de nachtwaken van de volgelingen van Boeddha en van de christelijke asceten, de folteringen der hindoese fakirs zijn niet anders dan verstarde riten die aangeven, dat zich daar weleer de tempel verhief van hen die zich inspanden te waken.

Lees de heilige geschriften van alle volkeren der aarde. Door alle loopt als een rode draad de verborgen kunst van het waken. Het is de ladder van Jacob die de gehele 'nacht' strijdt met de engel des Heren, totdat de 'dag' aanbreekt en hij de overwinning behaalt. Je moet van de ene trede van het ontwaken naar de andere stijgen, als je de dood wilt overwinnen.

De onderste trede reeds heet: het genie.

Hoe moeten we de hogere treden noemen? Zij blijven voor de menigte onbekend en worden voor legenden aangezien. De geschiedenis van Troje werd voor een legende gehouden, totdat eindelijk een mens de moed opbracht zelf te graven.

Op die weg van het ontwaken zal de eerste vijand die je tegenkomt je eigen lichaam zijn. Het zal niet je strijden tot het eerste hanengekraai. Maar als je de dageraad van het eeuwige waken ziet, die je wegvoert van de slaapwandelaars, die geloven mensen te zijn en niet weten dat zij slapende goden zijn, dan zal de slaap ook uit je lichaam verdreven worden en zal de wereld aan je onderworpen zijn. Dan zul je wonderen kunnen bewerkstelligen, als je dat wilt en je zult niet meer als een nederige slaaf gedoemd zijn af te wachten of een wrede valse godheid zo vriendelijk is je met geschenken te overladen of je het hoofd af te snijden.

Natuurlijk zal het geluk van de goede trouwe hond: een meester te dienen, niet meer voor je bestaan - maar wees eerlijk met jezelf: zou je, zelfs nu, met de hond willen ruilen? Laat je niet afschrikken door de angst dit doel niet in dit leven te bereiken. Hij die deze weg heeft gevonden keert altijd op aarde terug met een innerlijke rijpheid die het hem mogelijk maakt zijn werk voort te zetten. Hij wordt geboren als 'genie'.

Het pad, dat ik je wijs is bezaaid met vreemde gebeurtenissen: doden die je hebt gekend zullen opstaan en tegen je spreken! Het zijn slechts voorstellingen! Lichtende silhouetten zullen verschijnen en je zegenen. Het zijn slechts beelden, vormen die door je lichaam zijn voortgebracht, dat onder invloed van je veranderde wil een magische dood zal sterven en geest zal worden, zoals ijs zich in damp oplost wanneer het door vuur wordt aangetast.

Wanneer je innerlijk het lijk zal hebben verlaten dan pas zul je kunnen zeggen: nu heeft de slaap mij voor altijd verlaten. Dan zal het wonder voltrokken zijn waaraan de mensen niet kunnen geloven - omdat zij door hun zintuigen misleid, niet begrijpen dat stof en kracht hetzelfde zijn - noch het wonder dat, al zou men je begraven, er geen lijk in de doodkist zal zijn. Dan pas zul je kunnen onderscheiden wat werkelijkheid is of schijn. Degene, die je zult tegenkomen zal alleen één van degenen kunnen zijn die vóór jou de weg zijn gegaan. Alle anderen zijn schimmen.

Tot dan weet je niet of je het gelukkigste of het ongelukkigste schepsel bent. Maar vrees niets. Geen enkele die het pad van het waken is ingeslagen is, zelfs als hij verdwaalde, door zijn geleiders in de steek gelaten. Ik wil je een teken geven waaraan je zult kunnen herkennen of een verschijning werkelijkheid is of schijn: als zij op je toe komt, als je bewustzijn verward wordt, als de dingen van de buitenwereld vaag worden of verdwijnen: wees voorzichtig; wees op je hoede! De verschijning is een deel van jezelf. Als je haar niet begrijpt is het enkel een schim zonder inhoud, een dief, die een deel van je leven verbruikt.

De dieven, die de kracht der ziel stelen zijn slechter dan de dieven der wereld. Zij trekken je als dwaallichten in het moeras van de bedrieglijke hoop om je in het duister achter te laten en voor altijd te verdwijnen. Laat je door geen wonder verblinden dat zij voor je schijnen te verrichten, door geen heilige naam die ze zichzelf geven, door geen profetie die zij doen, zelfs niet als ze bewaarheid wordt; zij zijn je dodelijke vijanden, verdreven uit de hel van je eigen lichaam en waarmee je om de heerschappij worstelt. Weet dat de wonderbaarlijke krachten die zij bezitten die van jezelf zijn ­door hen omgebogen om je in slavernij te houden. Zij kunnen niet leven buiten jouw leven, maar als je ze overwint zullen ze ineenstorten, zwijgende en gehoorzame gereedschappen worden, die je naar eigen behoefte zult kunnen gebruiken. Talloos zijn de slachtoffers die zij onder de mensen hebben gemaakt. Lees de geschiedenis der zieners en der geestdrijvers en je zult zien dat het pad, dat je volgt, bezaaid is met schedels.

Onbewust heeft de mensheid een muur tegen hen opgericht: het materialisme. Die muur is een onfeilbare verdediging, hij is een voorstelling van het lichaam, maar hij is ook een gevangenismuur die het uitzicht beneemt.

Vandaag zijn ze uiteengejaagd en de feniks van het innerlijke leven verrijst uit de as waarin hij lange tijd als dood gelegen heeft, maar de gieren van een andere wereld beginnen ook te klapwieken. Wees daarom op je hoede. De weegschaal waarop je je bewustzijn zult leggen zal je tonen dat je vertrouwen in die verschijningen kunt hebben. Hoe waakzamer het is, hoe verder ze in jouw voordeel zal doorslaan.

Als een, geleider! een broeder uit een andere geesteswereld aan jou verschijnen wil, moet hij dat kunnen doen zonder je bewust­zijn te beroven. Je kunt je hand tegen zijn zijde leggen als de ongelovige Thomas.

Het zou gemakkelijk zijn de verschijningen en hun gevaren te vermijden. Je behoeft je alleen maar te gedragen als een gewoon mens. Maar wat heb je daarmee gewonnen? Je blijft een gevangene in de kerker van' je lichaam totdat de beul 'dood' je naar het schavot brengt.

Het verlangen der stervelingen de bovennatuurlijke wezens' te zien is een kreet die zelfs de schimmen der hel wakker schudt omdat een dergelijk verlangen niet zuiver is - omdat het meer hebzucht dan verlangen is, omdat het op de een of andere manier wil 'nemen' in plaats van te roepen om te leren 'geven'. Allen die de wereld beschouwen als een gevangenis, alle godvruchtige mensen die om verlossing smeken, roepen, zonder er zich rekenschap van te geven, de wereld der schimmen aan. Doe het zelf ook. Maar bewust. Bestaat er voor hen, die het onbewust doen, een onzichtbare hand, die hen uit het moeras kan halen waarin zij vastlopen? Ik geloof het niet. Wanneer je op de weg naar het ontwaken door het rijk der schimmen trekt, zul je geleidelijk inzien, dat zij gewoon gedachten zijn, die je plotseling met je ogen kunt zien. Daarom is het dat ze vreemd voor je zijn en schepselen schijnen te zijn, want de taal der vormen is verschillend van die der hersenen.

Dan is het ogenblik gekomen waarop de verandering zich voltrekt: de mensen om je heen zullen schimmen worden. Allen die je hebt liefgehad zullen plotseling larven zijn. Zelfs je eigen lichaam. Men kan zich geen vreselijker eenzaamheid voorstellen, dan die van de reiziger in de woestijn die er geen koele bron kan vinden en van dorst sterft.

Alles wat ik je hier zeg staat in de boeken van de vrome mensen van alle volkeren: de komst van een nieuw koninkrijk, de waakzaamheid, de overwinning van het lichaam en de eenzaamheid. En toch scheidt ons een onoverkomelijke kloof van die vrome lieden: zij geloven dat de dag nabij is waarop de goeden het paradijs zullen binnengaan en de kwaden in de hel zullen worden geworpen. Wij weten dat er een tijd zal komen dat velen wakker zullen worden en gescheiden zullen worden van de slapers die niet kunnen begrijpen wat het woord waken betekent. Wij weten, dat het goed en het kwaad niet bestaan, maar alleen het ware en het valse. Zij geloven dat waken betekent: zintuigen gespannen en de ogen openhouden in de nacht, zodat de mens zijn gebeden kan opzeggen. Wij weten dat het waken is het ontwaken van het onsterfelijke ik en dat de slapeloosheid van het lichaam er een natuurlijk gevolg van is. Zij geloven, dat het lichaam veronachtzaamd en verwaarloosd zou moeten worden omdat het zondig is. Wij weten, dat er geen zonde is; het lichaam is het begin van onze arbeid en wij zijn op aarde gekomen om het in geest te veranderen. Zij geloven, dat wij met ons lichaam in eenzaamheid zouden moeten leven om de geest te zuiveren. Wij weten, dat onze geest eerst de eenzaamheid moet ingaan om het lichaam van gedaante te veranderen.

Bij jou alleen berust de keuze van de weg die moet worden ingeslagen: de onze of de hunne. Je moet handelen volgens je eigen wil.

Ik heb niet het recht je te raden. Het is heilzamer naar eigen oordeel een bittere vrucht van een boom te plukken, dan een zoete vrucht te zien hangen die door anderen wordt aanbevolen.

Maar doe niet als vele anderen, die weten, dat er geschreven staat: onderzoek alles en behoud alleen het goede.Men moet gaan, niets onderzoeken en het eerste het beste ding behouden.

-----------------------------------------------------------------------------

Jarenlang schijnt het te stagneren, dan, onverwachts, dikwijls alleen gewekt door een onbelangrijke gebeurtenis, wordt de sluier weggetrokken en op een goede dag rijst er in ons wezen een tak met rijpe vruchten op waarvan we de bloei nooit bemerkt hebben. En wij bemerken dat wij, zonder het te weten, hoveniers geweest zijn van een boom vol geheimenissen. Had ik mij maar nooit laten verleiden om te geloven dat de een of andere macht buiten mijzelf deze boom zou kunnen oprichten - hoeveel ellende zou mij dan bespaard zijn gebleven! Ik was de enige meester over mijn lot - en ik wist het niet! Ik dacht dat ik er weerloos tegenover stond, omdat ik niet in staat was het door daden te veranderen.

Hoe dikwijls is het niet door mij heengegaan dat het meester zijn over zijn gedachten ook zou moeten betekenen: de almachtige bestuurder van zijn lot te zijn. Maar telkenmale verwierp ik die gedachte weer, omdat de gevolgen van die halve pogingen niet onmiddellijk zichtbaar waren. Ik onderschatte de magische kracht van de gedachte en verviel steeds weer in de erfelijke fout van de mensheid: de daad aan te zien voor een reus en de gedachte voor een hersenschim. Slechts wie leert het licht te bewegen, kan de schaduw gebieden, en daarmee het lot. Wie probeert het te volbrengen met daden, is zelf slechts een schaduw, die tevergeefs tegen schaduwen vecht. Maar het lijkt wel alsof het leven ons bijna ten dode toe moet pijnigen, willen wij eindelijk de sleutel weten te vinden.

Hoe dikwijls heb ik niet anderen willen helpen door het hun uit te leggen. Zij hoorden mij aan, knikten en geloofden mij - maar het ging het ene oor in en het andere oor weer uit. Wellicht is de waarheid te eenvoudig om haar direct te kunnen bevatten. Of moet de boom eerst ten hemel rijzen voordat het inzicht komen kan? Ik ben bang dat het verschil tussen de ene mens en de andere dikwijls groter is dan het verschil tussen een mens en een steen. Met fijne speurzin er achter zien te komen wat de boom doet groeien en wat hem voor verdorren behoedt, dát is het doel van ons leven. Al het overige is: mest scheppen zonder te weten waartoe. Maar hoevelen zullen er zijn die begrijpen wat ik bedoel?

De mensen zouden denken dat ik in beelden sprak als ik het hun zei. Het is de dubbelzinnigheid van de taal die ons scheidt. Als ik openlijk iets zou schrijven over innerlijke groei, dan zouden zij daaronder verstaan: verstandiger worden, of: beter worden, zoals zij onder filosofie een theorie verstaan en niet een werkelijk navolgen. Zich houden aan de geboden alleen, zelfs op de eerlijkste manier, is niet voldoende om de innerlijke groei te ontwikkelen, want het is slechts de uiterlijke vorm. Dikwijls is het overtreden van de geboden een betere leerschool! Maar wij houden ons aan de geboden als we ze zouden moeten overtreden en wij overtreden ze als we er ons aan zouden moeten houden.

Omdat een heilige alleen maar goede daden verricht, wanen de mensen dat zij door goede daden heilig kunnen worden. Zo lopen zij langs het pad van een vals godsgeloof de afgrond in en geloven dat zij tot de rechtvaardigen behoren. Door valse deemoed worden ze verblind, zodat ze, als de tijd komt, ontzet achteruit deinzen, als kinderen voor hun eigen spiegelbeeld, en bang zijn dat zij waanzin­nig geworden zijn als zijn gelaat hen aanziet.

 -----------------------------------------------------------------------------

Het ontbreekt de mens aan het begin. Niet dat het zo moeilijk zou zijn het te vinden, maar de waanidee dat je het moet zóéken - dát is de hinderpaal. Het leven is genadig. Elk ogenblik schenkt het ons een begin. Elke seconde dringt zich de vraag aan ons op: «Wie ben ik?» Maar wij stellen die vraag niet. Dat is de reden waarom wij het begin niet vinden.

Maar als wij die vraag eens in alle ernst stellen, dan breekt ook meteen de dag aan welks avondrood de dood betekent voor al die gedachten die de koningszaal binnengedrongen zijn en die als klaplopers zitten te schransen aan de dis van onze ziel. Het koraalrif, dat zij met de vlijt van infusiediertjes in de loop van duizenden jaren hebben opgebouwd, en dat wij «ons lichaam» noemen, is hun werk en tevens hun broed- en woonplaats. Als wij ooit de open zee willen bereiken, moeten wij allereerst in dit rif van kalk en lijm een bres slaan, om het vervolgens weer op te lossen in de geest die het van den beginne was. Later zal ik jou leren hoe je uit de puinhopen van dit rif een nieuw huis voor jezelf kunt bouwen.

Bron: Gustav Meyrink, uit de roman 'Het groene gezicht', vertaald door dr. Etthofen en mej. Perrenoud. Uitg. Emile-Paul Frères, Parijs, 1932

 
 
 
 

02.   De komende nieuwe mens - Jan van Rijckenborgh
Er is geen brug tussen natuurmens en geestmens.

 

 

Wij hebben nu in enkele hoofdstukken de komst van een geheel nieuw mensentype bij u ingeleid. Deze inleiding was nog niet geheel volledig, doch het lijkt ons goed, alvorens onze uiteenzettingen te vervolgen, een samenvatting van het besprokene te geven en enige noodzakelijke conclusies te trekken.

U zult dan wellicht begrepen hebben dat de dialectische mens is toegerust met een drievoudig bewustzijn, met een drievoudig ik. Het is dan ook volstrekt noodzakelijk, dat u, wanneer u uw medemensen in hun doen en laten gadeslaat en verplicht bent contact met hen op te nemen - hetgeen na­tuurlijk ieder ogenblik het geval is - steeds kunt vaststellen met welk «ik» van de drie u op dat moment te maken hebt.

De drie bewustzijnstoestanden in de mens zijn niet slechts figuurlijke of filosofische onderscheidingen, doch zij zijn volstrekt wetenschappelijk, organisch aantoonbaar.

Ten eerste is er een volkomen centraal bewustzijn, of ik, gezeteld in het hoofdheiligdom. Dit bewustzijn maakt gebruik van de hersencentra en is uit de bewerktuiging daarvan te verklaren. Al uw intellectuele vermogens, of de training daarvan, vloeien uit de activiteit van dit ik voort. Het is dus in staat de waarden van het leven, zoals zij zich aan dit ik voordoen, verstandelijk waar te nemen, daaruit verstandelijke conclusies te trekken en verstandelijk tot besluiten te komen.

Het bewustzijn van het hoofdheiligdom is voorts toegerust met een wilsvermogen. De vibratie die van dit wilsvermogen uitgaat zet het bloed, de zenuwen en de spieren tot handeling aan. Zo kunt u uit de toerusting van dit bewustzijnscentrum volkomen begrijpen dat er vele mensen zijn die primair door dit bewustzijn geregeerd worden; die uit hoofde van erfelijkheid of training vrijwel geheel onder de leiding van dit bewustzijn staan. Is dit het geval dan spreken wij, om dit type aan te duiden, van de intellectuele mens. Tot een klasse van dit centrale hoofdbewustzijnstype behoort onder andere de mens die wij hebben leren kennen als de occultist.

De tweede bewustzijnstoestand nemen wij waar in het hartheiligdom. Principieel werkt ook dit bewustzijn onafhankelijk van de twee andere. Organisch zetelt het in het zevenvoudige hart, doch u dient goed te begrijpen dat dit bewustzijn niets te maken heeft met het geestvonkatoom in de rechter hartkamer.

Het centrale bewustzijn van het hartheiligdom bespeelt alle registers van het menselijke gevoelsleven. U moet duidelijk inzien dat het gevoelsleven een volmaakt bewustzijns instrument is, dat onafhankelijk, bijvoorbeeld van het hoofdheiligdom, kan functioneren. Inderdaad kan de mens «denken» met het hart. Doch het woord «denken» wekt direct associaties op met het verstandelijke vermogen. Het is daarom misschien beter te zeggen dat het hartbewustzijn in staat is geheel het leven en zijn onderscheidene factoren waar te nemen en te overwegen en naar aanleiding daarvan tot besluiten te komen.

Het bewustzijn van het hartheiligdom is eveneens met een wilsvermogen toegerust, dat wij kunnen aanduiden als emotie, ontroering, bewogenheid of sentimentaliteit. Ook door de vibratie van dit wilsvermogen wordt de mens tot handeling gedreven. Mensen die primair uit het centrale hartbewustzijn leven noemen wij mystici, tot wie onder anderen diegenen gerekend moeten worden die geheel in het natuurreligieuze leven staan.

De derde bewustzijnstoestand is gezeteld in het bekken­heiligdom, of, nauwkeuriger gezegd, aan de top daarvan. Het is organisch verbonden met het lever-zonnevlecht-milt­systeem, waarover reeds uitvoerig werd gesproken. Het centrale buikbewustzijn is het meest fundamentele van de drie natuurego's. Het bepaalt het karakter waarmee de mens ter wereld komt. Al uw verborgen of naar buiten tredende neigingen en uw gehele karma zijn in dit ego vast­gelegd. Het ik van het lever-miltsysteem oefent een krachtige, overheersende invloed uit op de twee andere ego's, en het is met dit ik dat de mens 's nachts uittreedt en nachtelijke ondervindingen opdoet.

De ego's van hoofd en hart kunnen dialectisch tot aan natuurlijke, wetmatige grenzen worden gecultiveerd, maar het ego van de buik kan aan geen enkele cultuur worden onderworpen. Dit ego is de echte dialectische mens, die verplicht is zijn ware zelf onverbloemd, als naakt, te tonen. En daar dit ego zichzelf niet durft te vertonen, verbergt het zich meestal achter de al of niet gecultiveerde schijn van de hoofd- en hartcentra. Dan horen wij soms zalvende en verheven taal, overvloeiend van verstand en mensen min, doch daarachter schuilt het loeiende oerbeest dat zich kromt voor de sprong.

Ook het buikbewustzijn beschikt over een volkomen toegerust deductief vermogen in de structuren van de zonnevlecht en het beschikt ook over een wil. De wil van het buikbewustzijn noemen wij drift, en wij weten allen dat de mens die door deze drift wordt gedreven, eveneens tot handeling komt. Wanneer een mens primair en volkomen ongebreideld uit het derde ego leeft, vertoont hij het type van de oermens, de echte, ongegeneerde natuurmens, de brute materialist, de grove in bezit nemer.

Bij enig nadenken zal u duidelijk worden dat alle dialectische geëxperimenteer op het gebied van beschaving, cultuur, religie en magie te verklaren is uit een ontelbaar aantal pogingen om orde en evenwicht te brengen in de werkingen en aanzichten der drie natuurego's. Doch u zult tevens begrijpen dat juist hierdoor een overgrote mate van onwaarachtigheid wordt gewekt, en ook dat er aldus ontzaglijke, schier ondraaglijke spanningen in ieder mensenleven tot ontwikkeling komen. Alle ziekten die de mensheid teisteren vinden dan ook in deze disharmonie en de spanningen tussen de drie ego's van hoofd, hart en buik hun oorzaak.

Als de oerinstincten van de mens losbreken, vervalt hij tot levenshoudingen die dermate verschrikkelijk zijn, dat een algemeen demonisme volkomen de overhand verkrijgt. In iedere mensheidsperiode trachten de menselijke leiders dit fundamentele gevaar te bezweren door de hoofd- en hartego's te onderwerpen aan allerlei opvoedingsmethoden. Zodra echter het individualisme, de zelfhandhaving, de bestaansnormen, in het gedrang komen - en dat is in de dialectiek een natuurwet - grijpt, krachtens zijn wezen, het derde ego in. Dus wordt de wereld een loeiende hel en de mens een verscheurend dier uit de wildernis. Alle pogingen van hoofd en hart om deze toestand te bedekken, te verbloemen, weg te redeneren of weg te mijmeren, kunnen de realiteit niet weg liegen : er is geen brug tussen natuurmens en geestmens.

De natuurmens is toegerust met drie bewustzijns aggregaten, waarvan er twee als «veiligheidsklep» moeten dienen voor het derde, fundamentele bewustzijn. Doch dit alles blijkt, gezien de natuurlijke levens uitkomsten, niet voldoende: óf een intense catastrofe breekt zich baan, óf een dramatische ontreddering. Het einde is in ieder geval de dood en de gestage wielwenteling der dialectiek.

Wie de dialectisch-menselijke bewerktuiging objectief bestudeert en tenslotte de wanhoop van zijn conclusies ondergaat, geeft daarmee - als de wanhoop duidelijk aangetoond kan worden - het bewijs van een uiterst merkwaar­dige werkzaamheid in zijn stelsel.

De mens is een natuurwezen ; zijn gehele levensstelsel is uit deze natuur te verklaren en heel zijn levensbeweeg is uit zijn eenheid met deze natuur. De smart, de pijn en de droefheid van de natuurmens vloeien dan ook niet voort uit de wanhoop der godsvervreemding, doch uit de tegenstand die hij in zijn natuurlijke ontwikkeling ondervindt. Zoals het konijn zijn doodsgil uit wanneer het besprongen wordt door de hermelijn, zo schreeuwt de mens zijn bestaanskreet wanneer zijn natuurlijke loop wordt gestuit door ziekte of door burgerlijke moeilijkheden. Bij onderzoek zult u ontdekken dat u iedere willekeurige mens kunt overtuigen van de dialectiek en haar wetmatigheid, maar dat hij ze in wezen in het geheel niet erg vindt. Hij vindt ze heel gewoon, ja, vaak zelfs heerlijk. Immers, de dialectiek is geheel in overeenstemming met zijn ware, natuurlijke staat. Hij vindt de strijd naar de natuur een echt menselijke en mannelijke aangelegenheid. De moderne samenleving, die momenteel de wereld regeert, is geheel uit deze strijd en uit deze wet opgerezen.

In deze staat van natuurwezens ondergaan de mensen slechts de wanhoop dat de wereld niet functioneert zoals zij dat wel wensen, zoals zij ook de wanhoop ondergaan van een economische ineenstorting. U mag u dan ook niet vergissen als deze mensen, eventueel vol van religieuze sentimentaliteit, hun klaagzangen zingen vanwege deze boze wereld. Want zij vinden deze wereld slechts boos, omdat zij niet verkrijgen wat zij wensen. Daarom moet u ook bij u zelf eens goed nagaan of u misschien tot de Geestesschool komt, of gekomen bent, omdat u een teleurgestelde bent naar de natuur dan wel of u zich werkelijk een vreemdeling in deze wereld weet en de wanhoop der godsvervreemding u aan de ziel knaagt.

Als dit laatste het geval mocht zijn, dán is er sprake van de uiterst merkwaardige werkzaamheid in uw stelsel waarop wij hiervoor doelden. Uw verontrusting is dan namelijk te verklaren uit de werking van het geestvonkatoom. Als een mens dit atoom nog bezit en het door de Gnosis tot bewogenheid kan worden gebracht, gaat in vervulling het woord :*[1]

Wij willen naar uw grote wijze voorbeeld leven,
verbonden als atomen, die saam ons ego zijn.
Wij willen naar bewustzijn van dát ego streven,
totdat 't atoom erkent: ik lijd in 't ego pijn.

Dit pijnlijden van het geestvonkatoom in het gewone aardse natuurwezen, dáár gaat het om: alleen die pijn, alleen die smart, is bevrijdend. Wie iets van die smart kent, weet dat deze striemen hem tot genezing zijn; want uit deze smart ervaart de ware leerling dat de Gnosis hem of haar heeft gevonden. Wie smart lijdt naar de natuur, brult gelijk het dier in het woud. Maar wie de smart lijdt van de geestelijk gegrepen mens, die wordt een vreugdevolle, want:

Zo licht de grote lamp in 't albewuste denken
als oorzaak in zichzelf, 0 goddelijke kracht,
wil ons als uw atoom in uwe lichtglans drenken,
breek door de duist' re stof, hef op ons uit de nacht.

Wie aldus «in het ego pijn lijdt», als gevolg van het gewekt zijn van het geestvonkatoom, vangt het proces aan waarvan wij reeds hebben gesproken en dat letterlijk en lijfelijk de doodsklok beduidt voor de drie dialectische ego's. Zoals u nu weet wordt uit het geestvonkatoom het klare beeld van de onsterfelijke mens geboren, die uiteindelijk de mentale conceptie doet inbreken in het lever-miltsysteem om de sleutelstelling van het dialectische natuurwezen aan te tasten.

Eerst wordt het hartheiligdom door het geestvonkatoom tot nieuwe, bevrijdende werkzaamheid gedwongen. Het centrale hartbewustzijn wordt dus als eerste uit zijn natuurstaat verstoten. Door een nieuwe mentale werkzaamheid wordt vervolgens het centrale hoofd bewustzijn aan de stroom der vernieuwing geketend. Ten derde moet het beeld van de onsterfelijke mens ingaan in de milt-leversluis om het derde ego aan te tasten; dan wordt de bijl gelegd aan de wortel van het dialectische bestaan. Als de leerling met deze derde werkzaamheid begonnen is, gaat hij zich zeer concreet gereed en geschikt maken voor het nieuwe, komende menstype. Dan wordt hij organisch gereedgemaakt om de Christus te ontmoeten in de wolken des hemels. Dan zal het woord werkelijkheid worden: «De dood is verzwolgen in de overwinning. »

Als u evenwel het geestvonkatoom niet bezit, of als het nog niet door de Gnosis in u tot een vuur ontstoken is, dan zult u van al onze mededelingen en overwegingen slechts intellectueel of mystiek kennis nemen, al naar de neigingen van het eerste of tweede ego in u. In diepste wezen zal alles u dan echter niets zeggen en niets doen: u zult er niet door in beweging komen. Doch wanneer u, mét ons, naar het geestvonkatoom, in het ego pijn lijdt, en aldus het licht van de Gnosis een lamp voor uw voet geworden is, zal iedere verhandeling die vanuit de Geestesschool tot u komt, een zeer bijzondere kracht in u doen. Ieder woord zal dan direct tot uw geestvonkatoom, dat in het hartenbloed begraven ligt, spreken. Door de wondere eigenschappen van de geest zal het u gegeven zijn ieder woord te proeven, direct als waarheid te herkennen. Als zodanig zal het een ongekende kracht in uw bloedsbaan vastleggen. Aldus zal methodisch het werk des Heren, het werk van de Universele Broederschap Christi, in u bevestigd worden. In dit licht moet u het woord van Paulus verstaan: «Daarom, mijn geliefde broeders, wees standvastig, onwankelbaar, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende dat uw arbeid niet tevergeefs zal zijn.»

«Het werk des Heren» in deze zin is niet de een of andere pastorale arbeid, die de School van het Rozenkruis voor u verrichten zou, doch de methodische arbeid die in u en voor u door de Gnosis verricht wordt. Deze werkzaamheid, door de Broederschap in u en voor u ondernomen, is geen arbeid waarvan u onkundig blijft, het is geen automatische bevrijding waarin u opgenomen bent, doch uw gehele, in het ego pijn lijdende, geestvonkatoom moet aan deze arbeid intelligent meebouwen. Daarom, gij leerling op het pad, wees standvastig en onwankelbaar!

[1] Ontleend aan: C van Dijk, Teh, universele bewustwording, 319 parafrasen op de Tao Teh King van Lao Tse, Nederlandsche Keurboekerij, Amsterdam, 1934

http://www.rozekruispers.com/

 
 

03. De Religie van de mens – Rabindranath Tagore
De menselijke natuur

 

 Vanaf het moment dat de Mens zich waarlijk bewust werd van zijn zelf werd hij zich ook bewust van een geheimzinnige geest van eenheid die via hem zijn uitdrukking vond in zijn samenleving. Het is een subtiel medium voor de verstandhouding tussen individuen, zonder enige nuttige bruikbaarheid, maar met een eigen uiteindelijke waarheid, die geen rekenkundige som maar een waarde in het leven is. Op de een of andere wijze heeft de Mens gevoeld dat zijn alomvattende geest van eenheid een goddelijke aard heeft die het offer van alles wat individueel in hem is zou kunnen opeisen, en dat daarin zijn hoogste betekenis vertoeft, die zijn beperkte zelf te boven gaat en zijn beste vrijheid vertegenwoordigt.

De eerbiedige trouw van de Mens aan deze geest van eenheid wordt in zijn religie uitgedrukt; deze wordt gesymboliseerd in de namen van zijn godheden. Daarom waren in den beginne zijn goden stamgoden, zelfs de goden van tot dezelfde stammen behorende gemeenschappen. Met de uitbreiding van het bewustzijn van de menselijke eenheid werd zijn God in hem geopenbaard als één en universeel, het bewijs leverende dat de waarheid van de menselijke eenheid de waarheid van de God van de Mens is.

In het Sanskriet heeft religie de naam dharma, in afgeleide betekenis houdt dit het principe van de verhouding in die ons standvastig maakt, in technische zin betekent het de deugd van iets, de essentiële aard ervan; bijvoorbeeld hitte als essentiële eigenschap van vuur, hoewel het in sommige stadia daarvan niet aanwezig hoeft te zijn.

Religie bestaat uit de onderneming van de mens om die eigenschappen aan te kweken en uit te drukken die eigen zijn aan de aard van de Eeuwige Mens, en in hem geloof te hebben. Als deze eigenschappen volkomen natuurlijk in het individu waren, zou de religie geen doel hebben. Wij beginnen onze geschiedenis met alle oorspronkelijke inblazingen in onze grove aard die ons helpen bij de vervulling van die vitale behoeften die voor ons dringend zijn. Maar dieper in ons is een vloed van neigingen die in velerlei tegenovergestelde richtingen uitgaat, de levensstroom van de universele mensheid. Religie heeft haar functie in het verzoenen van de tegenstelling, door het ondergeschikt maken van de grove aard aan wat wij beschouwen als de waarheid van de Mens. Dit wordt ondersteund wanneer ons geloof in de Eeuwige Mens, die wij verschillende namen geven en in verschillende beelden uitdrukken, sterk wordt gemaakt. De tegenstrijdigheid tussen de twee naturen in ons is zo groot dat mensen bewust hun vitale behoeften opofferden en de dood verkozen teneinde hun dharma, dat de waarheid van de Soevereine Mens vertegenwoordigt, tot uitdrukking te brengen.

Het visioen van de Soevereine Mens wordt niet door onze geest geschapen maar verwerkelijkt door onze verbeeldingskracht. Wezenlijker dan het individu overtreft hij ieder van ons in zijn allesdoordringende persoonlijkheid die bovenzinnelijk is. De processie van zijn ideeën, die zijn groots doel volgt, begeeft zich voortdurend langs belemmerende feiten naar de volmaakte waarheid. Wij, die als individuen onze plaats in zijn compositie hebben, kunnen al dan niet bewust in overeenstemming zijn met zijn doelstelling, en kunnen zelfs obstakels op zijn weg plaatsen waarmee wij de ondergang over onszelf afroepen. Maar wij vinden onze ware religie wanneer wij bewust met hem samenwerken, en door lijden en opofferingen een alles overtreffende vreugde aantreffen. Want door onze liefde voor hem worden wij bewust gemaakt van een grote liefde die vanuit zijn wezen straalt en die Mahätma is, de Soevereine Geest.

De grote Chinese wijsgeer Lao-tze heeft gezegd: 'Hij die mag sterven, maar niet vergaat, heeft het eeuwige leven.' Dit betekent dat hij in het leven van de onsterfelijke Mens leeft. De drang naar dit leven brengt mensen er toe de strijd aan te gaan om waarlijk te overleven. Er is in onze geschriften gezegd: 'Door adharma (het negeren van dharma) gedijt de mens voorspoedig, verkrijgt wat begeerlijk lijkt, overwint hij vijanden, maar aan de wortels zal hij vergaan.' In dit gezegde wordt gesuggereerd dat er een leven is dat waarachtiger voor de mens is dan zijn materiële leven dat vergankelijk is.

Ons leven wint aan wat wordt genoemd 'waarde', in die aspecten ervan, welke de eeuwige mensheid voorstellen in weten, in medegevoelen, in daden, in karakter en scheppend werk. Vanaf het begin van onze geschiedenis zoeken wij, vaak ten koste van al het andere, de waarde in ons leven en niet alleen maar welslagen; in andere woorden, wij proberen in onszelf de onsterfelijke Mens te verwerkelijken, opdat wij mogen sterven maar niet vergaan. Dit is de betekenis van de uiting in de Upanishad: 'Tam veqyam purusham veda,yatha ma vo mrityuh parivyathah' ­ 'Verwerkelijk de Persoon zodat gij niet zult lijden aan de dood.'

De betekenis van deze woorden is bovenmate paradoxaal, en kan niet door onze gevoelens of onze ratio worden bewezen, toch is de invloed ervan bij mensen zo sterk dat zij alle angst en hebzucht van zich hebben afgeworpen, alle instincten die aan de grove aarde kleven trotseerden, terwille van het aanvaarden en behoeden van een leven dat aan de Eeuwige Persoon toebehoort. Dit is des te veelbetekenender aangezien velen hunner niet in de werkelijkheid ervan geloven, en toch bereid zijn er alles voor weg te werpen waarvan zij geloven dat het definitief is en het enige positieve feit.

Wij noemen deze ideale werkelijkheid 'spiritueel', geestelijk. Die woorden zijn vaag; desalniettemin lijkt het alsof wij door het flauwe licht dat ons over de barrières van het materiële bestaan heen bereikt, een sterker geloof in de spirituele Mens hebben dan in de lichamelijke; en vanaf de duisterste periode in zijn geschiedenis heeft de Mens een gevoel gehad dat de schijnbare feiten van het bestaan niet definitief zijn; dat zijn opperste welzijn afhangt van zijn vermogen een volmaakte verstandhouding op te bouwen met het een of andere grote geheim achter de sluier, op de drempel van een groter leven, dat hem voor altijd een veel hogere waarde verleent dan een louter voortbestaan van zijn lichamelijke leven in de materiële wereld.

Ons lichaam heeft zijn veelomvattende werkelijkheid in de materiële wereld, die naar waarheid ons universele lichaam kan worden genoemd, zonder welk ons individuele lichaam zijn functies zou missen. Ons leven verwerkelijkt zijn groeiende betekenis door een wijder wordende vrijheid in zijn verstandhouding met de materiële wereld, en dit geeft het een groter geluk dan alleen maar het plezier van bevredigde behoeftes. Wij worden een diepgaande betekenis van ons eigen zelf gewaar in het bewustworden van het een of andere ideaal van volmaaktheid, de een of andere waarheid die prachtig of majestueus is en ons een innerlijk gevoel van volledigheid geeft, een verhoogd gevoel van eigen werkelijkheid. Dit versterkt het geloof van de mens, doeltreffend zelfs indien onbepaald - zijn geloof in een objectief ideaal van volmaaktheid dat de menselijke wereld omvat. Zijn visioen ervan is prachtig of verwrongen geweest, verlicht of duister, al naar de stadia van ontwikkeling die zijn bewustzijn bereikt heeft. Maar wat ook de naam en de aard van zijn religieuze overtuiging moge zijn, het menselijke ideaal van vervolmaking is gebaseerd op een band van eenheid die door de individuen heen loopt en een toppunt bereikt in een verheven Wezen dat het eeuwige in de menselijke persoonlijkheid vertegenwoordigt. In zijn beschaving brengt de volmaakte uitdrukking van dit idee de rijkdom aan waarheid teweeg die voor de openbaring van de Mens is, en niet alleen voor het welslagen in het leven. Maar als dit scheppende idee, dat dharma is, plaats maakt voor de een of andere overweldigende hartstocht in een groot aantal mensen barst de beschaving in een explosieve vlam uit, als een ster die zijn eigen brandstapel van onstuimige schittering heeft aangestoken.

Tijdens mijn kinderjaren had ik de vrijheid mijn eigen speelgoed uit kleinigheden te maken en mijn eigen spelletjes uit de verbeelding te scheppen. Mijn speelkameraden hadden in mijn geluk hun volle aandeel, in feite hing al het genoegen in mijn spelletjes af van hun deelname daaraan. Op een dag kwam in dit paradijs van onze jeugd uit de marktwereld van de volwassene de verleiding binnen. Een stuk speelgoed in een Engelse winkel gekocht werd aan een van ons gegeven; het was volmaakt, het was groot en wonderbaarlijk levensecht. Hij werd trots op zijn speelgoed en dacht minder aan het spel; hij hield dat dure ding zorgvuldig voor ons weg, prat op het exclusieve bezit ervan, en voelde zich verheven boven zijn speelgenoten wier speelgoed goedkoop was. Ik ben er zeker van dat als hij de moderne taal van de geschiedenis kon gebruiken hij zou zeggen dat hij beschaafder was dan wij aangezien hij dat belachelijk volmaakte stuk speelgoed bezat.

Eén ding dat hij in zijn opwinding niet kon beseffen, een feit dat voor hem op dat moment onbetekenend leek ­ was dat deze verleiding iets dat heel wat volmaakter was dan zijn speelgoed verduisterde: de openbaring van het volmaakte kind dat voor altijd in het hart van de mens verblijft, met andere woorden het dharma van het kind. Het stuk speelgoed bracht alleen zijn rijkdom tot uiting maar niet hemzelf, niet de scheppende geest van het kind, niet de edelmoedige vreugde van het kind in zijn spel, niet de herkenning van zichzelf in de anderen, zijn deelgenoten in zijn speelwereld. De beschaving is er om het dharma van de Mens uit te drukken, en niet alleen zijn behendigheid, macht en bezit.

Eens werd mij de gelegenheid geboden om met een auto mee te rijden naar Calcutta vanuit een plaats die daar honderd mijl van verwijderd was. Een motorstoornis dwong ons bijna elk half uur het water te verversen. In het eerste dorp waar wij moesten stoppen vroegen wij een man om hulp bij het zoeken naar water. Dat was een hele opgave voor hem, maar toen wij hem zijn beloning aanboden, weigerde hij die aan te nemen, hoe arm hij ook was. Hetzelfde gebeurde in vijftien andere dorpen. In een warm land, waar reizigers voortdurend water nodig hebben en waar de watervoorraad in de zomer schaars wordt, beschouwen de dorpelingen het als hun plicht om water aan te bieden aan diegenen die dat nodig hebben. Zij zouden er gemakkelijk een handel van kunnen maken, volgens de onverbiddelijke wet van vraag en aanbod. Maar het ideaal dat zij als hun dharma beschouwen is één met hun leven geworden. Zij verlangen geen persoonlijke verdienste voor het bezit hiervan.

Lao-tze zegt, sprekend over de man die waarlijk goed is: 'Hij bezielt maar bezit niets. Hij handelt maar eist niets. Verdiensten volbrengt hij maar hij staat er niet bij stil. Aangezien hij er niet bij stilstaat zullen zijn verdiensten hem nooit verlaten.' Dat wat buiten onszelf is kunnen wij verkopen, maar datgene wat één met ons wezen is kunnen wij niet verkopen. Deze totale verwerking behoort tot het paradijs van de volmaaktheid; het ligt verder dan het vagevuur van het zelfbewustzijn. Dit bereikt te hebben bewijst een langdurig proces van beschaving.

In staat te zijn een aanzienlijke hoeveelheid moeite te nemen om een passerende vreemdeling van water te voorzien, en er toch geen beloning of verdienste voor te vragen schijnt absurd en verwaarloosbaar eenvoudig vergeleken met het vermogen een wonderbaarlijk aantal dingen per minuut te kunnen maken. Een toerist die miljonair is en bereid de voedsel markt op te kopen en rijk te worden door de hele wereld aan de rand van de hongersnood te brengen, zal zich zeker te verheven voelen om zoiets eenvoudigs op te merken als hij met honderd kilometer per uur door onze dorpen snelt.

Toch is het eenvoudig, zo eenvoudig als het is voor een heer om heer te zijn; maar die eenvoud is het product van eeuwen cultuur. Die eenvoud is moeilijk na te bootsen. In een paar jaar tijd zou ik kunnen leren hoe gaten in duizenden naalden tegelijkertijd te maken door aan een wiel te draaien, maar om absoluut eenvoudig te zijn in de gastvrijheid tegenover een vijand, of een vreemde, vereist generaties oefening. De eenvoud telt zijn eigen waarde niet, eist geen beloning, en daarom beseffen zij die verzot zijn op macht niet dat eenvoud in geestelijke uitdrukking het hoogste voortbrengsel van de beschaving is.

Een proces van desintegratie kan deze zeldzame vrucht van een hoger leven doden, zoals een heel ras vogels van zeldzame schoonheid uitgeroeid kan worden door de vulgaire kracht van de hebzucht die beschaafde wapens hebben. Dit feit werd mij duidelijk bewezen toen ik ontdekte dat de enige plaats waar een prijs werd verwacht voor het water dat ons gegeven werd een voorstad van Calcutta was, waar het leven rijker, de watertoevoer gemakkelijker en overvloediger was en waar de vooruitgang in talrijke kanalen in alle richtingen stroomde. Het toont aan dat een harmonie in het karakter die de mensen eens bezaten verloren was gegaan - de harmonie met het innerlijke zelf die in haar universaliteit groter is dan de ik die voorrang verleent aan persoonlijke behoeften. Die laatste verliest zijn gevoel voor schoonheid en edelmoedigheid in zijn winstbejag; want daarin vertegenwoordigt het uitsluitend zichzelf en niet de universele Mens.

Er is een voordracht in de Atharva Veda, waarin de vraag opkomt wie was het die de Mens zijn muziek gaf. Vogels herhalen hun enkele noten, of een heel eenvoudige combinatie daarvan, maar de Mens bouwt zijn wereld van muziek en vestigt steeds nieuwe ritmische relaties tussen de akkoorden. Deze openbaren hem een universeel geheim van de schepping dat niet beschreven kan worden. Zij brengen hem het innerlijke ritme dat feiten in waarheden omzet. Zij plezieren niet alleen zijn gehoorzintuigen, maar ook zijn dieper wezen, dat zijn bevrediging vindt in het ideaal van de volmaakte eenheid. Op de een of andere wijze voelt de mens dat de waarheid haar lichaam in zulk een vervolmaking vindt; en als hij zoekt naar zijn eigen openbaring dan zoekt hij een middel dat de harmonieuze eenheid van de muziek bezit. Onze impuls om uitdrukking te geven aan de Universele Mens brengt kunst en letteren voort. Zij drukken in hun cadans van lijnen, kleuren, bewegingen, woorden en gedachten veel meer uit dan wat zij aan de oppervlakte schijnen te zijn. Zij openen de ramen van onze geest naar de eeuwige werkelijkheid van de mens. Zij zijn de overtolligheid aan rijkdom waarvan wij onze gemeenschappelijke erfenis opeisen welke ook het land en de tijd moge zijn waartoe wij behoren; want zij zijn geïnspireerd door de universele geest. En niet alleen in zijn kunsten, ook in zijn eigen gedrag moet het individu om uit te blinken raken aan een ideaal dat de een of andere waarachtige waarde heeft en als ideaal toebehoort aan alle mensen. In andere woorden hij zou in zijn houding en omgeving een muziek van de uitdrukking dienen te scheppen die hem de verheven Persoonlijkheid doet vertegenwoordigen. Beschaving is de schepping van het ras, haar uitdrukking van de Universele Mens.

Toen ik voor het eerst Japan bezocht had ik de gelegenheid twee sterk met elkaar contrasterende delen van de menselijke sfeer gade te slaan; één waarop de aloude continenten van sociale idealen, schoonheidscriteria en persoonlijke gedragsregels opgroeiden; en het andere deel, het beweeglijke element, de voortdurende stroom die rijkdom bracht naar zijn kusten van uit alle delen der wereld. In de tijd van een halve eeuw was Japan in staat zichzelf de machtige geest van de vooruitgang eigen te maken die op een ochtend plotseling boven haar losbarstte in een storm van belediging en bedreiging. China heeft ook zijn wakker schudden gekend, toen het zelfrespect van het land in stukken werd geslagen door een aantal hulpeloze jaren, en ik ben ervan overtuigd dat ook dit land binnen niet al te lange tijd het instrument zal beheersen dat het zo verwondde. Maar de idealen die leven en lichaam aan de Japanse beschaving verleenden, waren door de eeuwen heen gevoed in de eerbiedwaardige verwachtingen van talloze generaties die zich niet in de allereerste plaats bezighielden met de onophoudelijke jacht op mogelijkheden. Zij hadden die grote gebieden van vrije tijd in zich die noodzakelijk zijn voor het bloesemen van de schoonheid van het Leven en het rijpen van haar wijsheid.

Enerzijds kunnen wij de moderne fabrieken in Japan in ogenschouw nemen met hun talrijke machinale organisaties en werktuigen voor opbouwen afbraak van het laatste type. Anderzijds zien wij de een of andere breekbare vaas, zijdedoek, bouwkunst van verheven eenvoud, de volmaakte lyriek van lichaamsbeweging. Wij kunnen ook de Japanse uitdrukking van hoffelijkheid opmerken die hun elke dag aanzienlijke tijd en moeite kost. Dit alles is niet voortgekomen uit een intens bewustzijn van de waarde van de werkelijkheid die tijd nodig heeft voor vervulling. Wat Japan openbaart in zijn behendige manipulatie van telegraafdraden en spoorweglijnen, van machines voor het fabriceren van dingen en het doden van mensen, is min of meer gelijk aan wat wij in andere landen zien die overeenkomstige opleidingsmogelijkheden hebben. Maar in zijn levenskunst, zijn schilderijen, zijn gedragsregels, de verschillende vormen van schoonheid die zijn religieuze en sociale idealen aannemen, drukt Japan zijn eigen persoonlijkheid uit, zijn dharma, dat teneinde van enigerlei waarde te zijn, uniek moet zijn en tegelijkertijd de Mens van het Eeuwigdurend Leven moet vertegenwoordigen. Lao-tze heeft gezegd: 'Het eeuwige niet kennen veroorzaakt het opkomen van hartstochten, en dat is kwaad.' Hij heeft ook gezegd: 'Laten wij sterven, en toch niet vergaan.' Want wij sterven als wij ons lichamelijke leven verliezen, wij gaan onder als wij onze menselijkheid missen. En menselijkheid is het dharma van menselijke wezens.

Wat in deze wereld duidelijk is, is de eindeloze processie van bewegende dingen; maar wat verwerkelijkt dient te worden is de verheven Waarheid van de mens waarvan de mensenwereld doordrongen is.

Wij moeten heden ten dage nooit vergeten dat louter beweging op zichzelf niet waardevol is, dat het een teken kan zijn van een gevaarlijke vorm van bewegingloosheid. Wij moeten er aan herinnerd worden dat een grote om­wenteling in de geest, een universele verwerkelijking van de waarachtige waardigheid van de mens, eens door Boeddha's leer in India veroorzaakt, eeuwenlang een beweging veroorzaakte die verlichting teweegbracht in literatuur, kunst, wetenschap en talrijke prestaties van publieke weldadigheid. Dit was een beweging waarvan de motiverende kracht niet de een of andere toename van kennis of macht was of de aandrang van een overweldigen­de hartstocht. Het was een inspiratie tot vrijheid, de vrijheid die ons in staat stelt dharma te verwerkelijken, de waarheid van de Eeuwige Mens.

Lao-tze heeft in een van zijn uitspraken gezegd: 'Zij die deugden (dharma) hebben wijden zich aan hun verplichtingen; zij die geen deugden bezitten wijden zich aan hun eisen.' De vooruitgang die niet betrokken is bij een innerlijk dharma, maar bij een aantrekking die van buiten komt, poogt onze eindeloze eisen te bevredigen. Maar de beschaving, die een ideaal is, geeft ons de overvloedige kracht tot afstand doen, die de kracht is waardoor het oneindige wordt verwezenlijkt en de schepping geïnspireerd. 

Deze grote Chinese wijsgeer heeft gezegd: 'Het leven doen toenemen wordt een zegen genoemd.' Want de toename van leven verwezenlijkt het eeuwige leven en overschrijdt toch niet de grenzen van de levenseenheid. De pijnboom op de berg groeit hoog en groot op, in elke centimeter wordt het ritme van een innerlijk even­wicht gehandhaafd, en daarom heeft de boom zelfs in zijn schijnbare overdadigheid de terughoudende gratie van zelfbeheersing. De boom en zijn producten behoren tot hetzelfde vitale systeem van de cadans; de stam, de bloemen, bladeren en vruchten zijn één met de boom; hun uitbundigheid is geen ziekte van de overdrijving, maar een zegen.

 
 

04. De driehoek der liefde - Swami Vivekananda

 

We kunnen ons de liefde voorstellen als een driehoek, waarvan elke hoek een aan liefde onafscheidelijke karaktertrek vertegenwoordigt. Er kan geen driehoek zijn zonder alle drie de hoeken. Er bestaat geen ware liefde zonder de volgende drie bijzondere kentekenen.

De eerste hoek van de driehoek der liefde is het feit, dat liefde geen koopmanschap kent. Liefde, die iets terug verlangt, is geen werkelijke liefde, maar koophandel. Zo lang wij iets van God verwachten in ruil voor onze eerbied en verknochtheid, kan in ons hart geen werkelijke liefde gedijen. Zij, die tot God bidden om iets te verkrijgen, zullen stellig met bidden ophouden indien zij het gewenste niet krijgen. De bhakta[1] houdt van God, omdat Hij beminnenswaard is; er is geen ander motief in het spel bij de goddelijke bewogenheid van de ware aanbidder.

Het verhaal gaat, dat een machtig koning eens het woud introk en daar een wijze ontmoette. De koning wenste hem een geschenk te geven, maar de wijze bedankte er voor met de woorden: 'De bomen van het woud geven mij vruchten als voedsel; de klare bergstromen verkwikken mij met drank; de schors der bomen dient mij als kleding; de grotten der bergen zijn mijn woning. Waarom zou ik van u of van wie ook geschenken aannemen?' De koning antwoordde hierop: 'Ik zal het als een zegening beschouwen, indien gij iets van mij wilt aannemen. Toe, vergezel mij naar mijn paleis in de stad.' Na veel praten liet de wijze zich overreden en vergezelde de koning naar zijn paleis. Alvorens het geschenk te overhandigen, verzonk de koning in gebed, en smeekte overluid om meer kinderen, meer rijkdom, meer grondgebied en betere gezondheid. Terwijl de koning nog aan het bidden was, stond de wijze op en verliet zo rustig mogelijk het vertrek. De koning bemerkte het echter en liep hem haastig na, terwijl hij luide uitriep: 'Heer, waarom gaat gij weg voordat ik u nog iets heb kunnen geven?' De wijze keerde zich om met de woorden: 'Ik wil niets hebben van een bedelaar.'

Uit dit verhaaltje spreekt duidelijk het verschil tussen de op eigen baat uitzijnde aanbidder van God en de werkelijke minnaar van God. In de taal der liefde komt het woord bedelen niet voor. En het vragen om verlossing is ook een soort bedelen. Liefde vraagt niet om geschenken. De bhakta bemint, omdat hij niet anders kan. Indien gij een mooi landschap ziet en daarvan gaat houden, komt het niet in u op om dat landschap te vragen u een gunst te bewijzen; noch vraagt het landschap u het iets te geven. Toch brengt de aanschouwing van het landschap u in een verheven gemoedsstemming, het stemt u tot kalmte, het heft u als het ware op uit uw sterfelijke natuur en brengt u in een toestand van goddelijke extase. Deze uit het hart opwellende ware liefde is de eerste hoek van onze liefdesdriehoek. Vraag niets in ruil voor uw liefde; neem altijd het standpunt in van gever; geef God uw liefde, maar vraag er, zelfs aan Hem, niets voor terug.

De tweede hoek van de liefdesdriehoek is onbevreesdheid. Zij die God uit vrees liefhebben, zijn de laagste onder de mensen, amper aan het menszijn toe. Zij aanbidden God uit vrees voor straf. Voor hen is hij een verheven wezen, met een zweep in de ene en de scepter in de andere hand. Zij zijn bang geslagen te worden als zij ongehoorzaam zijn. Het is een vernederende toestand en zulk soort aanbidding, als men het al aanbidding kan noemen, is de meest ongerijpte vorm van verering uit liefde. Hoe kan men van liefde spreken, zolang er vrees in het hart is? Liefde overwint van nature alle vrees. Denk u een jonge moeder ergens op straat, en een grote hond die haar aanblaft; zij schrikt en zoekt een goed heenkomen. Maar denk u diezelfde moeder, maar nu met haar kind bij zich, en een leeuw, op het punt zich op het kind te werpen. Wat zal zij doen? Natuurlijk zich voor het kind plaatsen om het te beschermen.

Liefde overwint alle vrees. Vrees komt voort uit zelfzuchtige afgescheidenheid van het heelal. Hoe kleiner en zelfzuchtiger ik me voel, des te groter is mijn vrees. Indien een mens zich heel klein voelt, zal hij zeker zeer vreesachtig zijn. En hoe minder men zich bewust is van eigen kleinheid, des te minder zal men bevreesd zijn. Zo lang er nog maar een sprankje vrees is, kan geen liefde in het hart oprijzen. Liefde en vrees sluiten elkaar uit. God behoeft men niet te vrezen, zolang men Hem liefheeft. Het gebod Gij zult de naam van God, Uw Heer, niet ijdel gebruiken, wordt door de ware minnaar van God niet au sérieux genomen. Hoe kan er sprake zijn van godslastering in de godsdienst der liefde? Hoe meer gij Gods naam uitspreekt, op welke wijze ook, hoe beter. Gij noemt Zijn naam, omdat gij Hem liefhebt.

De derde hoek van de liefdesdriehoek is het ontbreken van alle mededinging, aangezien de liefde voor God altijd van het hoogste ideaal is. Ware liefde komt pas, indien het voorwerp onzer liefde ons hoogste ideaal is. Het mag dan zijn, dat menselijke liefde vaak misplaatst is, maar voor de minnaar is de beminde steeds zijn hoogste ideaal. De een moge zijn ideaal zien in een verdierlijkt wezen, de andere in een zeer verheven wezen; maar in beide gevallen is er het ideaal, dat van ganser harte wordt vereerd. Het hoogste ideaal van elk mens wordt God geheten. Onwetend of geleerd, heilige of zondaar, man of vrouw, wel opgevoed, of onopgevoed, het hoogste ideaal van elk mens is God, de synthese van alle denkbare idealen, zoals o.a. schoonheid, verhevenheid en macht. Deze idealen zijn in een of andere vorm van nature in elk mensenhart aanwezig; zij maken deel uit van elk denkvermogen. En elke manifestatie van men­selijke activiteit is de drang tot verwezenlijking van een of meer dezer idealen in de menselijke samenleving.

De verschillende 'bewegingen', die zich bij ons aandienen, vinden hun oorsprong in de manifestatiedrang van in de menselijke ziel verborgen idealen. Eens echter komt de tijd - misschien eerst na honderdtallen van geboorten en duizenden jaren van streven - dat de mens tot de ontdekking komt, dat het innerlijk ideaal niet in de uiterlijke wereld verwerkelijkt kán worden; na hiervan overtuigd te zijn geraakt, geeft hij zijn pogingen tot wereldverbetering op, en vangt hij aan zijn ideaal als ideaal te vereren, van uit het hoogste standpunt van liefde. Dit volmaakte ideaal omvat alle andere idealen.

Iedereen erkent de juistheid van het gezegde, dat een minnaar de schoonheid van Helena aanschouwt in het gelaat van een Ethiopische. De onpartijdige toeschouwer denkt er anders over, maar de minnaar schouwt met door liefde betoverde ogen. Wat is het nu dat de mens van de wereld meestal vereert? Zeker niet het alomvattende, volmaakte ideaal van de volmaakte aanbidder. Als ideaal aanbidden de meesten, wat in het zelf leeft; bijna ieder mens projecteert het eigen ideaal op de uiterlijke wereld en knielt vervolgens neer om het te aanbidden. Daarvandaan, dat een bloeddorstig en wreed mens alleen een bloeddorstig God kan liefhebben als hoogste ideaal, terwijl de goede mens een totaal hiervan verschillend Godsideaal heeft.

[1] Bhakti is een eenpuntig, werkelijk zoeken naar God; een zoeken dat begint, voortgaat en eindigt met liefde. Eén ogenblik van extase door alles te buiten gaande liefde voor God schenkt ons durende vrijheid. Volgens Narada is Bhakti intense liefde voor God. De mens, die er door gegrepen wordt, de bhakta, heeft allen en alles lief en kent geen haat meer; eeuwige bevrediging is zijn deel. Deze liefde wordt niet beperkt door enig aards gewin, omdat, zolang er aardse begeerten zijn, dit soort liefde niet bestaanbaar is.

 

05.   Charon - De veerman van de onderwereld - ERASMUS 1466 - 1536

 
 
 

Personen: Charon en Alastor, de wrekende genius

Deze dialoog, waarin wezens uit de Grieksche fabelleer door Erasmus sprekend worden ingevoerd, is geheel geschoeid op de leest van een dialoog van den Griekschen schrijver Lucianus. De knorrige Charon, die de schimmen der dooden over de rivier de Styx naar hun eeuwig verblijf moest voeren, houdt een gesprek met een boozen Genius. Hun samenspraak is een scherpe satire op de heerschzucht en den twistlust der vorsten en machthebbers van dien tijd, die aangehitst door de intriges en 't winstbejag der priesters en monniken overal strijd en oorlog trachtten te verwekken. Erasmus zelf karakteriseert in zijn betoog "Het nut der Samenspraken," deze dialoog met de volgende woorden: "In Charon verfoei en vervloek ik den oorlog tusschen de Christenen."

CHARON: Wat heb jij een geweldige haast, Alastor?
ALASTOR: Dat is net goed dat ik je tref, Charon. Ik haastte me juist naar je toe.
CHARON: Wat voor nieuws is er?[1]
ALASTOR: Ik breng een bericht dat u en de koningin der onderwereld recht veel plezier zal doen.
CHARON: Nu, zeg dan op wat je komt brengen, ontlast je!
ALASTOR: De Schrikgodinnen hebben even behendig als gelukkig haar taak vervuld: alle deelen van de aarde hebben ze met helsche kwellingen bezocht, met tweespalt, oorlogen, rooverijen, pestziekten en wel in die mate dat ze zoo goed als kaal zijn, nu ze haar slangen lokken hebben verloren en beroofd van haar gif rondwandelen, zoekend of er nog ergens iets aan slangen en adders te vinden is, daar ze zoo glad zijn als een ei, geen haar meer op haar hoofd hebben en in haar borst geen werkzaam gif. Maak gij nu maar dat ge uw boot en uw riemen klaar hebt. Want daar zal weldra zóó 'n menigte van schimmen aankomen, dat ik bang ben dat ge geen voldoende middelen zult hebben om ze over den stroom te zetten.
CHARON: Wat gij daar zegt was me niet ontgaan.
ALASTOR: Hoe was je dat dan te weten gekomen?
CHARON: De Faam had mij dat een paar dagen geleden al overgebracht.­
ALASTOR: Daar haalt toch niets bij de vlugheid van die Godin! Maar waarom zit je hier zoo niets doende neer en hebt ge uw boot in den steek gelaten?
CHARON: Ja, dat brachten de omstandigheden zoo mee. Ik ben hierheen gekomen om me een stevige schuit te koopen. Want mijn boot die van ouderdom rot is en veel water doorlaat, zou voor dat werk niet voldoende zijn, wanneer werkelijk waar is, 't geen de Faam heeft verteld. Maar, had ik die Faam wel noodig? De omstandigheden dwongen me toch al. Want ik heb schipbreuk geleden.
ALASTOR: Ontegenzeggelijk ben je druipnat. Ik dacht datje zoo uit 't bad kwam.
CHARON: Neen, dat niet; maar ik kom net uit de rivier de Styx zwemmen.
ALASTOR: En waar heb je dan je schimmen gelaten?
CHARON: Die zwemmen met de kikkers rond.
ALASTOR: Maar wat heeft de Faam u verteld?
CHARON: Dat drie monarchieën in doodelijken haat op elkaar aangevallen zijn om elkander te verdelgen en dat er geen enkel deel van de Christenwereld is waar de oorlog niet woedt: want die met hun drieën sleepen de anderen mee om samen te vechten. Allen zijn ze zóó gezind dat niemand aan een ander wil toegeven. Inmiddels weet ik, dat noch de Denen, noch de Polen, noch de Schotten, noch zelfs ook Turkije zich rustig houdt: dat zij allerlei vreeslijke maatregelen nemen; dat overal de pest woedt, in Spanje, in Engeland, in Italië, in Frankrijk. Dat daarbij een nieuw verderf is opgekomen, uit meeningsverschil ontstaan, dat alle menschen zóó heeft bedorven, dat er nergens meer ware vriendschap bestaat; dat de eene broeder den anderen wantrouwt, dat er tweedracht heerscht tusschen man en vrouw. We willen er 't beste van hopen dat ook hieruit nog wel eens een heerlijke ellende voor 't menschdom zal voortkomen, wanneer van tong en pen de zaak tot handtastelijkheden overgaat.
ALASTOR: Nu, de Faam heeft u dat alles volmaakt naar waarheid verteld. Want ik zelf heb met mijn eigen oogen nog meer gezien, ik, die de onafscheidelijke gezel en helper der Schrikgodinnen ben, die verklaard hebben dat ze haar naam nooit meer verdiend hebben dan in dezen tijd.
CHARON: Toch bestaat er gevaar dat de een of andere godheid opstaat om plotseling tot vrede aan te manen. En de menschen zijn dikwijls zoo veranderlijk. Want naar ik hoor leeft daar in de bovenwereld een zekere Veelschrijver[2] die niet ophoudt met zijn pen zich tegen den oorlog te verzetten.
ALASTOR: Nu ja, maar dat doet hij allang tevergeefs. Indertijd heeft hij geschreven: "Klacht van den Vrede, uitgeworpen en vertrapt bij alle volkeren." Nu heeft hij weer uitgegeven een "Grafschrift op den overleden Vrede." Maar daar zijn anderen die onze zaak evenzeer helpen als de Furiën zelf.
CHARON: Wie dan?
ALASTOR: Wel, dat zijn wezens met donkerkleurige en witte mantels, met aschgrauwe onderkleeren, vogels van diverse pluimage. Nooit wijken ze van de hoven der vorsten, zij druppelen in hunne ooren krijgslust in, drijven voornamen en menschen uit 't volk daartoe aan; in hunne bekende godsdienstige bijeenkomsten verkondigen ze dat de oorlog rechtvaardig, heilig en vroom is. En opdat ge u nog meer over de driestheid van die menschen zoudt verwonderen: ze verkondigen hetzelfde van beide zijden. Bij de Franschen roepen ze den volke toe: dat God aan den kant der Franschen staat en dat hij niet kan overwonnen worden die God als beschermer heeft. Bij de Engelschen en de Spanjaarden: dat deze oorlog niet door den Keizer wordt gevoerd, maar door God zelf. Als ze zich maar dapper betoonen, dat dan ook de overwinning vaststaat. En als iemand soms sneuvelt, zoo iemand sterft niet, maar vliegt regelrecht ten hemel, zóó als hij stierf, met wapens en al.
CHARON: En gelooft men nu dat alles, wat ge daar vertelt?
ALASTOR: Wat vermag geveinsde godsdienst niet? Daarbij komen nog jeugd, gebrek aan ondervinding, eerzucht, verbolgenheid en een aangeboren neiging om dat, waartoe men geroepen wordt te volbrengen. Zulke menschen laten zich gemakkelijk verlokken en een wagen die op een hellend vlak in beweging is, heeft geen sterken stoot noodig.
CHARON: Nu, ik zou die wezens gaarne eens een pleziertje doen.
ALASTOR: Welnu, maak dan maar eens een prachtig feestmaal voor hen gereed. Ge kunt hen geen grooter plezier doen.
CHARON: Een diner van malven, boonen en prei? Want iets anders oogsten wij bij ons in de onderwereld niet, zooals ge weet.
ALASTOR: Neen waarachtig niet: van patrijzen, kapoenen en fazanten, ten minste wanneer ge een gastheer wilt zijn wien men dankbaar is.
CHARON: Maar wat drijft hen toch aan om den oorlog zoo door te drijven of wat nut oogsten ze daarvan?
ALASTOR: Omdat ze meer voordeel hebben van de dooden dan van de levenden. Dan komen de testamenten, begrafenismaaltijden, allerlei vrijdom en vele andere, niet te versmaden zoete winstjes. Kortom: ze willen liever in een legerkamp verkeeren dan in hunne kloostercellen. Een oorlog maakt velen tot bisschoppen, die in vredestijd geen cent waard waren.
CHARON: Verstandige menschen!
ALASTOR: Maar waarvoor heb je een schip noodig?
CHARON: 0, noodig hebben zou ik 't niet, als ik graag eens wéér midden in de rivier schipbreuk wilde lijden.
ALASTOR: Door de menigte van dooden?
CHARON: Wel natuurlijk.
ALASTOR: Maar je vaart toch maar alleen schimmen over, geen lichamen. En wat hebben die schimmen een onbeteekenend gewicht!
CHARON: Laten ze zoo licht zijn als mugjes; de menigte muggen kan zóó groot zijn dat ze mijn boot zwaar maken. En, dan moet ge ook niet vergeten: mijn boot is ook maar de schim van een boot.
ALASTOR: Toch herinner ik me wel eens gezien te hebben dat, toen er eens een groote troep schimmen was om overgebracht te worden en uw boot ze niet allen kon bevatten, er dikwijls aan uw roer een drieduizend schimmen hingen terwijl gij er geen gewicht van bespeurdet.
CHARON: Ik geef toe dat er zulke schimmen zijn die langzamerhand uit het lichaam weken ten gevolge van tering of aanhoudende koorts. Maar de schimmen die plotseling uit een goed doorvoed, welgedaan lichaam worden losgerukt, die dragen nog veel van de lichaamszwaarte met zich mee. En beroerte, keelziekte en pest zenden mij zulke dingen toe, maar voornamelijk de oorlog.
ALASTOR: Ik geloof niet dat Franschen of Spanjaarden veel gewicht meebrengen.
CHARON: Veel minder dan de overigen maar met dat al zijn hunne schimmen toch ook niet altijd zoo licht als een veertje. Maar van de Engelschen, van de goed doorvoede Duitschers komen er nog al dikwijls die zoo zwaar zijn, dat ik nog onlangs, toen ik er tien welgeteld overbracht, gevaar liep schipbreuk te lijden en als ik er niet wat van overboord geworpen had, zou ik, met boot en matrozen en veergeld en al, omgekomen zijn.
ALASTOR: Geen gering verschil tusschen de ééne schim en de andere.
CHARON: En wat denk je wel dat er gebeurt wanneer dikke gouverneurs, fanfarons en ijzervreters aankomen?
ALASTOR: Wel, als er één van dezen in een echten oorlog sneuvelt, dan komt er geen een bij u. Want naar men zegt vliegen dezen regelrecht ten hemel.
CHARON: Waar ze heen vliegen weet ik niet, maar dit alleen weet ik wèl dat, zoo dikwijls er oorlog is, er zóóveel gewonden en verminkten tot mij komen dat ik me verwonder, hoe er in de bovenwereld nog één enkele over kan zijn. En niet alleen komen ze tot mij met haarpijn en met vette hangbuiken, maar ook met bullen, met priesterambten en allerlei andere zaken.
ALASTOR: Maar dat alles brengen ze toch niet mee bij u; ze komen toch naakt hierheen?
CHARON: Daar heb je gelijk in. Maar die zoo pas aankomen, brengen toch de droombeelden van al dergelijke dingen mee.
ALASTOR: En maken die droombeelden hen dan nog zoo zwaar?
CHARON: Ze verzwaren mijn boot. Wat zeg ik: verzwaren? Ze doen haar haast zinken. En dan, denkt ge dat zooveel muntstukken[3] geen gewicht hebben?
ALASTOR: Nou, dat zou ik denken, als ze kopergeld meebrengen.­
CHARON: Daarom ben ik dan ook van plan rond te zien naar een boot die sterk genoeg is voor zulke vrachtjes.
ALASTOR: Jij geluksvogel!
CHARON: Hoe dan?
ALASTOR: Wel, omdat je eerstdaags schatrijk zult worden.
CHARON: Wegens de menigte van schimmen?
ALASTOR: Ja!
CHARON: Dàt zou het geval zijn als ze hun bezittingen meebrachten. Maar nu brengen zij die in mijn boot zitten te jammeren, dat ze in de bovenwereld hun vorstendommen, hun landvoogdijen, hun abdijen, hun schatten aan geld hebben moeten achterlaten, niets mee dan hun muntstukje voor 't veergeld. En zoo moet 't geen ik gedurende drieduizend jaren bijeengegaard heb, door mij worden uitgegeven voor een schuit.
ALASTOR: Je moet een spierinkje uitwerpen om een kabeljauw te vangen.­
CHARON: De menschen drijven tegenwoordig vrij wat voorspoediger handel, daar zij, wanneer Mercurius hen wat begunstigt, binnen drie jaren rijk worden.
ALASTOR: Ja, maar ze gaan ook vaak failliet. Uw winst is kleiner, maar ook zekerder.
CHARON: Ik weet niet waarom ge zoo zegt: zekerder. Als er nu eens een godheid opstond om de zaak tusschen de vorsten bij te leggen, dan was mijn heele buitenkansje naar de maan.
ALASTOR: Nu, ik geloof dat je, wat dit betreft, heel gerust op beide ooren kunt slapen. In tien jaren tijds behoeft men niet voor een vrede bang te wezen. Alleen de paus zet ijverig tot vrede aan; maar... 't is boter aan de galg gesmeerd. De burgers in de landen klagen steen en been over al de rampen; sommige menschen fluisteren wel zachtjes tegen elkaar, terwijl ze beweren dat 't onbillijk is hoe wegens persoonlijken wrok of eerzucht van twee of drie menschen alles op de wereld 't onderst boven wordt gekeerd: maar, geloof me, de rechtvaardige plannen van de Schrikgodinnen zullen 't winnen. Maar waarom vondt ge het noodig om ter wille van een nieuw schip naar de bovenwereld te gaan? Zijn er dan bij ons in de onderwereld geen handwerklieden? We hebben toch Vulcanus.
CHARON: Heel mooi, wanneer ik een metalen schip noodig had.
ALASTOR: Voor een kleinigheid zou men er een timmerman kunnen ontbieden.
CHARON: Jawel, maar 't ontbreekt ons aan timmerhout.
ALASTOR: Wat zeg je? Zijn in de onderwereld dan geen bosschen meer?
CHARON: Zelfs de lieflijke bosschen uit de Elyseesche velden zijn opgebruikt.
ALASTOR: Waarvoor?
CHARON: Voor het verbranden van de schimmen van ketters. Zelfs zóó, dat we onlangs gedwongen zijn uit 's aardrijks ingewand kolen op te graven.
ALASTOR: Wat? Kunnen die schimmen niet op min kostbare wijze worden gestraft?
CHARON: 't Is Rhadamanthus[4] die aldus besloot.
ALASTOR: En als je nu een boot gekocht hebt, hoe kom je dan aan de riemen?
CHARON: Mijn taak is 't het roer te hanteeren: de schimmen moeten roeien als ze den Styx over willen.
ALASTOR: Maar er zijn er toch ook die niet geleerd hebben te roeien.
CHARON: Bij mij bestaat voor niemand een uitzondering. Roeien moeten alleenheerschers, roeien moeten ook kardinalen op hun beurt, of ze 't geleerd hebben al dan niet.
ALASTOR: Nu ik hoop dat ge onder bescherming van Mercurius een goeden koop van een boot moogt sluiten. Ik zal je niet langer ophouden. Aan de onderwereld ga ik een blijde boodschap brengen. Maar Charon, hoor nog eens even!
CHARON: Nu wat is er?
ALASTOR: Maak dat je wat gauw terug komt, opdat je niet door de menigte van schimmen overstelpt wordt.
CHARON: Ja, je zult er al meer dan tweehonderdduizend op den oever van de rivier aantreffen, behalve die, welke al in 't water rond zwemmen. Maar 'k zal me haasten zooveel ik kan. Zeg hun intusschen dat ik er spoedig zal wezen.

Uit: Samenspraken - Erasmus

[1] Erasmus schreef dit ongeveer in den tijd toen keizer Karel V met Hendrik VIII, koning van Engeland, oorlog voerde tegen Frans I, koning van Frankrijk.
[2] Hiermee duidt Erasmus zich zelven aan, zooals hij dat op meer plaatsen in zijn geschriften doet.
[3] Als veergeld werd den dooden een koperstukje in den mond gegeven.
[4] Uit de verbintenis van Zeus en Europa werden drie zonen geboren: Minos, Sarpedon en Rhadamanthus.

 
 

06.   Wie zijn wij? - Joanne Klink

 
 
 

 

'De ziel heeft een klein gedeelte van zichzelf in een fysiek lichaam laten intreden, om ervaringen op te doen die alleen in dit aardse gebied te beleven zijn. Al zou ze duizend lichamen aannemen, dan nog zouden die niet kunnen uitdrukken wat de ziel werkelijk is. ' C. Leadbeater

'Het lichaam is de vaste omraming waarin de ziel gedu­rende het aardse leven is ingelijst.' 'In zijn lichamelijke bestaan is de mens een individu, in zijn psychische zijn een ziel en pas in zijn geestelijke zijn een persoon.’ R. Ernst

'Want in een kerk, waarin het mensbeeld eruit bestaat dat wij "zo verdorven zijn dat we ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad" en dat gelardeerd is met zonde en schuld, kun je niet verwachten dat je opgroeit met een positief mensbeeld. Een zelfbeeld waarin ruimte is voor een ontwikkeling naar een evenwichtig, gelukkig, zelfstandig denkend mensenkind, dat eigen be­slissingen durft te nemen.’ E.B.

'De mens vertoont een structuurovereenkomst met God niet alleen in het geloof, maar ook in zijn bestaan. God in ons, tot in het diepst van ons bestaan, tot in heel onze werkelijkheid, tot in het diepst van onze ziel en tot in de lichamelijkheid van ons bestaan.’ A. van de Beek

'Heb uw naaste lief als uzelf’, maar het 'als uzelf’ hebben we moeten verdringen, dat zou ik-zuchtig zijn, egocentrisch, onchristelijk. Naastenliefde, bezig zijn met de samenleving, jawel, maar hoeveel mensen lopen het vuur uit hun actieve sloffen, maar vergeten zichzelf! Dát is onchristelijk! En we weten daar allemaal van mee te praten. Bezig zijn voor anderen en geen tijd hebben voor jezelf.

De eerste helft van het grote gebod luidt dat we God moeten liefhebben met ons-eigen-hart, ons hele hart, psyché en verstand. Dus het komt wel erg op onszelf aan. Maar hoe kunnen we dat realiseren als we voortdurend worden gericht op de buitenwereld, de verre landen, andere mensen, in de verre oudheid in de tijd van Jozua of koning David of aan de andere kant van de evenaar? We hadden Jezus maar half begrepen.

Scheiding van lichaam en ziel

Een eeuwenoud mensbeeld, alsof we uit twee afdelingen zouden bestaan. Al zijn er in deze eeuw veranderingen gekomen in dit opzicht, toch blijft het een rol spelen, vooral in de medische studie en praktijk.

De internist en de psychiater werken ieder op eigen terrein aan de ene mens. En de oorzaak van ziekte wordt vooral gezocht in het lichaam. Hoe ver gaat het interne van de 'interne geneeskunde'? Niet verder dan de werking van de klieren? Maar is er wel een grens tussen het interne van het lichaam en de gedachten en emoties van de patiënten? Schoorvoetend begonnen medici de maagzweer te zien als symptoom van een psychisch probleem, maar de werkelijke consequentie van 'de eenheid van lichaam en ziel' wordt nog steeds niet gezien. Dat zou immers de hele medische studie en praktijk revolutioneren. En misschien dure apparatuur overbodig maken. Zelfs ziekenhuizen? Vanuit de theologie wordt sterk de nadruk gelegd op 'de eenheid van lichaam en ziel', dat zou Bijbels zijn. Maar dat zou dan toch een volkomen andere benadering van ziekte betekenen; daar hoor je dan niet over spreken.

Lichaam, ziel en geest

Maar is de mens niet méér dan zijn lijf en psyché, niet alleen bepaald door zijn hersenen en zenuwstelsel? Is de ziel niet méér dan de psyché met alle gevoelens, begeerten en herinneringen? Ook meer dan bewustzijn en het onbewuste.

Waar zetelt de eigenlijke menselijke persoonlijkheid die uniek is, anders dan alle anderen, het meest interne, de kern, de werkelijke ziel, door God geschapen? In dat gebied van bewuste gedachten of onbewuste gevoelens of zit het dieper, reikt het verder?

Er zijn toch momenten in het leven dat een mens kan uitstijgen boven heel dat woelige geheel van gedachten en gevoelens en dan pas beleeft tot zichzelf te komen. Momenten van diepe innerlijke rust en inzicht, heel anders dan het gewone 'weten'. Of liefde ervarend, heel anders dan in gevoelens of emoties. Men zegt dan dat dit tot jezelf komen tegelijkertijd een tot God komen was.

Er blijkt nog iets anders te zijn dan ons lijf en onze psyché: onze geest, soms ook 'het hogere zelf genoemd. Je zou dan een driedeling moeten maken: lichaam, ziel en geest of 'sooma, psyché en pneuma.'

De veelvoudige mens

Wie zijn wij toch? We verkijken ons op elkaar, zoals we ons verkijken op een pasgeborene. We zijn blijkbaar méér dan we lijken, méér dan we denken. Wat we zien van onszelf en van anderen is dan toch maar een dun schilletje van ons werkelijke wezen. Toch maar een bedrieglijke manifestatie, hoezeer ook ons lichaam uitdrukt wat we zijn, denken en voelen. Vooral omdat wij niet duidelijk onze verbondenheid met God uitstralen en zijn licht door ons verduisterd wordt. Volgens de kerkvader Origenes zouden we als oorspronkelijke intelligenties, lichtwezens, vanuit onze oorsprong zijn afgedaald naar sferen van steeds lagere trilling of bewustzijn, tot in die van de materie. Langzaam maar zeker 'afgekoeld' (apo­psychein = afkoelen) en steeds meer 'coatings', schillen, omhulsels, hebben gekregen.

Zo horen we uit oude wijsheid dat de mens een zeventallig wezen zou zijn en bestaat uit zich wederzijds doordringende energievelden. Uit zeven 'lichamen' zouden we bestaan: het fysieke, het etherlichaam - een kopie van het fysieke lichaam -, het astrale begeerte- of emotionele lichaam, het mentale, het intuïtieve, het spirituele en het causale of kosmische lichaam. Dat zijn dan onze 'schillen', onze ommantelingen die we, al 'afkoelend' om hebben gekregen. En die zullen we weer één voor één af mogen leggen naarmate we door de verschillende sferen dichter en dichter bij het Oerlicht komen. Zoals dat jongetje van vier jaar, Joël, zei: 'Dat licht kunnen we nu nog niet verdragen.' Zouden die omhulsels ons dan ook beschermen?

Meer dan emotie en verstand

 

Het verhaal van de zondeval en het afdalen van de afkoelende lichtwezens lijkt een tragedie, een Luciferisch drama. Zijn al onze 'schillen', onze omhulsels een gevolg daarvan? Teweeg gebracht door een zich afscheiden van onze Schepper en een zich afkapselen van het oerlicht. Een ego dat zijn eigen weg wil gaan, zich in harnassen hult, apart wil zijn en als gevolg van die eigenwijsheid langzaam maar zeker afdaalt in steeds lagere gebieden waar het steeds schemeriger of duisterder wordt?

Een spiritueel therapeute Chris Griscom wil ik hier citeren: ‘Angst ontstaat eigenlijk door de scheiding van ons ego-zelf van onze Godskern. Angst is voor ons gevaarlijker dan woede, omdat angst wegvloeien van energie betekent. Het is het onvermogen om onszelf, ons centrum te vinden. Het is een leugen, een illusie omdat het, zoals het donker van de nacht, geen eigen bestaan heeft. Het ego is dat, wat ons in de derde dimensie vasthoudt, maar het is slechts de schijf van een hologram; het beperkt ons. Psychologie draait steeds om het ik, het ego in de wereld. Het mentale 'lichaam' orkestreert het fysieke lichaam, maar het is ook het controleapparaat, de buffer van zelfrechtvaar­diging en oordelen van anderen. Controle leidt uiteindelijk tot afkapselen van levenskracht.

Maar als we ons afstemmen op meer geestelijke gebieden, verhoogt het emotionele 'lichaam' zijn frequentie zodat de slakken van angst, woede en zelfrechtvaardiging als in een centrifuge worden weggeslingerd. In de lagere energiecentra beleven we onszelf als gescheiden individuen. We zijn dan in de wereld van de dualiteit en de polariteit. '

Ook het paradijsverhaal in de bijbel vertelt van een wegraken uit de gemeenschap met de Schepper. Er is iets mis gegaan. Mensen kwamen in de dualiteit van goed en kwaad. Het leven werd hard en moeilijk. En zo begon de geschiedenis op de wereld. De geschiedenis van het wezen dat 'naar Gods beeld en gelijkenis' geschapen was.

Een tragedie of een evangelie?

Zoals we nu in de wereld zijn, is het verhaal over dat afdalen en losraken het verhaal van een tragedie. Het is mis gegaan. En de toestand in onze wereld is het duidelijke bewijs daarvan. Nu is het zeer wel mogelijk dat er een uiteindelijk verhaal is dat wij nog niet kennen en ook niet zouden kunnen begrijpen. Het verhaal van God zélf: dat dit losraken uit de eenheid met Hem en dit afdalen naar steeds lagere vibratie, tot in de materie, uiteindelijk toch een goed verhaal is, geen tragedie, geen negatieve 'val'. Dat Hij de mens heeft uitgestuurd als pionier om steeds dieper af te dalen en steeds dieper transformator te worden voor zijn goddelijk Licht. Om Gods liefde te laten incarneren in steeds diepere gebieden. En dat die 'schillen', die 'mantels' bedoeld zijn als bescherming, zoals duikers in de diepe zee duikerpakken aandoen. Maar dat ze nooit het contact zullen verliezen met Degene die hen uitzond de diepte in, al raken we zo gefascineerd door wat we daar beneden aantreffen of worden we bang voor de diepte en vergeten dan te luisteren naar onze Opdrachtgever. We zijn nog niet helemaal tot op de bodem gekomen, leven hier nog voornamelijk met de drie laagste bewustzijnsniveaus.

Mary Anderson schreef in haar boekje over de aura: 'Elk van de zeven stralingen vertegenwoordigt één van de grote evolutionaire perioden waar de mensheid doorheen moet gaan. De mensheid is nu in het midden, de periode van de groene straling. Dat is het stadium van het opengaan van de hartchakra die het centrum van de liefde is.' De hartchakra wordt ook wel in verband gebracht met de Christusstraling. We zijn op de aarde aangekomen bij een nieuw stadium, om angst en agressie te overwinnen en pogend de liefde weer te herinneren die de Christus ons te binnen heeft gebracht. Dat zal onze wereld veranderen en we zien daar al tekenen van. Het lijkt een nieuwe geboorte, een overgang naar 'het intuïtieve', 'spirituele' en 'kosmische' bewustzijnsniveau. Bij de vierde chakra komen we immers over de helft van die zeven levensgebieden. Dichter bij zoals we bedoeld zijn, dichter bij onze kern.

Men zegt wel dat een mens, zonder dat hij of zij dat weet, tegelijkertijd leeft op alle zeven niveaus, tot in de zevende hemel en dat we maar ten dele hier op aarde geïncarneerd zijn. Niet onze hele persoonlijkheid.

Het is dan ook niet het hele verhaal van een mens als hij geestelijk gehandicapt is, een geleerde of een moordenaar. We moeten daarom nóch onszelf, nóch de anderen daarop aankijken. Het is maar een fragment, een 'schil'. We zijn ons eigenlijke wezen tijdelijk vergeten. Het gaat erom, ook hier, in de donkere en weerbarstige sfeer der zware materie, te worden wat we zijn, beeld en gelijkenis van God. Een lichtwezen, een Christusdrager.

Uit: Het Onbekende Venster – Nieuwe Ervaringen met Leven en Sterven.

 
 
07. THOMAS A KEMPIS (1379-1471) - OVER DE INNERLIJKE VREDE

 
 
 
 

 

Bewaar allereerst den vrede in eigen binnenste, dan zult gij ook anderen tot vrede kunnen brengen. Een vredelievend mensch is van meer nuttigheid, dan een groot geleerde.

Een hartstochtelijk mensch verkeert zelfs goed in kwaad, ook neemt hij gretig het kwade aan.

De goede en vreedzame mensch keert alle dingen ten beste.
Wie met zich zelven in vrede verkeert, voedt tegen niemand eenige achterdocht.

Maar wie kwalijk tevreden en prikkelbaar is, wordt door allerlei argwaan gekweld.

Zelf rust hij niet, en hij laat anderen geen rust.

 Het beteekent niet veel, zoo gij kunt omgaan met goede en zachte menschen, dat vinden wij allen van nature aangenaam; ieder wil wel gaarne vrede houden, en mag het liefst hen lijden, die van zijn eigen gevoelen zijn.

Maar in vrede te kunnen leven met harde en verkeerde, met ongezeglijke en ons dwarsbomende menschen, dat is een groote genade en een zeer loffelijk en manlijk werk.

Er zijn er, die vrede bezitten in zich zelven, en die ook met anderen in vrede leven.

Er zijn er, die zelf geen vrede hebben, en ook anderen niet in hun vrede kunnen laten.

Voor anderen zijn zij lastig, maar voor zich zelf zijn zij altoos nog lastiger.

En dan zijn er, die den eigen vrede bewaren, en ook anderen weer tot vrede zoeken te brengen.

Doch al onze vrede in dit ellendig leven moet meer gezocht worden in nederig dulden, dan in een ongevoelig verduren van wat zich tegen ons stelt.

Wie het best weet te lijden, zal ook den rijksten vrede hebben.

Wie alle dingen schat naar hun werkelijke waarde, en niet naar het getuigenis of den maatstaf der  menschen, hij is de ware wijze, en meer van God dan van menschen onderwezen.

Wie het waarlijk verstaat innerlijk te leven, en weinig gewicht vermag te leggen op de dingen van buiten, is niet aangewezen op bijzondere plaatsen of tijden voor het houden van zijne geestelijke oefeningen.

Een innerlijk levend mensch keert spoedig bij zichzelven in, omdat hij zich nooit geheel verliest in het uitwendige. De uitwendige arbeid hindert hem niet, noch ook eenige bezigheid, die voor het oogenblik noodzakelijk is, maar hij weet zich in alles te schikken, zooals het gaan of komen mag.

Wie innerlijk goed gesteld en gestemd is, bekommert zich niet over de zonderlinge of verkeerde gedragingen der menschen.
Slechts in zoverre is er voor een mensch beletsel en afleiding, als hij de dingen van deze wereld zich aantrekt.

Zoo het goed met u stond en zoo gij recht gelouterd waart, zouden alle dingen medewerken ten goede en uw toenemen bevorderen.

Daarom verdriet u zoo veel en brengt het u menigmaal in verwarring, omdat gij nog niet volkomen aan u zelven gestorven, en van alle aardsche dingen waarlijk vrij geworden  zijt.

Niets bevlekt en omstrikt het mensenhart zoozeer, als een onzuivere liefde tot het schepsel.

Zoo gij den troost der buitenwereld afwijst, zult gij in de beschouwing der hemelsche dingen kunnen leven, gij zult dan gedurig inwendig kunnen juichen.

 Als gij u geheel en al richt op uzelf en op God, dan laat het u koud, wat gij buiten u ziet gebeuren. Want waar blijft gij, als gij niet zijt bij u zelf en bij wat gij doet? En al zoudt gij alles doorloopen hebben en doorzocht, wat zou het u baten, indien gij daardoor uzelf ver­waarloost?

Kortom, gij moet alle dingen achter u laten en uzelf alleen voor oogen houden, indien gij wilt leven in vrede en in ware eenheid met God. Gij zult zeer vooruitkomen, indien gij u vrijhoudt van alle aardsche zorgen, maar tekort zult gij schieten in alles, indien gij u inlaat met tijdelijke dingen.

Slechte menschen kennen niet de waarachtige blijdschap, en voelen geen vrede in zich: want de godde1oozen hebben geen rust, zegt de Heer. En al zeggen zij: "Wij zijn heelemaal veilig, en geen kwaad kan ons wedervaren: wie zou ons schade kunnen berokkenen?" geloof hen daarom toch niet: want Gods toorn kan plotseling opstaan, en hun daden kunnen teniet gedaan worden, en hun werken zullen vergaan.

Voor een liefhebbend mensch is het niet moeilijk om opgetogen te zijn in de verdrukking: want als men zich zóó verheugt, verheugt men zich in het kruis van Christus.

Kort van duur zijn slechts de roem en de eer, die van menschen tot menschen gaat.

's Werelds roem gaat altijd vergezeld van droefenis.

Keer u naar boven of naar beneden, naar buiten of naar binnen, op al die plaatsen zult gij het kruis vinden, en noodig is het, dat gij overal geduldig blijft, indien gij inwendige vrede wilt vinden.

Weinig moet het heeten wat gij leed, in vergelijking van hen, die zoo hevig zijn aangevochten, zoo zwaar gekweld, en zoo veelvuldig op de proef gesteld.

Op die manier moet gij u de zwaarste wederwaardig­heden van anderen voor den geest halen, om gemakkelijker te kunnen dragen uw eigen leed, dat licht moet heeten. En al schijnt het u niet licht, bedenk dan, of dit niet een gevolg is van uw ongeduld. Maar of het groot of klein is, doe uw best om alles geduldig te doorstaan. ­Hoe meer gij u zelf geschikt maakt om te lijden, des te wijzer handelt gij en des te verdienstelijker maakt gij u bij God: gij kunt het ook lichter dragen, indien gij er u toe bereidt houdt met volijverige ziel. Gij moet ook niet zeggen: Ik ben niet in staat om dit te verdragen van zulk een mensch, noch kan ik dusdanige dingen verdragen: want hij heeft mij een groot nadeel berokkend, en hij verwijt mij iets, waar ik nooit aan heb gedacht: maar van een ander zou ik die dingen gaarne willen verdragen, en zou ik het beschouwen als iets wat gedragen worden moet. Dwaas is zoo' n gedachte, omdat zij de deugd van het geduld niet betracht, noch let op Hem, door  Wien onze verdraagzaamheid met een kroon zal beloond worden, maar alleen let op de mensch en het onrecht dat zij ons aandoen. ­Hij is niet waarlijk geduldig, die niet wil lijden, behalve wanneer het hem goeddunkt, en wanneer de mensch, die 't hem aandoet, hem bevalt.

Wie inderdaad geduldig is, slaat er geen acht op, of hij in het lijden als geoefend wordt, hetzij door zijn meerdere, hetzij door zijn gelijke ofwel door iemand die onder hem staat.

Maar onverschillig hoeveel en hoe dikwijls hem iets onaangenaams overkomt en ook wie het hem berokkent, neemt hij het alles dankbaar uit Gods handen aan, en rekent het zich tot een buitengewone winst zelfs, want geen lijden zal God onvergolden laten, hoe klein het ook zij, als het maar geleden wordt om den wille van God. ­

Wees dus vaardig tot den strijd, indien gij de overwinning wilt behalen.

Zonder strijd kunt gij niet komen tot de kroon der lijdzaamheid. Wilt gij niet lijden, dan weigert gij ook om gekroond te worden, maar indien gij wenst gekroond te worden, strijdt dan mannelijk, en doorsta geduldig.

Zonder arbeid krijgt men geen rust, en zonder strijd geen overwinning.

Maar wie dè wereld volkomen verachten, en zich beijveren om, in heilige tucht, voor God alleen te leven, die kennen wel de goddelijke zoetheid, zooals die beloofd is aan wie het wereldse versmaden, en duidelijk zien zij ook hoe vreselijk de wereld dwaalt en bedrogen wordt op allerhande wijs.

 Dit is wel het werk van den volmaakten mensch: nooit af te laten van het trachten naar de hemelsche dingen, en door de vele zorgen van het leven als zonder zorg heen te gaan, niet uit geestelijke traagheid, maar krachtens het voorrecht van een vrijen geest, die niet meer hangt aan eenig schepsel met een buitensporige liefde.

 Wanneer gij nu eens dit en dan weer iets anders zoekt, en nu hier, dan daar wilt zijn om eigen voordeel of goeddunken na te jagen, zult gij nooit tot rust komen, nooit vrij zijn van velerlei bezorgdheid, want iedere zaak heeft haar gebrek, en aan iedere plaats zal er wel iemand zijn, die u tegenwerkt.

Niet alles dus, wat gij uitwendig verkrijgt of ook vermeerdert, zal u kunnen baten, maar veeleer datgene, wat gij versmaadt, en met wortel en tak uit uw hart uitroeit.

En dit geldt niet enkel van vermogen en rijkdommen, maar ook van ijdele eer en roemzucht, al welke dingen met de wereld voorbijgaan.

De uitwendige plaats, welke wij innemen, geeft weinig veiligheid, als de ware innerlijke ijver ontbreken zou.

Ook zal alle vrede, die van buiten gezocht wordt, niet lang stand houden, zoo het hart, in zijn inwendige gesteldheid, het ware fundament. Dat wil zeggen, zoolang gij niet in Mij gefundeerd zijt, brengt gij bij en in u zelven wel verandering, geen verbetering aan.

Want doet een gelegenheid zich voor en grijpt gij haar aan, dan zult gij terugvinden wat gij ontvloden zijt, ja nog erger.

Dit is groote wijsheid: niet bewogen te worden door elken wind van woorden, en niet te luisteren naar het zondig, vleiend sirenenlied. Zoo wandelt men veilig voort op den ingeslagen weg.

Wat u kwelt, is slechts een beproeving, en wat u verschrikt, is een ijdele vrees.

Wat geeft het u, of ge u bezorgd maakt over de  toekomst?

Immers niets anders, als dat gij droefheid stapelt op droefheid?

Iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.

Maar ijdel is het en dwaas, zich te ontstellen of blij te maken over wat nog komen moet, en dus over wat misschien nooit zal gebeuren.

Maar menschelijk is het, zich door zulke spoken van verbeelding te laten aanvechten en bedriegen, en een teeken, dat men een kleinen geest heeft, wanneer men zich zoo licht laat meetrekken door de inblazing van den vijand.

Want voor deze, den Duivel, is het enerlei, of hij met waarheid of onwaarheid bedriegt, en verleidt, en of hij iemand klein krijgt door de liefde van het tegenwoordige, of door de vrees voor wat komen kan.

Laat daarom uw hart niet onrustig worden, noch vreezen.

Geloof in Mij, en heb vertrouwen in Mijn barmhartigheid.

Ik ben dikwijls het meest in uw nabijheid, als gij denkt dat ik het verste van u weg ben.

En als gij denkt, dat alles is verloren, dan is soms het oogenblik aangebroken, dat gij het meeste winst en voordeel van uw verdienste kunt behalen.

Niet alles is verloren, al valt iets heel anders uit dan gij denkt.

Gij moet de dingen niet beoordelen, zooals gij ze op het oogenblik voelt, noch aan een moeilijkheid, waardoor ook veroorzaakt, zoo blijven hangen en erin berusten, als waar' nu alle hoop vervlogen, om haar te boven te komen.

Wie nog niet volkomen vrij geworden is van alle  schepsel, kan niet onbelemmerd zijn oogmerk richten op de goddelijke dingen.

Daarom zijn er zoo weinigen, die een beschouwend leven vermogen te leiden, omdat zoo weinigen het verstaan zich volkomen los te maken van het vergankelijk schepsel. Hiertoe wordt een groote genade vereischt, welke de ziel opheft en boven zich zelve uitvoert.

 Ik weet niet wat het is, en door welken geest wij gedreven worden, en wat wij, die voor geestelijke menschen doorgaan, eigenlijk beogen, dat wij zoo groote moeite en nog grooter zorgvuldig­heid te koste leggen aan voorbijgaande en geringe dingen, en ternauwernood nu en dan, met volkomen inkering in ons zelven, willen stilstaan bij onze innerlijke belangen.

Helaas! na een kort oogenblik van inkering stormen  wij wederom naar buiten, en wij wegen onze werken niet op de schaal van een gestreng onderzoek.

 Men vraagt wel hoeveel iemand gedaan heeft, maar uit welke deugdelijke gezindheid hij handelt, wordt niet zoo zorgvuldig overwogen.

Men vraagt of iemand dapper, rijk, schoon, bekwaam is, of hij een goed schrijver is, een goed zanger, een goed arbeider, maar hoe arm van geest hij is, hoe geduldig en zachtmoedig, hoe vroom en geestelijk, daarvan zwijgen de meesten.

De natuur rekent met het uitwendige van den mensch, maar de genade wendt zich tot het inwendige.

In banden liggen allen die zoo menigmaal van allerlei verzinnen en ontwerpen, dat toch geen bestand zal hebben.

Alles zal vergaan, wat zijn oorsprong niet uit God heeft.

Vertrouw niet op uwe stemming van het oogenblik, zoo spoedig kan zij overgaan in iets anders.

Zoolang gij leeft, zijt gij, ook tegen uw wil, der veranderlijkheid onderworpen, Zodat gij nu eens blijde en dan weer droevig zult zijn, nu kalm, en dan onrustig, nu godvruchtig, en dan onverschillig, nu vol ijver en dan lusteloos, nu ernstig en dan luchthartig. ­

Vast boven al deze schommelingen staat de wijze, die ervaring heeft van geestelijk leven: hij gaat niet nauwlettend na, hoe hij zich inwendig gestemd voelt, of uit welken hoek de wind der onbestendigheid waait, maar alleen, of zijn gansche innerlijk voornemen zich blijft bewegen, in de richting van het bestemde en gewenste doel. Zoo toch kan hij altoos een en dezelfde, en onbewogen blijven, wanneer maar, onder zooveel lotswisselingen, het eenvoudige oog van zijne bedoeling onafgebroken op Mij gericht is.

 Meent gij, dat gij, zooals gij 't graag wilt, altijd geestelijke vertroostingen zult krijgen?

Zelfs mijne Heiligen hebben die niet altijd gehad, maar integendeel veel moeiten en beproevingen, zoodat zij zich verlaten voelden.

Maar geduldig hebben zij alles uitgehouden, zij hebben meer op God vertrouwd dan op zichzelf; want zij wisten wel, dat het lijden dezer wereld niet onwaard is, om zich de glorie in het toekomstige te verdienen. Wilt gij dan krijgen, zonder slag of stoot, wat tal van menschen zich nauwelijks konden ver­werven door veel tranen en zwaren arbeid?

Hoe is 't met u, dat gij iets vreest van een sterflijk mensch?

Vandaag is hij er, en morgen komt hij niet meer te voorschijn.

Vrees God, dan zult gij niet meer letten op datgene waar de menschen u mee verschrikken willen.

Wat vermag iemand tegen u met woorden of onbillijke daden?

Zichzelf schaadt hij meer dan u: en het oordeel Gods kan hij niet ontvluchten, wie hij ook zij.

Gij moet u God voor oog en houden, en niet vechten met twistende woorden.

Want al lijkt het u op 't oogenblik, dat gij moet bezwijken met schande en schade, terwijl gij 't niet verdiend hebt: verontwaardig u daar niet over, en verminder niet, door ongeduldig te worden, de kroon, die u wacht, maar zie liever tot Mij op in den hemel, daar ik macht heb, om uit alle verwarring en onrecht te redden, en ieder te vergelden naar wat hij gedaan heeft.

Gij moet er ijverig naar streven, om overal, bij elke daad en bezigheid, inwendig vrij te zijn, en meester over uzelf, zoodat gij niet onder de dingen komt te staan, maar wel de dingen onder u, en gij heer en bestuurder wordt van uwe daden, en niet een knecht of een huurling, maar veeleer een vrijgemaakte, doordat gij verkrijgt de bestemming, en de vrijheid, der kinderen Gods, die staande boven het tijdelijke, de eeuwigheid doorvorsen, die met hun linkeroog naar 't vergankelijke kijken, terwijl zij met het rechter het eeuwige aanschouwen, wie het tijdelijke niet zoo aantrekt, dat ze er aan kleven, maar die, integendeel, zelf het tijdelijke tot zich trekken, opdat het hun diene, zooals 't verordend is door God, ingesteld door dien oppersten Werkmeester, die in Zijn schepsel niets ongeordends wil zien.

 Zalig de ooren, die het zachte ruischen van het goddelijk toespreken opvangen, en van het gegons dezer wereld niets merken.

Ja, zalig de ooren, die niet luisteren naar de stem, die daarbuiten klinkt, maar naar de waarheid, die ons inwendig onderwijst. Zalig de oogen, die voor de uitwendige dingen gesloten, maar tot de inwendige aandachtig zijn.

 Uit: De navolging van Christus (De Imitatione Christi) 

 
 
 

08. De Verborgen Oorzaak van Menselijke Conflicten
Uit: Wind van de Geest - G. de Purucker

 

DE VERBORGEN OORZAAK van conflicten, niet alleen tussen mensen maar zelfs in het heelal, ligt in de vele graden van onwetendheid, zelfzucht en het gebrek aan altruïsme - misschien het edelste gevoel dat in het hart van de mens kan opwellen. Alleen door altruïsme, door aan anderen te denken, anderen de voorrang te geven boven onszelf, vergeten we onszelf en door te vergeten raken we de pijn en zorgen kwijt en de kleine vreugden waar we ons zo aan hechten en die we ons 'ik' noemen.

Ziet u niet dat de enige weg naar wijsheid, universele vrede en volkomen geluk hierin ligt dat we het geheel boven het onbeduidende plaatsen, de velen boven uzelf, en we dus leven in het universele leven in plaats van alleen in uw eigen kleine leef- en denk­wereld? Daar ligt het hele geheim en het is juist dat geheim dat de moderne wereld is vergeten. Ze is vergeten dat grootheid, vrede en geluk besloten liggen in zelfvergetelheid; dat ons gebrek aan vrede en ons ongeluk ontstaat doordat we ons vastklampen aan kleine onbeduidende dingen en zorgen; want die zorgen en haatgevoelens knagen aan de vezels van ons innerlijk wezen; dan lijden we, zijn we gekwetst, heffen onze ogen omhoog naar de godheid of naar de goden en roepen uit: 'Waarom overkomt mij dat? Wat heb ik gedaan? Wat hebben wij gedaan?' Toch zou enige kennis van de geestelijke wetten en de natuurwetten ons moeten leren dat alles wat gebeurt in het groot en in het klein - want het kleine ligt in het grote besloten - plaatsvindt overeenkomstig de goddelijke wet en dat ellende en verdriet, tweedracht, narigheid en armoede en de hele reeks onheilen die daarbij behoren, voortkomen uit het feit dat de mens de kosmische wet niet gehoorzaamt. Zo eenvoudig is het.

Het verloren woord in de moderne beschaving is universele broederschap die we als een feit in de natuur uit het oog hebben verloren; en het gaat dan niet om een louter sentimentele of politieke broederschap; het betekent dat wij allen één gemeenschappelijke kosmische of geestelijke oorsprong hebben en dat wat de een treft, iedereen treft en dat daarom de belangen van de enkeling onbetekenend zijn vergeleken met de belangen van de massa. Maar vergeet niet dat de massa uit eenheden bestaat, zodat men zelfs tegenover een enkeling niet onrechtvaardig of wreed kan zijn zonder het geheel te schaden. Dit zijn eenvoudige wetten die sinds onheuglijke tijden in het bewustzijn van de mensheid zijn gehamerd, in een tijd die zover aan de onze voorafgaat dat er nog zelfs geen sprake was van wat wij nu de eeuwige bergen noemen, want die sluimerden nog in het slib van de archeozoïsche tijd.

Dat verloren woord, deze vergeten waarheid, het uit het oog verliezen van menselijke broederschap, kan nog op een andere manier worden weergegeven: het verloren gaan van de overtuiging dat de natuur in diepste wezen geestelijk is en daarom door wetten wordt geregeerd en dus vergoeding voor verdienstelijk en vergelding voor afkeurenswaardig gedrag kent; en dat deze twee, compensatie en vergelding, even onfeilbaar werken als die kosmische wet zelf, want zij zijn daarvan slechts de uitdrukking. Als een mens deze wonderlijke en toch zo eenvoudige gedachten tot zijn bewustzijn laat doordringen, zodat ze een deel gaan vormen van het weefsel van zijn wezen en van zijn gevoel, zal hij een ander nooit meer opzettelijk willen kwetsen. Hij kan dat niet. Zijn aard is niet langer zo. Hij heeft zich uit het slijk omhooggewerkt en heeft het gouden zonlicht gezien. Hij begrijpt dat alles fundamenteel één is, dat alle wezens één zijn en dat een deel even belangrijk is als het geheel en het geheel even belangrijk als het deel; dat als deel van het geheel de eenheid oneindig veel belangrijker is dan de eenheid op zich. Als de eenheden zelf zo denken, houdt de heersende kosmische harmonie tot in de oneindigheid stand.

Wat we zijn kwijtgeraakt is de overtuiging dat we compensatie of vergelding krijgen voor onze gedachten en gevoelens: dat we onvermijdelijk het goede ontvangen als we het goede zaaien en juist handelen, denken en voelen, zaden van gerechtigheid en eer en oprechtheid en fatsoen zaaien in ons gedrag tegenover alle andere mensen - alle anderen, niet alleen 'mijn' vrienden - állen. Want de kosmos is een eenheid en kent geen afdelingen of menselijke afscheidingen. Dat hebben we uit het oog verloren. Hierin falen we. Daar ligt de oorzaak van elk menselijk conflict.

Welnu, deze gedachte roept - als gevolg van het zeer ingewikkelde karakter van de moderne beschaving en om geen andere reden - een verbijsterend aantal lastige vragen op. Maar ieder mens die het hart op de juiste plaats draagt, kan dergelijke vragen oplossen omdat hij wordt verlicht door de god in hem, als hij zijn hart laat spreken. Dan is zijn oordeel praktisch onfeilbaar. En als ik het hart zeg bedoel ik niet de emoties; ik bedoel het menselijk instinct voor oprecht eergevoel, voor innerlijke morele en geestelijke zuiverheid. Het is een feit dat wij westerlingen veel te lang laf zijn geweest en altijd de schuld bij iemand anders hebben willen leggen. Daarom hebben we een puur verzinsel opgebouwd en spreken over Christus Jezus, op wiens schouders al onze zonden rusten; en uiteindelijk worden we schoongewassen in het bloed van het lam, als we erin geloven. Maar hoe staat het met hen die door mijn wandaden hebben geleden? Helpt het hen als ik word gered? Hoe is het gesteld met hen die ik in mijn domme onwetende en slechte verleden misschien een duw omlaag heb gegeven in plaats van hen broederlijk omhoog te helpen? Hoe staat het met hen? Ziet u niet dat die gedachten volkomen tegengesteld zijn aan een kosmische filosofie? Ziet u niet dat dit geheel onjuist is? Dat het niet zo belangrijk is wat de eenling overkomt; belangrijker is wat alle anderen overkomt, de eeuwig zwoegende, hopende, werkende, lijdende menigten. Dat is belangrijk en elke verzwakte eenheid weet en voelt dat.

Die onvermijdelijkheid van vergelding of liefdevolle vergoeding noemen we de leer van de gevolgen, de leer van karma: wat men zaait zal men oogsten, nu of later en daar is geen ontkomen aan. Als het om de gewone dingen in het leven gaat weten we dat heel goed. Daarvoor zijn geen bewijzen nodig. Als iemand zijn hand in een vlam steekt of een onder stroom staande draad raakt, zal het vuur niet nalaten hem te branden omdat hij dom en onwetend is, en de elektrische stroom zal er niet van afzien hem misschien te doden omdat hij de wetten van de elektriciteit niet kent.

Gelukkig zit er een andere, mooie kant aan. Onze beste leermeester, de grootste vriend die we hebben, is ons verdriet. Wat maakt het hart van een mens week, zodat hij het lijden van anderen begrijpt en met hen meevoelt? Sympathie, medeleven. We groeien wanneer we zelf lijden. Niets maakt het hart zo week als het eigen leed. Een vreemde en mooie paradox, want het maakt tevens ons karakter sterk. Het geeft ons meer kracht. Iemand die nooit heeft geleden heeft geen gevoel en is eigenlijk een heel 'in­gewikkeld' mens - hij is 'in zichzelf gekeerd'.

Wie is groot? Hij die nooit heeft geleden of hij die door lijden kracht heeft gekregen, innerlijke kracht, visie, die weet wat lijden is en omdat hij zich dat herinnert, anderen nooit zal doen lijden? In hem is het hart begonnen te ontwaken. Het bewustzijn staat weer open voor deze eenvoudige kosmische waarheden.

U ziet dus hoe wonderlijk het heelal in elkaar zit zodat, al zijn we dom en onwetend en missen we misschien de edelste gevoelens die voor mensen mogelijk zijn, altruïsme, liefde en medeleven, we toch juist door ons lijden, onze domheden en onwetendheid de betere weg leren kennen en in dit proces met iedere stap groeien en groter worden. Op deze langzame, heilzame en pijnlijke evolutiereis komen we na lange tijd op een punt dat we tegen onszelf zeggen: dat niet meer; zo is het genoeg. Voortaan neem ik mijn lot in eigen hand en geef ik in mijn leven zelf richting aan mijn evolutie. Ik kies nu mijn eigen weg. Er is niets dat mijn wil in de ene of de andere richting stuurt. Daar is het doel en het is een kosmisch doel. Ik ben niet langer de slaaf van meedogenloze omstandigheden. Van nu af aan bepaal ik mijn eigen weg. Ik kies mijn eigen lot. Ik heb de Wet begrepen.

Het is een vreemde paradox dat, als de ziel eenmaal begint te ontwaken en de ogen zich openen, degene die ernstig probeert zijn taak te vervullen, zijn plicht in het leven te doen en moedig als een eerlijk mens te leven, als gevolg van de zeer ingewikkelde en volgens mij rampzalige toestand van het moderne leven, duizendmaal meer moeilijkheden ondergaat dan iemand die zijn gewone gangetje gaat omdat hij, net als de dieren, te dom is om na te denken. Maar zou u een menselijk dier willen zijn, dat niet denkt, niet overweegt, niet het goddelijk gevoel heeft zijn eigen levensweg te kiezen?

Ik ben ervan overtuigd dat conflicten tussen mensen zouden ophouden, zelfs vrij snel, als we allemaal onze persoonlijke verantwoordelijkheid jegens onze medemensen beseften. Ik denk dat er één regel is die in de hele structuur van het menselijk leven van kracht is, van hoog tot laag: ons saamhorigheidsgevoel als eenheden in een menselijke hiërarchie, zodat wat de een treft allen treft, ten goede of ten kwade.

Ik vraag me dikwijls af hoeveel mensen aan deze dingen denken in de stille uren van de nacht, of als ze piekeren en zich zorgen maken over de weg die ze moeten volgen en niet durven volgen omdat de massa dat niet doet. De massa volgt graag de weg die ze 'verstandig egoïsme' noemt. Ik kan me niets voorstellen dat duivelser of satanischer is dan de gedachte die achter die woorden schuilgaat. Het is een opzettelijke vertroebeling van iedere nobele intuïtie van de menselijke ziel. Stel u zelf eens deze vraag: Doen zij iets omdat het mooi, goed en juist is en omdat het iedereen geluk, veiligheid en vrede brengt? Nee, deze voorstanders van verstandig egoïsme zeggen: 'Als ik het doe, zal het uiteindelijk goed zijn voor mij en de mijnen.' Stel nu eens dat mensen in verschillende delen van de wereld dat evangelie volgden, wat zouden we dan te zien krijgen? Wat we nu zien. En aan alles kan een eind worden gemaakt, aan elk conflict tussen mensen. Let wel, ik bedoel niet een einde maken aan het hebben van meningsverschillen, wat een van de mooiste dingen van ons mensen is. Meningsverschillen brengen geur en kleur aan het leven, geven het charme en schoonheid als ze eerlijk en hoffelijk en altruïstisch naar voren worden gebracht. De Fransen hebben een mooi spreekwoord: Du choc des idées jaillit la lumière, 'uit de botsing van ideeën ontspringt het licht.' Op dat beginsel berusten congressen, parlementen, vergaderingen en reünies van mensen: ideeën uitwisselen en de beste uitkiezen.

Ik heb het dus niet over verschillen in opvattingen. Die zijn natuurlijk. Ik bedoel conflicten, haatgevoelens, gebrek aan eerbied voor de ander, in hem niet iets kunnen zien dat even mooi is als wat hij in u kan zien. Hebt u ooit de eenvoudige regel beproefd een ander met wie u praat in de ogen te zien; niet om te proberen uw opvatting in zijn hoofd te hameren, zoals we allemaal doen; niet om te proberen hem te overtuigen en hem te doen denken zoals u; maar alleen die andere in de ogen te zien. Weet u dat u daarin wonderen kunt zien, een wereld van nog onbekende, ongeopenbaarde schoonheid. Als u hem de kans geeft, zal die mens zijn hele ziel voor u willen openstellen. Maar hij kan natuurlijk even bang voor u zijn als u voor hem; en even bang u open tegemoet te treden.

Ik verzeker u dat als de mensen elkaar vertrouwden en van elkaar een fatsoenlijke behandeling verwachtten, zij die zouden krijgen. Ik heb nog nooit meegemaakt dat dit niet lukte. Ik zeg u eerlijk dat mijn vertrouwen nog nooit is beschaamd; want ik schonk altijd mijn volle vertrouwen dat een beroep deed op de ander. Het werkt en het is het beginsel waarop het moderne zakenleven berust, de hoogste vorm ervan: wederzijds vertrouwen, wederzijds respect en als men die dingen niet in praktijk brengt, wordt men algauw op de vingers getikt.

Nu heb ik inderdaad horen zeggen dat het voor het menselijk ras goed is steeds in een conflictsituatie te verkeren, omdat dat de mensen sterk maakt. Ik hoor wel eens wat over boksers, maar ik heb er nog nooit een gekend die uitblonk door genialiteit of omdat hij de wereld met zijn verstand in vuur en vlam zette, of het lot of de loop van de geschiedenis veranderde. Dikhuidige mensen hebben hun verdienste, maar zijn niet bepaald het type dat we zoeken als we iemand moeilijke, subtiele, ingewikkelde onderhandelingen willen laten voeren. Dan hebben we iemand nodig die niet alleen verstand heeft, maar ook een hart, omdat iemand met hersens maar zonder hart een ander niet kan begrijpen die misschien zo'n gevoelig hart bezit dat hij een groot overwicht heeft op de harteloze mens. De man zonder hart is psychisch maar half gevormd; hij verkeert zeer in het nadeel. De ander zal hem de loef afsteken. Als hoofd en hart samenwerken hebben we een volledig mens, omdat zowel de melodie van het hart als de filosofie van het denken worden begrepen.

Moeten we die eindeloze conflicten voortzetten? Ik denk dat ze zullen verdwijnen. Ik denk dat schoonheid en eerbied zelfs nu al in zicht zijn. We moeten beginnen met onszelf: ik met mezelf en u met uzelf.

 
 
 
 
 

09.  Vlinders - Hermann Hesse

 

De vlinder

Mij was leed overkomen,
En toen ik door de velden liep,
Vloog er een vlinder mij voorbij,
Die was zo wit en donkerrood,
In blauwe wind voortzeilend.

O, kindertijd! waarin nog klaar
Als morgenlicht de wereld is
En nog de hemel zo nabij,
Toen zag ik voor het laatst hoe je
De mooie vleugels spreidde.

Een fladd'ren teer en kleurig
Dat tot mij kwam uit 't Paradijs,
Hoe vreemd moet ik en schaamtevol
Voor jouw godd'lijke luister staan
Met ogen koel en ernstig.

De wit met rode vlinder
Werd voortgedreven over 't veld,
En toen ik dromend verder liep
Was mij vanuit het paradijs
Een luister nagebleven

 

 

Al het zichtbare is uiting, heel de natuur is beeld, is taal en een kleurig hiëroglifisch schrift. We zijn heden ten dage, ondanks een hoog ontwikkelde natuurwetenschap, voor het wezenlijke aanschouwen niet bepaald goed voorbereid en opgevoed, en staan met de natuur eigenlijk eerder op voet van oorlog. Andere tijden, misschien alle tijden, alle eerdere tijdperken tot aan de verovering van de aarde door de techniek en de industrie, hebben voor het schitterende geheimschrift van de natuur gevoel en begrip gehad, en hebben haar eenvoudiger en onschuldiger leren begrijpen dan wij doen. Dit gevoel was absoluut niet iets sentimenteel, de sentimentele verhouding van de mens tot de natuur is nog tamelijk van recente datum, ja het is misschien voor het eerst ontstaan uit ons slechte geweten tegenover de natuur.

De belangstelling voor de taal van de natuur, de belangstelling voor de vreugde aan de grote verscheidenheid, dat het scheppende leven overal laat zien, en de drang naar de een of andere verklaring van deze veelstemmige taal, eerder nog de drang naar antwoord is zo oud als de mens. Het vermoeden van een verborgen, heilige een­heid achter de grote verscheidenheid, van een oermoeder achter al wat ontstaat, van een schepper achter al het geschapene, deze verwonderlijke primitieve drift van de mensen naar het begin van de wereld en naar het geheim van dat begin is de wortel van alle kunst geweest en dat is het vandaag aan de dag nog steeds.

We schijnen tegen­woordig oneindig veraf te staan van natuurverering in deze eerbiedige zin van het zoeken naar een eenheid in de veelvuldigheid, we geven deze kinderlijke primitieve drift niet graag toe en maken grapjes, als men er ons aan herinnert. Maar waarschijnlijk is het toch een vergis­sing, als wij onszelf en onze hele mensheid van vandaag voor oneerbiedig en onbekwaam houden om tot een res­pectueus beleven van de natuur te komen. Het valt ons evenwel tegenwoordig echt moeilijk, ja, het is voor ons onmogelijk geworden, de natuur zo onschuldig in fabels te verwerken en de schepper zo kinderlijk te personifiëren en als vader te aanbidden, zoals andere tijden dat konden doen. Misschien hebben we ook geen ongelijk, als wij wel eens de vormen van de oude vroomheid een beetje oppervlakkig en speels vinden, en als wij tot de overtuiging neigen, dat de sterke en noodlottige voorliefde van de moderne natuurkunde voor de filosofie in wezen een rechtschapen handeling is.

Wel, of wij ons nu vroom-bescheiden of brutaal-superieur gedragen, of wij de vroegere vormen van het geloof aan de bezielde natuur nu belachelijk maken of bewonderen: onze wezenlijke verhouding tot de natuur, zelfs daar, waar wij haar alleen nog maar als exploitatieobject kennen, is nu eenmaal toch die van het kind tot de moeder, en bij de paar eeuwenoude wegen, die de mens naar zaligheid of naar wijsheid kunnen leiden, zijn geen nieuwe wegen bijgekomen. Eén van deze, de eenvoudigste en kinderlijkste, is de weg van de verwondering over de na­tuur en van het vol vermoeden beluisteren van haar taal.

'Om mij te verwonderen besta ik!' zegt een versregel van Goethe.

Met de verwondering begint het, en met de verwondering eindigt het ook, en toch is het geen vruchteloze weg. Of ik nu een stukje mos, een kristal, een bloem, een gouden kever bewonder of een wolkenlucht, een zee met de rustige geweldige ademhaling van zijn deiningen, een vleugel van een vlinder met de regelmatige plaatsing van zijn kristallen nerven, de vorm en de kleurige omlijstingen van zijn randen, de verscheidenheid aan tekens en ornamentiek van zijn patroon en de oneindige, tedere, betoverend­ zachte overgangen en nuanceringen van de kleuren ­elke keer als ik met mijn ogen of met een ander zintuig een stukje natuur innerlijk beleef, als ik van hem bekoord en verrukt ben en mij een ogenblik open stel voor zijn wezen en zijn openbaring, ben ik op dat zelfde ogenblik die hele hebzuchtige blinde wereld der menselijke nooddruft vergeten, en in plaats van te denken of te bevelen, in plaats van te vergaren of uit te buiten, te bestrijden of te organiseren, doe ik op dat ogenblik niets anders dan mij 'verwonderen' zoals Goethe, en met deze verwondering ben ik niet alleen de broeder van Goethe en van alle andere dichters en wijzen geworden, nee ik ben ook de broeder van al hetgeen ik met verwondering aan­schouwen als levend ervaar: van de vlinder, van de kever, van de wolk, van de rivier en van het gebergte, want ik ben in mijn verwondering een ogenblik lang de wereld der splitsingen ontlopen en in de wereld van de eenheid binnengegaan, waar een ding en een schepsel tegen elkaar zeggen: Tat twam asi. ( 'Dat ben jij.' )

We bezien de onschuldige relatie van een vroegere gene­ratie tot de natuur soms met weemoed, zelfs met afgunst, maar wij willen onze tijd niet ernstiger nemen dan zij ver­dient, en wij willen ons er bijvoorbeeld niet over beklagen, dat het betreden van de eenvoudigste weg naar de wijsheid aan onze universiteiten niet wordt onderwezen, ja dat daar in plaats van de verwondering veeleer het tegendeel geleerd wordt: het tellen en meten in plaats van de vervoering, nuchterheid in plaats van de bekoring, het star vasthouden aan het afzonderlijk onderdeel in plaats van het geboeid raken door het geheel. Deze uni­versiteiten zijn immers geen scholen van de wijsheid, ze zijn scholen van de kennis; maar stilzwijgend veronderstellen ze toch dat het door hun niet onderwijsbare, het kunnen beleven, het tot ontroering in staat zijn, de verwondering van Goethe aanwezig zijn en hun beste geesten kennen geen edeler doel dan hun leerlingen een stap­je nader te brengen tot juist zulke verschijningen als Goethe en andere echte wijzen.

De vlinders nu, van wie hier sprake zal zijn, zijn net als de bloemen voor veel mensen een heel bevoorrecht stukje schepping, een buitengewoon gewaardeerd en doelmatig onderwerp van dat verwonderen, een bijzonder lieflijke aanleiding tot het hebben van een ervaring, tot het vermoeden van het grote Wonder, tot verering van het leven. Ze schijnen, evenals de bloemen, waarlijk heel opzettelijk als sieraad, als opschik en juweel, als kleine schitterende kunstwerken en lofliederen door de meest vriendelijke, verfijnde en vernuftige genieën, uitgevonden en met een teder scheppingsgenot verzonnen te zijn. Men moet al blind of wel zeer verhard zijn, om bij de aanblik van een vlinder geen vreugde, een rest van een kinderlijke verrukking, een vleug van de verwondering van Goethe te voelen. En dat heeft zeker goede redenen. Want de vlinder is toch iets bijzonders, hij is toch geen dier zoals de anderen, hij is eigenlijk helemaal geen dier, maar enkel de laatste, hoogste, feestelijkste en tegelijkertijd de meest belangrijke levensstaat van een dier. Hij is de feestelijke, en tegelijkertijd de scheppende en tot sterven bereide bruiloftsvorm van dat dier, dat voordien een slapende pop, en voor de pop een vraatzuchtige rups was.

De vlinder leeft niet, om te vreten en om oud te worden, hij leeft enkel en alleen, om lief te hebben en om voort te brengen, daarvoor is hij met een fabelachtig mooi kleed uitgedost, met vleugels, die vele malen groter zijn dan het lichaam, en die in patroon en kleuren, in schubben en dons, in een hoogst verschillende en geraffineerde taal het geheim van zijn bestaan uitdrukken, alleen om intensiever te leven, om het andere geslacht bekoorlijker en verleidelijker te verlokken, het feest van de voortplanting stralender te vieren. Deze betekenis van de vlinder en van zijn schoonheid is in alle tijden door alle volken gevoeld, hij is een eenvoudige en ondubbelzinnige verschijningsvorm. En verder werd hij, omdat hij een feestelijke minnaar en een stralende transformatiekunstenaar is, tegelijkertijd zinnebeeld van kortstondigheid als van eeuwige duur, en werd hij voor de mens al in vroeger tijd tot gelijkenis en wapendier van de ziel.

 
 
 

10. Over het geluk.

 

 Er schijnen machten in de wereld te zijn, die ons mensen zeer ongelukkig willen maken. Maar niettemin is er een eigen willen, een geloven en een hopen, dat er een geluk van absolute waarde is dat geen macht ter wereld ontwaarden kan, waar niets buiten ons zelf ook maar iets over te zeggen heeft. Ook al zou men zich stap voor stap met ons bemoeien en ieder uur voorschrijven hoe wij moesten leven, het geluk dat wij voorstaan moet geheel vrij kunnen zijn en onafhankelijk van welk een dwang, van welke voorschriften, van welke bedreigingen ook. Natuurlijk kunnen die machten ons bezit aantasten en ons lichaam. Ze kunnen ons lichaam opsluiten en het op allerlei manieren trachten te schaden en te verminken.

Men kan, naar ik gelezen heb, lichamen in een duistere cel opsluiten in eenzaamheid en verschrikking en het is waar dat men het uitermate kan pijnigen zoals dat bij een kruisiging het geval is. Maar niettemin is er een substantie in de menselijke ziel die onbereikbaar is voor alle vervolgers en haters, voor alle machthebbers, die tenslotte ook mensen zijn en grote stakkers in al hun geborneerde grootdoenerij en dreigende woorden. Het zijn bezetenen van de aardgeest, ze kennen geen liefde voor hun medemensen en kunnen niet verdragen dat er wegen zijn, geheel andere dan de hunne, waarlangs het onvervreemdbare geluk te verwerven is en voor alle eeuwigheid voor hun grijphanden onbereikbaar. Het is zo veilig verscholen in de diepte van de ziel, het spreekt zulk een vreemde taal, dat geluk, dat de alledaagsheid van de grove natuur het helemaal niet kan vernemen.

Het is het oorspronkelijke beginsel in ieder mens, zijn levensbeginsel, dat wat hij is en dat daardoor zijn onvervreemdbaar bezit is. Omdat het lichaam zeer behoeftig is, kan men het in zijn behoeften treffen. Behoeftig aan sympathie, behoeftig aan lichamelijke liefdedaden, behoeftig aan eten en drinken, aan gezelligheid en mensen met wie je tot uitwisseling kunt komen. En als aan dit alles niet zou worden voldaan zou je het op 't laatst uitschreeuwen naar God, uit honger en dorst, uit armzaligheid en verkommering. Maar dit geldt alleen voor het lichaam en alles wat daaraan verwant is. De aarde is verwant aan het lichaam. Welnu, het geluk wat wij op het oog hebben is niet verwant aan de aarde. De aarde kent het niet en vindt het maar vreemd en ontkent het en de vorst der duistere aarde lacht er maar wat om en heeft er een vreeslijke minachting voor. Ik zeg vreeslijk, omdat het werkelijk een verschrikking zijn kan.

Maar het geluk verschrikt niet. Het is van een hoedanigheid die niet verschrikken kan. Het is niet te imponeren zoals een kind niet te imponeren is. Begrijp mij goed. Ik bedoel de open vrijmoedigheid van een kind. Natuurlijk kan men het slaan en bang maken en daaraan is geen kunst. Men tracht altijd kinderen te dreigen als ze dit of dat niet doen willen of zij iets in hun hoofd hebben wat ouders niet of niet meer begrijpen. Want de mensen verstikken het geluk. Zij stoppen hun lichamen en breinen, hun harten en zielen vol met allerlei sensaties, die er helemaal niet in thuis horen en zeggen dan oververzadigd: dat is pas leven. Maar het water waarin zij baden is verontreinigd, de lucht die zij inademen is verstikkend, de hartstochten die zij plegen te volgen zijn bedwelmend en bewustzijns vernauwend.

Daarom keren wij weer tot het geluk terug dat alles kan doorstaan. Stel u voor, een liefde die alles doorstaat. Alles. Dit behoeft natuurlijk niet een openbare vertoning te worden waarvan de mensen die het zien zeggen: zie toch eens aan hoe ze een medemens behandelen kunnen. Welnee, geen sterveling behoeft het te weten, waardoor je natuurlijk lang niet altijd malse oordelen tegenkomt. De ene haalt verachtelijk zijn neus op voor zelfs maar de denkbare mogelijkheid. Geluk op deze wereld is een farce, een waanzin, een belachelijkheid. Bovendien, er is een groep die zich heimelijk de elite denkt waarvoor het geluk onaristocratisch is, eigenlijk iets om de neus voor op te trekken. Geef ons maar de zoete melancholie, de trage weemoed en het 'spleen', daar houden wij het mee op deze godsjammerlijke wereld, waar geluk niet geduld wordt en wij moeten blijven rondgaan als uilen in doodsnood. Nee, zeggen zij, het geluk is voor de gokkers en de gelukzoekers en de loterij­mensen, maar niet voor ons in onze ethische, maar decadente allure.

Maar laten wij ons niet op zijwegen begeven. Wij weten wel, wij gunnen elkander alles en het geluk is er alleen maar om verstoord te worden en benijd. Daarom, op uw tocht zult ge vele hongerige ogen ontmoeten van zielen, die zich niet uit het lijden konden verheffen of het niet wilden. Wie ziet nu het leed als een kwaad dat overwonnen moet worden? Slechts weinigen, want vele eeuwen zijn wij vergiftigd met de opvatting dat lijden het werkelijk algemeen menselijke is, dat het schoon is te lijden en dat wij daarin elkander kunnen begrijpen. Maar geluk? Wie voelt er mee met een gelukkig mens? Daarom, het geluk laat men liggen en gelukkige mensen ziet men niet aan, tot zij vertrokken zijn van deze wereld en men de moed heeft ze weer uit de herinnering op te laten komen en stil hun woorden weer uit te spreken, omdat wij mensen zo een onuitsprekelijke behoefte hebben aan echt en waarachtig geluk. Geluk zoals kinderen het kennen. O mijn geluk, hoe bemin ik u.

Ik ben het geluk.

Ik ben het geluk, maar ge kunt mij niet grijpen en organiseren noch bevelen, niet bedwelmen, noch vangen.
Hoog ben ik, licht, onvermengd en helder en stroom naar ieder mensenhart uit.
Het pure leven, ontdaan van denken, menen, voorstelling, reden en vragen naar waarom.
Ik ken geen waarom en antwoord alleen maar met mijn tegenwoor­digheid, verscholen in uw hart.
Ge behoeft mij niet te begrijpen en als ge vraagt: zijt ge voor mij gekomen, dan antwoord ik: Ja, voor u, altijd voor u.
Geloof mij toch, herken mij.
Misschien kom ik van heel ver en ben voor u onverstaanbaar als een vreemde, omdat ik kom uit 'in de beginne' het allereerste van het leven, dat als een onbereikbaar punt is in uw herinnering. Want ik ben altijd bij u geweest, ook vóór uw herinnering.
Ik ben de pure smaak van het leven zonder bitterheid, niet wrang en zonder enig lijden.
Ik weet wel waar doorheen ge waadt en wat ge er voor over hebt mij te aanschouwen en de uwe te noemen, alles hebt ge er voor over ofschoon uw voeten zijn geschonden en de tocht soms zwaar was, maar ik ben balsem voor uw voeten en voor de gebroken en vertrapte harten.
Ik, uw geluk, ik zie u aan en herken het stralen van uw ogen. Er is geen oordeel in deze vreugde en geen enkele nagedachte. Heb daarom geen wroeging en wend u oprecht tot mij.
Want ik, uw geluk, kan u ontslaan uit boeien van schuld en noden, van angst en dreiging en dood.
Ik, het geluk, ben uw ware, echte leven, uw weg en uw waarheid. Zie, en herken mij en ge hebt u zelf gevonden.
Ook moogt ge geen naam aan mij verbinden, geen enkele naam. Want welk een naam ge mij ook zou geven: ik ben het geluk.

Bron: De Hermiet – Barend van der Meer.

 
 

11. Vriendschap

NEEM JE VRIENDEN AAN ALS EEN GESCHENK

 

 HET WOORD 'VRIENDSCHAP' KOMT van het Oudhoogduitse begrip 'frijà, dat zowel 'vrij' alsook 'liefhebben' ('frijon') betekent. In het begrip 'vriendschap' komen de woorden 'vrijheid' en 'liefde' samen. Voor Germanen is een vriend iemand die jij beschermt en die jij bijstaat, die jij graag mag en van wie jij houdt. Een vriend is vrij. Hij leeft zijn eigen leven. En toch weet hij dat zijn vriend of zijn vriendin van hem houdt. De liefde beperkt hem niet in zijn bewegingsvrijheid. Ze verplicht hem niet om de gunstbewijzen van zijn vriend terug te betalen. Wat hij voor zijn vriend doet, doet hij uit liefde en uit vrije wil. En hij bindt zijn vriend niet door zijn gunstbewijzen en door zijn liefde, maar hij laat hem vrij.

Het is niet eenvoudig om de juiste verhouding te vinden tussen liefde en vrijheid. Onze liefde is vaak genoeg vermengd met claims, met je-vastklampen-aan-iemand, met verwachtingen ten opzichte van de ander. En onze liefde eist vaak dat ze wordt beantwoord. Wat ik doe voor de ander, verwacht ik ook terug. Maar dit rekensommetje maakt echte vriendschap onmogelijk. Er zijn vrienden die elkaar jarenlang niet zien en jarenlang niet met elkaar communiceren. Maar zodra zij elkaar ontmoeten, vlamt de vriendschap weer op. Ze houden direct weer van elkaar en begrijpen elkaar meteen weer alsof ze gisteren pas afscheid van elkaar hebben genomen. Ze zijn met elkaar vertrouwd. Ze komen als ze met elkaar praten, direct bij de kern. Ze raken elkaar echt. Ze worden één in hun hart. Ze hebben elkaar in vrijheid losgelaten zonder de liefde voor elkaar te verliezen.

De verhouding tussen liefde en vrijheid zal bij ieder vriendenpaar anders zijn. Steeds wanneer ik een vriend graag mag, ontstaat ook een stukje afhankelijkheid. Als ik mij bewust word van deze afhankelijkheid, kan ik er mij van distantiëren en de vriend bewust loslaten. Het kenmerk van echte vriendschap is: innerlijke vrijheid. Ik mag zeggen wat ik voel zonder alles te hoeven berekenen. Ik ben vrij om de weg te gaan die ik als juist beschouw. Ik hoef niet op een verkeerde manier rekening te houden met mijn vriend als ik voel dat ik van baan moet veranderen of moet gaan verhuizen. Ik kan vrij ademhalen. En ik geef mijn vriend ook de bewegingsvrijheid die hij voor zijn leven nodig heeft.

EEN VRIEND LUISTERT NAAR DE MELODIE VAN JE HART

VAN OUDSHER HEBBEN WIJZE mannen en vrouwen de waarde van vriendschap geprezen en het geheim van een vriend tot uiting gebracht in steeds weer nieuwe beelden. Eén beeld staat bijzonder diep in mijn geheugen gegrift: 'Een vriend is iemand die luistert naar de melodie van je hart - en jou deze weer voorzingt als je haar een keer hebt vergeten.'

Ik weet niet meer van wie deze uitspraak is. Maar dat een vriend luistert naar de melodie van mijn hart, is voor mij een prachtig symbool. Een vriend hoort heel precies wat mij ten diepste beweegt. Hij luistert naar mijn hart om te ontdekken wat de grondmelodie van mijn leven is, om te zien wanneer en hoe mijn leven gaat vibreren en stromen. En als ik deze melodie heb vergeten omdat ik van mijzelf vervreemd ben geraakt door de eisen die het leven van alledag aan mij stelt, dan zingt een vriend mij deze melodie voor. Hij brengt mij weer in contact met mijn eigenlijke kern, met mijn ware wezen. Hij laat mij weer zien wie ik ben. Een vriend herinnert mij aan datgene wat ik ten diepste ben. Zijn taak houdt dus veel meer in dan mij slechts begrijpen en mij alleen maar bijstaan. Integendeel, hij neemt de melodie van mijn hart in zich op om haar weer opnieuw te laten klinken als ze in mij is verstomd.

Bron: Anselm Grün – Boek van Levenskunst