Teksten uit de mond van grote en kleine filosofen

Oefening in sterven - Plato over Socrates

 
 

Kort voor zijn dood beschrijft Socrates de houding van een filosoof tegenover het sterven.

'Zolang wij een lichaam hebben en onze psyché met zoiets slechts besmeurd is, ben ik bang dat wij nooit behoorlijk zullen bereiken wat wij verlangen, en volgens ons was dat: de waarheid. Eindeloos veel beslommeringen brengt het lichaam voor ons met zich mee vanwege de voeding die het nodig heeft. Ook eventuele ziektes die ons treffen belemmeren weer onze jacht op de wezenlijke dingen. Met hartstochten, verlangens, angsten en allerlei wanen en met een massa onzin vult het ons, zodat je met recht kunt zeggen dat het lichaam ons geen enkele kans gunt om ooit behoorlijk na te denken.

Oorlogen, revoluties, gevechten, het is allemaal het gevolg van het lichaam en zijn verlangens. Want alle oorlogen ontstaan om het bezit van geld en goed, en geld en goed worden wij gedwongen te verwerven voor het lichaam, als slaven in zijn dienst. Door dat alles hebben wij geen tijd om onze geest te ontwikkelen. Het ergste is nog, als het lichaam ons toch even de tijd gunt om iets te bestuderen, komt het bij die studie weer overal tussenbeide, maakt een hoop lawaai en brengt ons uit ons evenwicht, zodat wij door het lichaam de waarheid niet kunnen waarnemen.

Hiermee hebben wij in feite aangetoond dat wij, willen we ooit zuivere kennis hebben, van ons lichaam moeten worden verlost om het wezen van de dingen alleen met onze psyché te bestuderen. Kennelijk zullen wij dat wat wij volgens ons zo hartstochtelijk verlangen, inzicht, pas bereiken wanneer we gestorven zijn, zoals onze redenering aantoont, en zolang wij leven niet. Want als het niet mogelijk is om samen met het lichaam iets zuiver te kennen, is het van tweeën één: kennis is ofwel nergens te verkrijgen of alleen na de dood. Want pas dan is de psyché met zichzelf alleen, los van het lichaam, eerder niet.

Tijdens ons leven zullen wij de kennis blijkbaar ook dichter benaderen naarmate wij minder contact hebben met het lichaam en er alleen het absoluut noodzakelijke mee samen doen. Wij moeten ons niet vullen met lichamelijke dingen maar ons zoveel mogelijk schoon houden, totdat de god zelf ons zal bevrijden. Dan zullen wij schoon zijn, verlost van het onverstand van het lichaam, en waarschijnlijk ook in zuiver gezelschap verkeren en op eigen kracht inzicht krijgen in alles wat zuiver is, en dat wil vermoedelijk zeggen: in de waarheid.

Op de juiste manier naar kennis streven, Simmias, is dus eigenlijk een oefening in sterven en filosofen zijn wel de laatsten voor wie de dood iets verschrikkelijks is. Je moet het zo zien. Als zij in alle opzichten een hekel hebben aan hun lichaam en verlangen louter en alleen een psyché te hebben, dan zou het toch heel onlogisch zijn als ze bang en geërgerd zouden  zijn wanneer dat gebeurt. Ze zouden toch met opluchting naar de plaats moeten gaan waar ze mogen verwachten bij hun aankomst het doel te bereiken waarnaar ze hun hele leven zo hartstochtelijk hebben verlangd ­ dat wil zeggen: inzicht - en waar ze verlost zijn van de aanwezigheid van dat lichaam waaraan zij zo'n hekel hadden? Allerlei mensen hebben hun menselijke geliefden, hun vrouwen en zonen, vrijwillig in de dood willen volgen, gedreven door de hoop hen in die andere wereld te zien en bij hen te zijn. Iemand die echt hartstochtelijk verlangt naar inzicht en diezelfde stellige verwachting heeft dat hij dat inzicht alleen op een behoorlijke manier kan vinden na de dood, zou die zich dan ergeren wanneer hij sterft en niet opgelucht daar naartoe gaan?

(...)

Als de psyché in zijn leven nooit vrijwillig iets samen met het lichaam heeft gedaan, maar het heeft gemeden en zich heeft geconcentreerd op zichzelf en dus schoon vertrekt en niets van het lichaam meesleept, omdat hij zich altijd daarin oefende - wat niets anders wil zeggen dan dat hij op de juiste manier naar kennis streefde en werkelijk oefende om gemakkelijk dood te gaan, want zo'n streven is toch een oefening in sterven? – als hij in zo'n toestand verkeert, gaat hij dus weg naar een onzichtbare wereld die op hemzelf lijkt, goddelijk, onsterfelijk, verstandig, waar hem bij aankomst het geluk wacht, de bevrijding van dwaling, onverstand, angsten, wilde hartstochten en de overige menselijke ellende, en waar hij werkelijk de rest van de tijd met goden doorbrengt.

Maar als hij bij zijn vertrek uit het lichaam besmeurd en niet gereinigd is, omdat hij altijd met het lichaam omging en dat lichaam verzorgde en begeerde en door het lichaam met zijn verlangens naar genot zo werd gebiologeerd dat hij niets echt vond behalve het lichamelijke, dat je kon aanraken, zien, drinken, eten en voor seks gebruiken, - als hij gewend was te haten wat voor de ogen duister en onzichtbaar was, abstract en alleen met het intellect te begrijpen, en daarvoor angstig op de loop te gaan, je denkt toch niet dat de psyché onder zulke omstandigheden zuiver vertrekt? Hij is dan doortrokken van het lichamelijke. Door zijn voortdurende omgang en contact met het lichaam is dat in een langdurig gewenningsproces met hem vergroeid geraakt.

Iets logs is dat, moeten we aannemen, zwaar, aards en zichtbaar, en als zo'n psyché dat bij zich heeft, gaat hij dan ook gebukt onder het gewicht en wordt hij teruggetrokken naar de zichtbare wereld. Uit angst voor de onzichtbare zogenaamde 'onderwereld' waan hij rond bij grafzerken, waar inderdaad bepaalde schimmige geestverschijningen gezien zijn, het soort spookbeelden dat zulke psychés opleveren die niet volkomen zijn bevrijd maar nog een aandeel hebben in het zichtbare, waardoor ze ook te zien zijn.'

DE ZWANENZANG

Socrates geeft verschillende bewijzen voor de onsterfelijkheid van de ziel. Simmias en Cebes hebben een zwak punt in één van die bewijsvoeringen ontdekt, maar aarzelen dat in de situatie van het moment aan Socrates voor te leggen.

'De psyché van een filosofisch mens denkt dat hij zijn hele leven op de dood gericht moet zijn en wanneer hij gestorven is, bevrijd is van de menselijke ellende door zijn aankomst bij wat aan hem verwant is en net is als hij. Omdat hij gevoed is met kennis hoeft hij in het geheel niet bang te zijn, Simmias en Cebes, dat hij bij zijn vertrek uit het lichaam uiteen getrokken wordt en, door de winden uiteen geblazen, vervliegt en nergens meer bestaat.'

Toen Socrates dat gezegd had, was het lange tijd stil. Hijzelf was zo te zien nog met zijn gedachten bij wat hij had gezegd, en de meesten van ons ook. Alleen Cebes en Simmias praatten zachtjes met elkaar. Socrates zag dat en vroeg: 'En? Jullie vinden zeker dat er nog iets aan mijn uiteenzetting ontbreekt. Inderdaad zijn er nog allerlei twijfels en onzekere punten, als je het werkelijk uitputtend zou willen bespreken. Als jullie het over iets anders hebben heb ik niets gezegd, maar als jullie in deze kwestie nog een probleem zien, aarzel dan niet om er zelf iets over te zeggen en het uit te leggen, als jullie vinden dat de redenering ergens voor verbetering vatbaar is. En betrek mij er gerust weer bij, als jullie denken dat het met mij misschien gemakkelijker zal gaan.'

'Nu, Socrates,' zei Simmias, 'om u de waarheid te zeggen, wij zitten inderdaad allebei al enige tijd met een probleem. We stoten elkaar aan en zeggen dat de ander het moet vragen. Wij willen het graag horen maar aarzelen om u lastig te vallen, omdat het onder deze omstandigheden misschien onaangenaam voor u zou zijn.'

Toen Socrates dit hoorde, lachte hij zachtjes en zei: 'Tjonge, Simmias, ik zal wel moeilijk andere mensen kunnen overtuigen dat ik wat mij nu overkomt niet als een ramp beschouw, als ik jullie niet eens kan overtuigen en als jullie bang zijn dat ik nu in een slechter humeur ben dan tot dusver in mijn leven. Kennelijk denken jullie dat ik minder goed kan voorspellen dan een zwaan. Een zwaan zingt altijd, maar wanneer hij merkt dat hij moet sterven zingt hij meer en mooier dan ooit, uit blijdschap omdat hij naar de god gaat vertrekken in wiens dienst hij staat.

De mensen begrijpen door hun eigen angst voor de dood de zwanen ook verkeerd. Ze zeggen dat zij klagen om hun dood en die laatste keer zingen van verdriet. Ze beseffen niet dat geen enkele vogel zingt wanneer hij hongerig is of het koud heeft of op een andere manier pijn lijdt, ook de nachtegaal niet of de zwaluw of de hop, - vogels waarvan men toch zegt dat zij van verdriet zo klaaglijk zingen. Ik geloof van die vogels niet dat zij uit verdriet zingen, en van zwanen ook niet.

Omdat zij volgens mij schepsels van Apollo zijn hebben zij de gave van de voorspelling. Zij weten van tevoren hoe goed die andere wereld is en daarom zingen en genieten ze die dag meer dan de tijd daarvoor. Nu geloof ik zelf dat ik net als de zwanen in dienst sta van de god en aan hem toebehoor en dat ik van mijn meester ook de gave van de voorspelling heb gekregen en niet in een slechtere stemming dan zij het leven zal verlaten. Nee, wat dat betreft kunnen jullie zeggen en vragen wat jullie willen, zolang de Atheense autoriteiten het toestaan.'

Socrates – uit: Plato, Schrijver – Gerard Koolschijn - ISBN 90 5713 507 8 

x In onze geest, innerlijk, moeten we in staat zijn het woord los te maken van de beleving en moeten we ten enenmale vermijden dat het woord zich mengt in, en een rol speelt in de rechtstreekse beleving van het gevoel; het gevoel wat feitelijk voorhanden is. Als je eenmaal zo ver bent gegaan en zo diep hierin bent doorgedrongen, zul je ontdekken dat in het onbewuste, in de duistere uithoeken van de geest een gevoel begraven ligt van volslagen eenzaamheid, van isolement, en dat is de  fundamentele oorzaak van angst. Maar hier kom je nooit aan voorbij als je het uit de weg gaat, als je het ontloopt, als je er niet in afdaalt zonder er een naam aan te geven. Onze geest moet oog in oog komen te staan met het feit van volledige innerlijke eenzaamheid en zichzelf niet toestaan iets aan dat feit te veranderen. Dat uitzonderlijke iets dat eenzaamheid heet is het diepste wezen van het zelf, het "ik", met al zijn pesterijtjes, al zijn slimmigheden, zijn plaatsvervangende trucs, met zijn sluier van woorden waarin de geest gevangen raakt. Pas wanneer de menselijke geest in staat is aan die uiteindelijke eenzaamheid te ontstijgen meldt zich vrijheid - de absolute vrijheid van angst. Alleen dan kom je zelfstandig te weten wat werkelijkheid is, die onmetelijke energiebron die geen begin kent en geen einde. Zolang de geest echter in termen van tijd zijn eigen angsten verwekt, is hij niet in staat tot inzicht in datgene wat tijdloos is.  

Krishnamurti 

x Veronderstel dat we een of twee dagen na onze dood ons huis weer zouden binnenkomen,
dat wil zeggen: nadat we het oneindigheids- en eeuwigheidsbad genomen hebben,
dat al het kleine in ons, alle groezeligheid weggewassen heeft.
Als we eenmaal hebben ingezien dat er voor ons aan gene zijde van de onzichtbare, ondoordringbare muur niets te vrezen valt,
wie van ons zou er dan nog iets aan gelegen zijn, zijn bestaan in de dierbare groezelige woning voort te zetten ?

Maurice Maeterlinck

x Niet de dingen zelf verontrusten de mensen, maar de voorstelling die ze van de dingen hebben.
Zo is bijvoorbeeld de dood niet iets schrikwekkend, anders had hij ook Socrates schrikwekkend moeten voorkomen.
Nee, de veronderstelling, alsof de dood iets schrikwekkend zou zijn, dat is het schrikwekkende.

Epictetus

x Wie eenmaal tot de hemel van het denken is toegelaten, zal geen terugval in de duisternis wachten, maar slechts de nooit eindigende lokking naar de overzijde.
Daar zijn hemelen boven hemelen en paradijzen in het paradijs, ze zij alom door goddelijkheid omsloten.
Er zijn anderen, voor wie de hemel van koper is en als een ondoordringbare wand tot op het aardoppervlak neerdaalt.
Het is een kwestie van temperament en van een meerdere of mindere mate van beleven van en begrip voor de natuur.
De laatstgenoemden hebben uiteraard slechts een verstandelijk of parasitair geloof, ze kunnen de waarheid niet zien, maar vertrouwen instinctief op de zieners en belijders van de waarheden.
Het handelen en de gedachten van de gelovenden brengen hen in verbazing en wekken bij hen de overtuiging, dat die anderen iets gezien hebben, wat hun verborgen is.
Hun uit de zinnelijke wereld afkomstige gewoonten evenwel zouden de gelovige steeds in zijn laatste stelling vasthouden, terwijl hij onweerstaanbaar voort moet gaan, en daardoor komt het, dat de ongelovigen uit liefde tot het geloof de gelovigen verbranden.

R.W. Emerson

x Hij wil niet leven, die niet sterven wil.
Want het leven is ons op voorwaarde van de dood geschonken; het is de weg tot dit doel.
Dwaas is het evenwel de dood te vrezen; want alleen het onzekere vreest men, het zekere ziet men onder ogen.
De dood betekent een rechtvaardige en onontkoombare noodzakelijkheid. Wie zou zich beklagen omdat hij zich in een situatie bevindt, waarin allen zonder uitzondering zich bevinden?
De voornaamste wet van de rechtvaardigheid is de gelijkheid.
Het zou dan ook ongepast zijn de natuur dit te verwijten, dat ze voor ons geen andere wet wilde laten gelden dan voor zichzelf.
Wat ze verenigde scheidt ze weer, en wat ze scheidde, verenigt ze weer.  

Lucius A. Seneca de jongere

x Maak u niet bezorgd over wat de toekomst kan brengen, maar streef ernaar innerlijk sterk en zuiver te worden.
Want niet hoe uw lot uitvalt, maar hoe u erin berust, maakt uw levensgeluk.

Georg Friedrich Wilhelm Hegel

x Alle geheimen liggen in volledige openheid voor ons.
We zetten ons er alleen tegen af, van de steen tot aan de profeet.
Er bestaat als zodanig geen geheim, er bestaat allen oningewijden van alle niveaus.

Christian Morgenstern

x Hoewel ieder mens aan de dood onderworpen is, wil ieder mens toch aan de dood ontsnappen.
De dood is zelfs voor de mens, wat het water voor het vuur is, de oervijand.
Vanwaar komt dat overweldigend verlangen, die gruwelijke drang, die onlesbare dorst naar onsterfelijkheid?
Het is het gevoel dat de dood in het geheel niet bij ons past en daaraan gepaard het gevoel, dat voor ons ook een toestand zonder dood mogelijk moet zijn.
Dit gevoel is precies zo krachtig en daarmee zo overheersend als de eruit voortgekomen drang de dood te ontsnappen, dat wil zeggen de doodsangst;
derhalve is de inhoud van dat gevoel het de doodsangst spontaan voortbrengende oergevoel: de toestand van sterfelijkheid past je niet; passend voor jou zou alleen de toestand van niet-sterfelijkheid zijn, de toestand waarin je niet meer kunt sterven.
Ofwel, in het kort: de dood is je wezensvreemd.

Georg Grimm

x Als iemand vijfenzeventig jaar oud is, kan het niet anders of hij zal nu en dan aan de dood denken.
Ik blijf bij deze gedachte volkomen rustig, want ik heb de vaste overtuiging, dat onze geest een wezen is van volkomen onverwoestbare aard,
het is een blijvende werkzaamheid van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Het gelijkt op de zon, die slechts voor onze aardse ogen schijnt onder te gaan, die feitelijk evenwel nooit ondergaat, maar onophoudelijk doorschijnt.

J.W. Goethe

x Denk veel aan de dood en denk eraan, dat ge in de dood slechts uw oude zieke lichaam aflegt zoals men oude kleren wegdoet, om in een hemelse wereld een nieuw en mooier en zuiverder lichaam te ontvangen te midden van gelukzalige wezens.
Denk ook vaak aan dat hemelrijk. Dat zal dan in u de zielsverwantschap doen ontstaan met dergelijke hemelrijken, waardoor ge in een ervan zult aankomen.
Wanneer ge uw geest vult met dergelijke gedachten, hoe kunt ge dan nog somber zijn of zelfs in tranen uitbarsten?
Veeleer zal nu reeds een stille blijdschap u vervullen en zult ge uw ziekte berustend dragen, wat ook de afloop moge zijn.
Wat kan er dan anders gebeuren dan dat ge, zo denkend als ik u geraden heb, in een hemelse wereld aankomt?
En daarvoor koestert ge vrees en schreit ge?
U dient zich te verheugen en dat kunt u ook, als u mijn voorschrift opvolgt.
Alle mensen, alle wezens in het algemeen, moeten sterven, ook een hooggeplaatste moet sterven.
En dan winden de mensen zich op bij dergelijke gedachten.
Windt u zich ook op, wanneer s' avonds de zon ondergaat?
En waarom niet? Wat hindert het, morgen komt ze aan de horizon weer op Zo gaan ook wij in de dood slechts onder, om spoedig in een nieuwe gestalte weer op te staan.
Ik denk feitelijk sedert jaren onophoudelijk aan de dood en word daarbij innerlijk steeds tevredener.

Georg Grimm

x Heb je een wereld aan bezit verloren,
treur er niet over,
het is niets.
En heb je een wereld aan bezit gewonnen,
verheug je er niet over,
het is niets
Voorbij gaan de smarten
en de gelukzaligheden.
Da aan de wereld voorbij,
het is niets.

Awari Soheili, oud Perzisch dichter

x De fabel van de vis en de aap.

Diep in de wouden van Afrika, leefden er eens een aap en een vis. Ze woonden vreedzaam samen,
tot op een dag de aap beseft dat hij het toch wel erg goed had... zeker in vergelijking met het leven van de vis.
Zonnen dag aan dag, genieten van de heerlijke vruchten van het woud, springen in berg en dal, frisse lucht mogen inademen....
Meewarig en verdrietig beklaagde hij het lot van de vis en besloot hem te helpen.
Hij legde hem op een rots te zonnen.
 
x  Al het persoonlijk handelen komt op het diepste niveau voort uit één van de volgende twee emoties:
ANGST en LIEFDE!
In werkelijkheid zijn er maar twee emoties, twee woorden in de taal van de ziel.
Dit zijn de twee punten die, de alfa en de omega, die het systeem dat wij "relativiteit noemen, toelaten te bestaan.
Zonder deze twee punten en deze twee ideeën over dingen, zou er geen enkel ander idee kunnen bestaan.
Elke persoonlijke gedachte, en elke persoonlijke daad, is gebaseerd op liefde en angst.
Maar wij hebben wel de vrije keus welke van de twee wij verkiezen.
ANGST is de energie die doet samentrekken, afsluiten, naar binnen trekken, wegrennen, verstoppen, hamsteren, schade berokkenen. LIEFDE is de energie die doet uitbreiden, openstellen, naar buiten zenden, onthullen, delen, genezen.
ANGST hult onze lichamen in kleding, LIEFDE staat ons toe naakt te zijn.
ANGST houdt vast aan en grijpt naar alles wat we bezitten, LIEFDE geeft alles wat we hebben weg.
ANGST reserveert, LIEFDE respecteert.
ANGST grijpt, LIEFDE laat gaan.
ANGST knaagt, LIEFDE sust.
ANGST valt aan, LIEFDE verbetert.

Bron: Een ongewoon gesprek met God" van Neale Donald Walsh.
 
*Vergeet nimmer dat zelfs de kleur van de kersenbloesem nooit helemaal wit is.
*Wie alles als toeval aanvaardt zonder dat er enig dieper plan aan ten grondslag ligt, is als een kind dat met een schelp aan het oor meent het ruisen van de zee te horen
*De mens die zegt: ’ik geloof’ , zet niet de laatste schrede op zijn pad, maar de allereerste.
*Wie in meditatie niets ervaart en slechts door diepe stilte wordt omgeven, heeft iets gezien dat beeld- en klankloos aan hem voorbij zweefde.
*De mens die twijfelt aan de juistheid van zijn Pad is reeds ver gevorderd, want hij denkt zèlf.
*Verlatenheid is als een bloesemknop; zet haar in het volle licht en het ontluiken toont dan het verborgen doel.
*Het verleden is het geraamte van het leven.  Het nu: de geboorte, het leven en de dood. De toekomst: het nieuwe kleed dat alles zal omsluiten.
*Het bestijgen van een bergtop dwingt u het pad zèlf te vinden. De massa heeft een breed pad nodig en komt niet erg hoog
* Hoe eenzaam is mijn pad nu ik alleen moet gaan. Steeds zie ik om of jij mij volgt. Toch moet ik nog leren dat je niet achter mij komt, maar mij eens tegemoet zal treden.

Paragnost Wim Gmelig Meyling
 
x We maken graag kinderen gelukkig. Vooral in de maand december vullen we hun handen en armen met speelgoed en geschenken.
Ons hart smelt als we en kind kunnen blij maken. Zakenlui weten dat. Ze speculeren  op ons smeltend hart om ook onze geldbeurs te doen slinken…
Nu vraag ik me toch af, of we niet doordraven in de verkeerde richting. Of we in de opgewonden ren naar speelgoed, onszelf en de kinderen niet voorbijlopen?
Ik vrees zelfs dat vele kinderen stikken onder speelgoed. We geven heb de indruk dat het geluk afhangt van wat men HEEFT. Dat is nochtans een noodlottige misrekening. Zo leren ze nooit gelukkig te ZIJN.
Geluk is eerder een kwestie van ZIJN dan van HEBBEN. Men kan af en toe geluk hebben en toch niet gelukkig zijn; opgroeien tot gelukkige mensen is meer een kwestie van WORDEN dan van KRIJGEN.
Daarom hangt het geluk van kinderen meer af, van wat we zijn  voor hen  dan van wat we geven. Niet onze weelde maar wel onze levensrijkdom kan hun hart vullen.
Vraag u niet af wat ge meer kunt geven aan uw kind. Vraag wat ge meer kunt zijn voor hen. Misschien is geven gemakkelijker?  Geef het dan uw tijd, uw aandacht, uw medeleven, uw liefde.
Het loont de moeite kinderen gelukkig  te maken. We kunnen ons leven niet beter beleggen; want alleen door gelukkige kinderen bouwen we aan een betere toekomst en een gelukkiger wereld.
 
auteur mij niet bekend