Meerdere auteurs over reïncarnatie en karma - deel 2

‘Wedergeboorte’ of ‘ de onsterfelijkheid van de menselijke ziel’ door Rudolf Passian.
Uitgeverij Elmar bv  - Rijswijk - ISBN : 906120 5999

 
 

 

 Van ‘Lichtenberg’ is de volgende uitspraak: ‘Ik kan de gedachte niet van mij afzetten, dat ik gestorven was, voordat ik werd geboren.’

Het waren beslist niet alleen ‘bekrompen geesten’ die zich met de reïncarnatiegedachte bezig hielden en in herhaalde aardse levens geloofden. De grootste denkers uit de geschiedenis, van de Klassieke Oudheid tot in de nieuwe tijd, deelden deze inzichten: van Plato en Seneca tot Goethe, van Pythagoras, Paracelsus en Giordano Bruno tot Jacob Böhme en van Hegel, Leibnitz, Kant en Schopenhauer tot Nietzsche, die de wedergeboorteleer een ‘keerpunt in de geschiedenis’ noemde. Ook Lessing, Herder, Friedrich Rückert en Rilke behoorden tot haar aanhangers, evenals ‘Frederik de Grote’, die kort voor zijn dood zou hebben gezegd:

Ik voel nu dat het spoedig afgelopen zal zijn met mijn aardse leven. Maar ik ben ervan overtuigd, dat niets in de natuur vernietigd kan worden. Daarom weet ik zeker, dat het edeler deel in mij niet ophoudt te leven. Ik zal in een toekomstig leven wel geen koning meer zijn; des te beter, ik zal toch een nuttig leven leiden, waarin ik bovendien minder ondankbaarheid zal oogsten.

Verder kunnen nog worden genoemd: Ibsen, Strindberg, Gjellerup, Tolstoi, Victor Hugo, George Sand, Lamartine, Balzac, Gautier, Flaubert, Voltaire, Rabindranath Tagore, Ghandi en vele andere.

K. O. Schmidt heeft in zijn boek ‘Alles Lebendige kehrt wieder’ de getuigenissen van 250 mensen opgetekend.

Lessing heeft aan het slot van zijn verhandeling: ‘Die Erziehung des Menschengeschlechts’ de reïncarnatiethese zeer uitputtend behandeld.

Dat ‘Goethe’ het opnam voor de leer van de wedermenswording is bekend. In zijn ‘Gesang über den Wassern’ schrijft hij:

De menselijke ziel is als water: uit de hemel komt het, naar de hemel stijgt het en terug naar de aarde moet het weer, in een eeuwige kringloop.

En in een andere passage: ‘Behalve een voortbestaan (na de dood), meen ik ook te mogen aannemen, dat er een vorig leven bestaat. Ik ben zeker al duizendmaal hier geweest en ik hoop nog duizendmaal terug te komen.’

Ook voor het feit dat hij zich aangetrokken voelde tot Charlotte von Stein wist Goethe geen andere verklaring dan de beroemde versregels:

Zeg mij, waarmee het lot ons wil verblijden,
Waarom komen wij zo overeen?
Ach, het is, omdat in vervlogen tijden
Jij als mijn zuster of vrouw verscheen!

 Van ‘Schiller’ zijn soortgelijke getuigenissen bekend. In zijn gedicht aan Laura, ‘Het geheim de reminiscentie’, zegt hij:

Waren wij de weg reeds samen gegaan?
Dat daarom onze harten sneller gingen slaan?
Waren wij in de stralen van gedoofde zonnen,
Door lang vervlogen geluk overwonnen,
Als één geheel al eens begonnen?


Ja ! wij waren met elkaar verbonden
In aeonen die zijn gezwonden.
Mijn muze zag ons beider leven
In de spiegel van ’t verleden geschreven:
In liefde met elkaar verweven.

‘Johannes Peter Hebel’ legde in een ontwerp-preek over het thema ‘hebben wij reeds eerder geleefd?’, de getuigenis af, dat de gedachte van een mogelijke voortzetting van het aardse leven in latere incarnaties hem van geluk vervulde. Als vierde reden voor zijn geloof in wedergeboorte noemde hij ‘de onverklaarbare voorliefde voor bepaalde periodes uit de geschiedenis en de sympathie voor bepaalde personen en landstreken’. Hij vroeg zich af of er wellicht sprake was van een band uit een vroeger leven en vervolgde:

Dit idee is zo aanlokkelijk, nodigt zo uit tot fantasieën als: ik leefde al ten tijde van de mammoeten, van de patriarchen, ik was een herder in Arcadië, een avonturier in het oude Griekenland, maakte de Hermannschacht mee, heb meegeholpen aan de verovering van Jeruzalem….

Hebel beschouwde de gedachte, dat de mens aan het einde van zijn omzwervingen al zijn levens duidelijk overziet als de hoogste gelukzaligheid. Volgens hem zouden wij aan het einde van onze reeks incarnaties de ‘beker van Mneme’ te drinken krijgen, die ons de herinnering terug schenkt aan alle doorgemaakte ontwikkelingsfasen. Hebel schreef:

Wanneer ik eens de gouden beker van Mneme zal hebben gedronken, wanneer ik ze volbracht heb, de vele omzwervingen – Wanneer ik in vele gestalten en omstandigheden mijn Ik heb gered, met vreugde en verdriet ervan vertrouwd ben, door beide gelouterd – Welk een herinnering, welk een genot, welk een verrijking!

Men mag dit alles beschouwen als dichterlijke fantasie, wonderlijk is echter wel, dat de meeste en grootste prinsen der dichtkunst de wedergeboorte gunstig gezind waren.!

‘Herder’ schreef:


Wie van ons stervelingen kan zeggen, dat hij het zuivere mensbeeld, dat in hem aanwezig is, heeft bereikt? Ofwel heeft de schepper zich dus vergist met het einddoel en de organisatie, die hij voor het bereiken daarvan zo kunstig op touw heeft gezet, ofwel reikt dit doel verder dan ons leven en is de aarde slechts een oefenterrein, een tussenstation.

De grote filosoof ‘Emanuel Kant’ uit Königsberg brengt in zijn ‘Vorstellung über Psychologie’ de reïncarnatie ter sprake. De aardse geboorte betekent voor Kant ‘de wedermenswording van een ‘transcendentaal subject van een individuele ziel’. In navolging van Swedenborg trekt hij de conclusie, dat onze biologische ouders slechts onze adoptie-ouders zijn.

‘Schopenhauer’ schreef: ‘De mythe van de zielsverhuizing (waarmee hij reïncarnatie bedoelde) is zo zeer de meest waardevolle mythe en benadert de filosofische waarheid zo dicht, dat ik haar beschouw als het non plus ultra van de mythische voorstelling.’ In zijn verhandeling ‘Uber den Tod und sein verhältnis zur Unzerstörbarkeit unseres Wesens an sich’ merkt Schopenhauer op:

Elk pasgeboren wezen begint weliswaar fris aan een nieuw leven en geniet ervan als van een geschenk, maar van een geschenk kan geen sprake zijn: het nieuwe bestaan is betaald met de volbrenging en de dood van een ander leven, dat de onverwoestbare kiem bevatte, waaruit dit nieuwe leven is ontstaan: zij vormen één wezen.

‘Ludwig Ruge’ schreef:

Wij weten dat elk zijn noodlot heeft,
Dat stuurt en weegt naar hem behaagt.
Doch ’t is de mens die richting geeft
En zelf de sterren van het noodlot draagt.
Wij sturen ’t lot naar eigen wens
Door onze wil en onze daad.
Zo zaaien de handen van de mens
En oogsten ook het resultaat.

En ‘Peter Rosegger’:

De mens gaat als vader het graf in en staat als kind weer op. En hoewel het kind alleen weet heeft van zijn huidige levens en zich van zijn verleden niets kan herinneren; geloof ik toch, dat bepaalde oorzaken en gevolgen het ene leven met het andere verbinden, blijven voortbestaan en het individu in stand houden en sterker maken, zodat men in een later leven de gevolgen van een eerder bestaan ondervindt. Dit geloof komt slechte mensen misschien niet goed uit, maar het is voor wie naar reinheid en perfectie streeft een ware zegen, want het vormt de weg naar een volmaakter leven, de weg tot God.

Baron von Hardenberg, die zich ‘Novalis’ noemde, schreef in deel 3 van zijn ‘Fragmente’:

Wie hier de volmaaktheid niet bereikt, bereikt haar misschien aan gene zijde of moet de aardse levensweg nogmaals afleggen. Zou er daarginds niet ook een dood bestaan, waarvan het resultaat de geboorte op aarde zou zijn?

‘Leo Tolstoi’ schreef in het begin van de 20ste eeuw:

Ons hele leven is een droom. De dromen van ons huidige leven zijn de werelden, waarin we de gedachten en gevoelens van een vroeger leven uitwerken.

Zoals we in ons huidige leven duizenden dromen beleven, zo is ons huidig leven slechts een van de duizenden levens, die wij uit een ander, werkelijker leven betreden, waarheen we na onze dood terugkeren. Ons leven is slechts een van de dromen van het werkelijke leven. Daar geloof ik in, zo is het ongetwijfeld.

Ook ‘Heinrich Zschokke’ was vertrouwd met de reïncarnatiegedachte. Hij schreef hierover o.a.:

Ik zal een nieuw leven leiden, nieuwe kennissen, nieuwe broeder, nieuwe vertrouwelingen vinden… Misschien ook leefde ik al eens in een andere wereld en is dit aardse leven reeds een hogere trede naar de volmaaktheid van onze geest. Gelukkig de mens, die zich bij zijn afscheid uit dit leven een nog hogere trap van geestelijke volmaaktheid waardig voelt!

‘Richard Wagner’ zei:

Slechts het vermoeden van een zielsverhuizing wees mij het punt, waarlangs alles naar de verlossing leidt.

Wagners ‘Parsifal’ verhaalt over Kundry, de graalbode:

Zo leeft zij nu
Nieuw individu
Zij boet nu voor een vroeger leven
Dat haar ginds nog niet is vergeven.

‘Christian Morgenstern’ dichtte:

Steeds weer ontvang ik wond’re kracht,
als ik bedenk dat de dood mij nimmer deert,
nooit de angst dat onverwacht
mijn werk moet einden omdat mijn lichaam tot stof wederkeert:
’t geeft rust, te weten, dat ik zonder perk
na fouten naar herstel kan streven.
Want waar ‘k naar streef, ’t voleinde werk
,
Is niet gebonden aan slechts één leven.

‘Ik zou mij goed kunnen voorstellen’, schreef ‘Jung,’ dat ik in vroeger eeuwen heb geleefd en daar op vragen ben gestuit die ik nog niet kon beantwoorden en dat ik opnieuw geboren moest worden omdat ik de mij gestelde taken niet had volbracht. Als ik sterf – zo stel ik me voor – zullen mijn daden mij volgen. Wat ik gedaan heb zal ik meenemen.’ Jung onderscheidde vijf vormen van wedergeboorte, waarvan er drie betrekking hebben op de ‘wedergeboorte in de geest’, over welk verschijnsel eveneens zeer verschillende opvattingen bestaan. Jung kwam tot de conclusie, dat het voor de meeste mensen belangrijk is ‘aan te nemen, dat hun leven een niet nader te bepalen continuïteit heeft, langer dan het huidig leven.’ Ze zouden dan verstandiger leven, rustiger zijn en het zou hun beter gaan.

‘Wilhelm Busch’, de vrolijke filosoof, verpakte zijn opvattingen over de wedergeboorte in humor, toen hij fijntjes meende:

Wel duizend maal reeds is hij hier
gestorven en opnieuw geboren,
zowel als mens, maar ook als dier
met korte en met lange oren.

Nu is hij een arme, blinde man,
Zijn benen zijn stram, zijn rug is krom.
En toch, als hij maar even kan,
Komt hij nog duizendmaal weerom!

Over het reïncarnatie-principe van westerse signatuur meende Busch:

De twijfel van de wedergeboorte bevangt mij keer op keer
’t is maar de vraag of je later zeggen zult: hier ben ik weer.
Wat kan het veranderen van je gestalte je echter schelen,
Lief en leed zul je wel altijd met iemand kunnen delen.

De beroemde staatsman en schrijven ‘Benjamin Franklin’ (1706-1790), eerst zeepzieder, daarna van een boekdrukkerij in Philadelphia, schreef zelf zijn grafschrift:

Hier rust als spijs voor de wormen
Het lichaam van Benjamin Franklin, drukker van boeken
Als het omhulsel van een oud boek
Waarvan de bladzijden zijn verscheurd
En de ingebonden kaft is versleten.


Het boek zelf gaat echter niet verloren
Het zal zeker nogmaals verschijnen
In een nieuwe uitgave
Herzien en verbeterd
Door zijn Schepper.

 
 
 

 

 

Citaten uit 'Heengaan en Terugkomen'  De Wetenschap der Reïncarnatie
Bhaktivedanta Swami Prabhupada

 
 
 

 

Ik geloof dat ik, zoals ik mezelf in de wereld zie bestaan, in deze of gene gedaante altijd zal blijven voortbestaan. Benjamin Franklin.

De ziel kent geboorte noch dood. En eenmaal zijnde, houdt zij nooit op te zijn. Ze is ongeboren, eeuwig, immer-zijnd, onsterfelijk en oorspronkelijk. Ze wordt niet gedood wanneer het lichaam wordt gedood. Bhagavad-gita, II.20

Ik ben ervan overtuigd dat er werkelijk zoiets is als een volgend leven, dat de levenden voortkomen uit de doden en dat de zielen van de gestorvenen voortbestaan. Socrates.

Mijn begin ligt niet bij mijn geboorte en ook niet bij mijn verwekking. Ontelbare myriaden van millennia ben ik al het groeien en me aan het ontwikkelen geweest. (...) Al mijn vorige ego's laten hun stem in me weerklinken en bezorgen me ingevingen (...) Ach, ontelbare malen zal ik wedergeboren worden. Jack London - The Star Rover.

De dood bestaat niet. Hoe kan de dood bestaan als alles deel uitmaakt van de Godheid? De ziel komt nooit te sterven en het lichaam komt nooit echt te leven. Isaac Bashevis Singer - Nobelprijswinnaar.

Hij zag al deze gedaanten en gezichten met hun duizend betrekkingen opnieuw geboren worden. Ze waren stuk voor stuk sterfelijk en gaven een gedreven, pijnlijk beeld van alles wat vergankelijk is. Toch ging geen van hen dood - ze veranderden slechts, werden telkens wedergeboren, kregen steeds een nieuw gezicht: tussen het ene gezicht en het volgende stond slechts de tijd. Herman Hesse - Nobelprijswinnaar.

Zoals we in ons huidige leven duizenden dromen dromen, is dit leven er slechts een van vele duizenden waarin we terecht zijn gekomen uit een ander, werkelijker leven (...) en keren dan na de dood terug. Ons huidige leven is slechts een van de dromen van dat werkelijker leven, en zo gaat het eindeloos door, tot het allerlaatste, het zeer werkelijke leven - het leven van God. Graaf Leo Tolstoi.

In de geschiedenis van het judaïsme en het vroege christendom treft men niet zelden aanwijzingen van de reïncarnatiegedachte aan. De Kabbala, die volgens vele Hebreeuwse geleerden de achter de Schriften verborgen wijsheid bevat, staat vol informatie over vroegere en toekomstige levens. In de Zohar, een van de belangrijkste kabbalistische teksten, heet het: ‘De zielen moeten terugkeren tot de absolute substantie waaruit ze opgedoken zijn. Teneinde dit te realiseren, moeten ze eerst alle vormen van volmaaktheid in zich ontwikkelen, die in aanleg in hen aanwezig zijn. Bereiken ze dit niet in één leven, dan moeten ze een volgend, een derde enzovoort aanvangen, net zolang tot ze de toestand bereikt hebben die hen ervoor geschikt maakt om met God te worden herenigd.’
Het is een geheim van de wereld dat alle dingen voortbestaan en niet sterven, maar alleen even uit het gezicht gaan en later terug komen. (…) Niets is dood: de mensen veinzen dat ze dood zijn en ondergaan schertsbegrafenissen en dito lijkredes, en daar staan ze weer gezond en wel voor een raam naar buiten te kijken in een nieuwe en vreemde vermomming. Emerson

Ik weet dat ik geen dood ken…
Tot dusver hebben we triljoenen
Winters en zomers afgewerkt,
Triljoenen liggen er nog vóór ons en
Verderop nog eens triljoenen.
Walt Whitman – dichter.

Alle menselijke wezens gaan door een vroeger leven (…) Wie weet hoeveel vleselijke gedaanten de erfgenaam van de hemel moet belichamen voordat het tot zijn verstand doordringt van hoe grote waarde die stilte en eenzaamheid zijn wier sterrengewemel slechts het voorportaal naar de geestelijke wereld is. Honoré de Balzac – Frans schrijver

We kennen allemaal wel het gevoel dat ons soms bevangt dat wat we zeggen en doen lang geleden al eens gezegd en gedaan is – dat we door de sluier van eeuwen heen al eens met dezelfde gezichten, dingen en situaties te maken hebben gehad. Charles Dickens.

Ik kon me heel goed indenken dat ik in vroegere eeuwen geleefd zou kunnen hebben en toen met vragen opgescheept werd die ik niet beantwoorden kon. En dat ik wedergeboren moest worden, omdat ik de opdracht die me gegeven was nog niet voltooid had. Jung

De leer van de zielsverhuizing dient ertoe om de mens een aannemelijke verklaring voor de werking van de kosmos te geven. Alleen overijld te werk gaande denkers zullen haar verwerpen op grond van de gedachte dat alles er absurd zou door worden. Thomas Huxley – bioloog

Laten we de zaak onder ogen zien: niemand die zijn verstand bij elkaar heeft kan ‘diep van binnen’ naar zichzelf kijken zonder aan te nemen dat hij altijd al geleefd heeft en altijd zal blijven voortleven. Erik Erikson – psychoanalist.

Ik kan niet geloven dat de mensen elkaar onderling altijd vijandig gezind zullen blijven, en aangezien ik in de leer van de wedergeboorte geloof, koester ik de hoop dat ik, zo niet in dit leven, dan toch in een volgend, de hele mensheid als vriend zal kunnen omhelzen. Mahatma Ghandi

Onze vrienden zijn allemaal zielen die we in vroegere levens al gekend hebben. Zo raken we tot elkaar aangetrokken. Dat gevoel heb ik met vrienden. Het doet er niet toe of ik ze nog maar één dag ken. Ik ga niet zitten wachten tot ik ze twee jaar ken, want we moeten elkaar al eerder hebben gekend, weet je wel. George Harrison – ex-beatle

 

 
 
 
 
 Citaten van Carol Bowman -  Uit "Kinderen uit de hemel"
 
 
 

Als het lichaam sterft, overleeft de ziel. Ieder van ons heeft wel eens een droom, een herinnering of een ervaring die niet anders dan uit een vorig leven afkomstig kan zijn. Ook kinderen ervaren dat. In elk kinderlichaam huist een oude ziel, een ziel die is gereïncarneerd. Dat ontdekte ook de auteur toen haar vierjarige zoontje Chase opeens een onverklaarbare angst voor harde geluiden begon te ontwikkelen. Zijn ouders wisten zich met zijn plotseling fobische gedrag geen raad. Totdat een bevriende therapeut het kind onder hypnose bracht en Chase tot in detail begon te vertellen over zijn vorige leven als soldaat in de Amerikaanse Burgeroorlog. Opnieuw beleefde hij de bulderende kanonnen en het geweervuur, opnieuw sneuvelde hij… Maar toen Chase bijkwam uit de hypnose, was hij van zijn angst verlost.

Verrast en geïnspireerd door deze effectieve en helende therapie besloot Carol Bowman, psychotherapeut, onderzoek te gaan doen naar de herinneringen aan vorige levens van andere kinderen. Op basis van tientallen gesprekken met ouders en hun vaak zeer jonge kinderen ontdekte zij dat gebeurtenissen in vorige levens vaak het gedrag van kinderen bepalen en zelfs de oorzaak van bepaalde ziekten kunnen zijn. Bovendien ontdekte zij dat jonge kinderen heel vaak spontaan – zonder hypnose – spreken over een vorig leven. Daarvoor biedt zij ouders praktisch advies: hoe kun je zo’n herinnering van je kind herkennen, hoe kun je daar het beste op reageren en hoe kun je de ervaring van je kind zo benaderen dat de herinnering een geruststellend en helend effect heeft.

Maar ik weet wel dat er ontelbare mensen zijn die rouwen om een geliefd kind, echtgenoot, vrouw, moeder of vader die in een nieuw lichaam is teruggekomen. Sommige van deze zielen zijn in hun nieuwe incarnatie juist dicht bij de mensen die om hen rouwen, kruisen hun leven onopgemerkt, doen misschien hun eerste onzekere stappen door de kamer terwijl de familie bijeen is rond de kerstboom. Ik weet dat dit gebeurt, maar de mensen zien het niet, omdat ze niet weten dat het kan. Ik denk dat meer mensen zouden kunnen genieten van een onverwachte hereniging met een bekende ziel als ze hun absolute geloofsopvattingen, hun overtuiging dat 'dit gewoon niet kan' eens opzij konden zetten en zich konden openstellen voor het feit dat het misschien tóch wel zou kunnen. Een kleine verandering van opvatting maakt een wereld van verschil.

Uit het verslag van een moeder die een overleden zoon jaren later terug mocht baren in een nieuw lichaam.

'Ik weet niet echt wat het woord reïncarnatie betekent, maar weet wel dat ik er honderd procent zeker van ben dat de geest voortleeft. En dat de geest het leven ondergaat om, door zoveel mogelijk ervaringen op te doen, te leren wat liefde is. We zijn hier om lief te hebben, zodat we verder kunnen gaan naar een hoger plan en dichter bij God kunnen zijn. Alleen daarom zijn we hier en komen we na onze dood weer terug.

Ik zou nog in geen honderd jaar genoeg woorden kunnen vinden om God te danken dat hij me Brent weer heeft teruggegeven. Ik heb veel verkeerde dingen in mijn leven laten gebeuren¹ en heb veel fouten gemaakt. Ik had nooit kunnen denken dat ik zo'n zegen verdiende. Konden andere mensen voor wie het leven vol pijn is dit ook maar ervaren - de kans krijgen om het weer goed te maken - dan zouden ze ondervinden dat dit een absoluut wonder en een godsgeschenk is. Ik heb echter wel geleerd dat ik heel goed moet uitkijken aan wie ik dit vertel. Mijn gelovige vriendinnen denken dat ik gek ben. Ze hebben me gezegd dat er niet zoiets als reïncarnatie bestaat, dat dit het werk van de duivel is en godslastering. Dat is zo naïef. Hoe kan iemand blind zijn voor deze mooie kracht? Het is zo verdrietig dat zo'n wonder van Gods liefde aan hen voorbijgaat.'

¹ Deze moeder baarde Brent toen ze pas 17 was en heeft de jongen, toen hij klein was, schromelijk verwaarloosd.

Uit  "Wie was mijn kind?"

Waarom zou de kerk zich zoveel moeite getroosten om reïncarnatie in diskrediet te brengen? De meest voor de hand liggende verklaring hiervoor is de impliciete psychologie van het begrip reïncarnatie. Iemand die in reïncarnatie gelooft, neemt door middel van wedergeboorte verantwoordelijkheid voor z'n eigen spirituele ontwikkeling. Hij heeft geen priesters, biechten en rituelen nodig om zich tegen verdoemenis te beschermen (allemaal ideeën die, tussen haakjes, niet tot de lering van Jezus behoren). Hij hoeft zich alleen maar te bekommeren om zijn eigen daden, zowel ten opzichte van zichzelf als ten opzichte van anderen. Geloof in reïncarnatie elimineert de angst voor eeuwige hel en verdoemenis, die de kerk gebruikt om de geloofsgemeenschap onder de duim te houden. Met andere woorden: reïncarnatie ondermijnt rechtstreeks de autoriteit en macht van de dogmatische kerk.

 
 
 
 
 
 

Encyclopedie van de Parapsychologie van A tot Z - door Titus Rivas.

 
 
 
 

Uit het hoofdstuk over reïncarnatie, volgend citaat:

Amnesie en ontwikkeling.


Een belangrijke vraag bij het reïncarnatieonderzoek luidt of iedereen reïncarneert. Als dat inderdaad het geval is, is het opvallend dat de meeste van ons zich bewust geen vorige levens herinneren. Sommigen zien deze vergetelheid of amnesie als een positief bijverschijnsel van reïncarnatie dat er voor zou zorgen dat we niet gebukt gaan onder de last van te veel herinneringen. Er kunnen namelijk problemen vastzitten aan het herinneren van vorige levens, zoals fobieën en verslavingen of verwarring rond je geslachtelijke identiteit. Het is echter de vraag of deze wel afhankelijk zijn van bewuste herinneringen en niet ook voor zouden kunnen komen zonder dat iemand bewust weet heeft van hun oorsprong.

Anderen, zoals Jamuna Prasad en het team van Stichting Athanasia, benadrukken echter de voordelen van herinneringen aan vorige levens zoals een weidser, spiritueler perspectief en een bewuste omgang met je verleden voor je huidige geboorte.

Een aannemelijk model van amnesie is dat het een belemmerend gevolg is van reïncarnatie in een babylichaam met onvolgroeide hersenen. De kindertijd zou daarbij gezien kunnen worden als een soort revalidatieperiode die elke nieuwe incarnatie weer terug zou keren. Erg ontwikkelde zielen zouden al tijdens hun kinderjaren opvallen door de snelheid van hun ‘revalidatie’ en het algemene niveau dat ze daarbij aan de dag leggen.

De bewuste vergetelheid zou in sommige gevallen opgeheven worden door psychologische factoren op een moment dat het nieuwe brein dat toelaat. Het zou interessant zijn om deze factoren in kaart te brengen zodat dit proces zich wellicht ook bewust zou laten sturen.

Overigens betekent bewuste amnesie zeker niet dat de herinneringen en persoonlijke ontwikkeling uit vorige levens verdwenen zijn. Het is daarentegen te verwachten dat ze de basis vormen voor verdere ontwikkeling. Er is dus ook zonder bewuste herinnering sprake van een continue persoonlijke ontwikkeling, die Ian Stevenson aanduidt als persoonlijke evolutie.

Karma, een populair traditioneel concept, dat bijna automatisch met reïncarnatie in verband wordt gebracht, blijkt moeilijk te bestuderen in het reïncarnatieonderzoek. Als er al karma bestaat, doet het zich zeker niet op een simpele manier voor, maar is het een over het algemeen erg subtiel proces, zoals Jamuna Prasad stelt.

 
 
 
 

Hoger dan Yoga - Paul Brunton

 
 
 

Het wezen van deze doctrine (Karma) is ten eerste: psychologische reactie, d.w.z. dat gewone gedachten in neigingen overgaan en zodoende ons eigen karakter beroeren; deze worden op hun beurt vroeger of later in daden omgezet, die weer niet alleen andere mensen, maar ook, volgens een mysterieus reactieprincipe, onszelf beïnvloeden. Ten tweede: wanneer dit principe wordt uitgewerkt, leidt het tot de fysieke wedergeboorte, d.w.z. het voortbestaan van de gedachte in de sfeer van de Onbewuste Geest en het vroeger of later weer tevoorschijn treden op aarde van min of meer hetzelfde ‘karakter’ of dezelfde persoonlijkheid. Karma schept de noodzaak voor nieuwe orde en leidt onvermijdelijk tot wedergeboorte, tot een uitlaat voor de dynamische factoren, die in beweging zijn gebracht. De consequentie van dit principe is persoonlijke vergelding, d.w.z. dat daden waardoor wij anderen schaden, onafwendbaar op onszelf terugvallen en derhalve ons schaden, terwijl daden waardoor wij aan anderen goed doen, ons ten slotte ook ten goede komen.

(……..)

Er bestaat niet zoiets als een natuurlijke wet, in de zin van een willekeurig of een autoritair bevel, gegeven door het een of andere hogere wezen. De mens maakt in zijn gedachten een natuurwet, om te kunnen beschrijven hoe een bepaald deel van de natuur zich gedraagt.

Karma is een volmaakt wetenschappelijke wet. Het is een vlechtwerk van drie grote wetenschappelijke ontdekkingen, die in de 19de eeuw werden geverifieerd en verkondigd en opzien baarden door de geduchte mogelijkheden die zij schiepen, met twee andere, die minder sensationeel waren.

De eerste twee waren:
a) de evolutie van de dierlijke en menselijke vormen,
b) het behoud of de onvergankelijkheid van energie.

De eerste bracht al de ontelbare soorten specima in de natuur tezamen tot een soort schema van progressieve vooruitgang, tenslotte een koel berekenende rechtvaardiging gevend voor de zieltogende offering van het individu op het altaar van zijn klasse, terwijl de tweede de verschillende manifestaties van hitte, werk en scheikundige kracht tezamen bracht in een eenvoudig verenigd systeem.

Hoewel modernere zienswijzen de oorspronkelijke verklaring van de methode van deze processen zeer gewijzigd hebben en hoewel het ‘hoe’ van beide toch nog nagenoeg een mysterie is, blijven desondanks hun fundamentele principes onaangeroerd. Het proces der evolutie in de Natuur en het niet verloren gaan van kracht, passen toch beter bij de bekende feiten van de algemene universele beweging dan welke andere hypothese ook.

c) een derde wetenschappelijke leer die moet worden genoemd is die der erfelijkheid. De vormen van het stoffelijk lichaam zijn erfelijk

d) als we verder in tijd terug gaan, dan vinden we een vierde veelbetekenende wetenschappelijke leerstelling. Newton’s derde wet van de beweging toont aan, dat er voor iedere actie een reactie is, die evenredig en tegenovergesteld is.

e) maar daarmee zijn we er nog niet, want er is een vijfde wetenschappelijke ontdekking – die niet over het hoofd gezien mag worden – nl. dat al wat leeft uiteindelijk verbonden is. Het universum vormt één enkel wezen. Alle wetenschappen raken elkaar ergens en niet één kan alleen staan. De eenheid van het universum is de grondwet van haar bestaan.

Als wij al deze wetenschappelijke principes met karma in harmonie brengen, dan zien wij dat zij dit dienovereenkomstig steunen.

De wet der evolutie toont aan, dat het leven de voortzetting is van alles wat eraan vooraf ging. Wij zijn slechts schakels in een lange reeks. We beginnen als primaire moleculen en eindigen als gecompliceerd mens. Wij dringen voorwaarts naar een onzichtbaar doel, omdat wij de behoefte aan vervolmaking voelen. Wij hebben reeds een lange reis afgelegd van de planetaire leem tot aan onze hedendaagse staat. Maar wij zullen nog verder moeten gaan. Want het einde van deze reis zal de sublieme ontdekking zijn, dat de mens niet slechts een cijfer is in de statistische volkstelling, niet slechts een uitzonderlijke aap in de wildernis, maar een bewuste deelhebber aan een gezegende en beminnelijke Werkelijkheid.

Het principe van het behoud van energie bewijst dat geen energie in het proces van haar transformaties verloren kan gaan. En zo kunnen ook de gedachten en daden der mensen – die niets anders dan energiebronnen zijn – niet vernietigd worden; zij herverschijnen in de vorm van hun invloed op anderen en op ons zelf. Zij zijn zaden, die ten slotte ontkiemen tot een manifestatie in tijd en ruimte.

In de erfelijkheidsleer geeft de wetenschap toe dat ieder lichaam voor zijn geboorte een bepaald bestaan heeft gehad. Zo moet ook de geest voor de geboorte een bepaald bestaan gehad hebben. De geestelijke karaktereigenschappen worden overgebracht en kunnen slechts verworven zijn uit een vroeger aards bestaan.

Newton’s wet van actie en reactie verschijnt opnieuw in de wereld der ethiek, waar dezelfde volgorde voor geldt. Wat wij ten opzichte van anderen doen, wordt ons vergolden op de een of andere wijze en te eniger tijd. Het leven betaalt met dezelfde munt die wij gebruiken. Onze misdaden achterhalen ons op de een of andere dag. De goede daden die wij doen, zijn voorboden van het geluk, dat wij tenslotte zullen smaken. Wij krijgen wat wij geven.

De eenheidvormende aard van het gehele universum moet dus ook het leven van de mens omvatten. Iedere schending van deze wet moet, als reactie, vroeger of later zijn eigen straf veroorzaken in de vorm van lijden of tweedracht. Iedere vervulling ervan moet dienovereenkomstig harmonie en geluk brengen. Bovendien is dezelfde individuele eenheid een aanwijzing, dat door de continuïteit van het wereldproces wedergeboorte onvermijdelijk is, omdat ieder levensverschijnsel moet voortkomen uit iets dat vroeger al aanwezig was, omdat het heden niet van het verleden gescheiden kan worden.

Het leven van de mens wordt dus, in grote trekken, een scholing van geest, karakter en kunde. Deze opvoeding voltrekt zich in lange tijdsperiodes in een reeks verwante, stoffelijke reïncarnaties, waarbij in iedere volgende incarnatie geprofiteerd wordt van de ervaringen en overdenkingen in vroegere. Alle leven is leren. Iedere incarnatie is opvoeding. Een nieuw lichaam is als het ware een nieuw bezoek aan de school van het leven. De groei van de geest is de ware biografie van de mens. Alle historie wordt allegorie. Zoals de drie vakken: lezen, schrijven en rekenen de elementaire opvoeding van een schoolkind uitmaken, zo vormen de drie principes: reactie, wedergeboorte en vergelding de elementaire opvoeding in de hogere school van het leven.

Geestelijk richt de worsteling om het bestaan zich eerst tot het zich openbaren en daarna tot het scherpen van het verstand; op ethisch gebied dringt het begrip dat wij zullen oogsten wat wij zaaien langzaam tot ons door; op technisch gebied groeit uit onze ongeoefende middelmatigheid een groter bekwaamheid die zich geleidelijk specialiseert, totdat zij haar hoogtepunt bereikt in het scheppend genie.

De wet van karma is de enige die een redelijke verklaring biedt voor de schadelijke invloeden in het leven, die men anders moet houden voor afschuwelijke producten van louter toeval of de onrechtvaardige bevelen van een willekeurige Godheid. Zonder karma moeten wij deze problemen in vertwijfeling opgeven als zijnde stukken van een volmaakt onoplosbare puzzel.

Uit: Hoger dan Yoga. ( The hidden teaching, beyond Yoga 1951)

 
 
 

Een Heremiet in de Himalaya - Paul Brunton

 
 

 

De leer der herbelichaming hangt in het algemeen samen met het onplezierige begrip der fatalistische vergelding, en ook hieraan is het toe te schrijven, dat vele Westerlingen de aanvaarding der reïncarnatie schuwen, ontzet uitroepend: "Gij verwacht, dat wij boeten voor de zonden van anderen? Wat een onrechtvaardigheid!"

Waarom spreken zij zo?

Alles hierbij is afhankelijk van de vraag wie wij zijn.

Indien wij niets anders zijn dan lichamelijke wezens - die, als vliegen, slechts een korte poos over de aarde gonzen en dan weer verdwijnen - is het protest der Westerlingen in alle opzichten juist.

Zijn wij echter zielen, die telkens op­nieuw deze wereld bevolken, dan krijgt de eis, dat in het éne aardse leven de zonden geboet worden, die in het vroegere begaan zijn, het karakter ener strenge rechtvaardigheid, en het lot, dat zijn stempel op onze levens zet, ver­liest dan den schijn ener blinde en willekeurige macht.

Ik geloof - neen, ik wéét - dat onze bestemming bij God en niet bij de wormen is. Het brein brengt geen gedachte voort, het lichaam geen ziel - evenmin als de telegraafdraad den elektrische stroom. Zoowel brein als lichaam zijn niet meer dan geleiders. die een fijnere en edeler kracht door deze domme materiële wereld doen gaan.

Waren wij louter wezens van vlees en bloed, wier atomen, na onzen dood, zich tezamen met die van anderen tot geheel nieuwe wezens vormden, dan ware het een dwaasheid van die nieuwe wezens te verlangen, dat zij onze misslagen boeten zouden. Doch wij zijn dat plus nog iets anders, en dat andere is 'Bewustzijn. Wij zijn bewuste geesten, dooreen geweven met het gebeente en vlees van ons lichaam.

Die geesten vertegenwoordigen het totaal van onze karak­ters, neigingen en begaafdheden. Zij zijn de ware bronnen van onze handelingen, want zij zijn onze werkelijke persoon­lijkheden, niet onze lichamen. Wanneer wij nu aannemen, dat zij zich van geboorte tot geboorte niet sterk wijzigen, is het niet moeilijk te begrijpen, dat een persoonlijkheid, die haar ziels­angst van het éne lichaam in het andere meedraagt, niet de zonden van een ánder, doch die van zichzélve boet.

Een leer, welke verklaart, dat elke daad haar vruchten moet baren en dat persoonlijk belichaamd leven moet voortduren tot alle gevolgen volbracht zijn, is zeer aannemelijk. Zij is in treffende overeenstemming met alle andere natuurwetten, die in de stoffelijke wereld ontdekt zijn. En zij is zeker méér troostend dan het denkbeeld, dat het leven slechts een loterij is met weinig prijzen en veel nieten. Er is een stroom van gebeurtenissen, die onweerstaanbaar boven onze persoonlijke wensen uitvloeit. De hogere wetten brengen zichzelf tot uitvoering, het is onnodig dat wij tobben. Onredelijk is de jammerlijke lusteloosheid, waarin het Indische volk vaak ver­valt en waaraan het tropisch klimaat met zijn verslappende en uitputtende werking schuld heeft.

De waardeloosheid van een uitsluitend fysisch inzicht wordt klemmender naarmate de vraag omtrent 's levens rechtvaardigheid of onrechtvaardigheid dieper overdacht wordt.

Wij veronachtzamen de geestelijke zijde van het leven en deze is in de ogen der Natuur toch altijd de oorzakelijke. De Natuur heeft rode tanden en rode klauwen, beweren de materialisten, en zij willen daarmede zeggen, dat de Natuur vernietigt.

Doch de Natuur is onze Moeder, en welke moeder straft haar kinderen, zonder hen te willen verbeteren? De Natuur gaat te werk als elke menselijke moeder. Achter onze Aarde staat een besturend verstand en men behoeft slecht een enkelen blik in het rijk der mineralen, planten en dieren te werpen om daarvan overtuigd te worden. En wàt hebben wij jegens de Natuur misdreven, dat Zij zou kunnen wensen ons zonder doel te kastijden en hóé zou met één enkel aards leven de Natuur haar opvoedend plan kunnen voltooien?

Wat is het doel, dat de Natuur zich gesteld heeft? Durf ik het te zeggen? Is het niet te verstrekkend voor de oren der vleselijke wezens? Hoe kan dit verwijderde doel ge­openbaard worden in woorden, die het bereikbaar en redelijk doen lijken?

Het zij voldoende te zeggen, dat het de roeping der Natuur is ons te bevrijden uit de verstrikkingen der materiële wereld en ons terug te voeren naar de geestelijke bronnen, die onze oorsprong zijn, of - om een woord uit den Bijbel te bezigen - ons nog eenmaal den toegang tot den Hof van Eden te ontsluiten.

Als wij ons gehecht hebben aan den tredmolen van het bestaan, die door het lot wordt gedraaid, mogen wij onszelf er óók weer uit losmaken. Dit is de wens der Natuur en vormt ons geluk. Onze wereldse zorgen mogen ons tot verslagenheid voeren, de 'Natuur brengt ons weer vrede. Wij moeten ons terugtrekken uit den cirkel van ons aardse bestaan naar het centrum, uit een volledige onbereidheid tot zelfbespiegeling naar een evenwijdig richten op het eigen innerlijk. Doch zoolang wij het centrum niet gevonden zullen hebben, blijven wij overgeleverd aan de genade der komende gebeurtenissen. Alleen zij zijn verheven boven zorg en vrees, die in het centrum verblijven.

Deze woorden klinken alledaags. Zij zijn het! Want sedert 's werelds vroegste tijdperken zijn zij door èlke Profeet, door èlke Wijze gesproken, en zij zullen herhaald worden tot in alle eeuwigheid. Geen andere verklaring van het doel der Natuur heeft ooit zóólang stand gehouden, of zou dit ooit gekund hebben, omdat zij het antwoord is, dat de Natuur zelf geeft aan hen, die Haar op de juiste wijze vragen.

Eén werkelijkheid is te verkiezen boven veertig veronder­stellingen, en dit nu is de werkelijkheid der Natuur.

De stoffelijke gedaante dezer wereld moet zich eenmaal op­lossen, en onze lichamen mèt haar; nochtans zullen wij blijven.

Doch voor vandaag is hierover genoeg geschreven.

 
 
 
 

Esoterische Psychologie - Thorwald Dethlefsen.

 

De reïncarnatie - ritme van het levende

Alleen hij die door liefde wijs is geworden,
wordt bevrijd van het kruis van oorzaak en gevolg,
waaraan onwetendheid hem sloeg.
Alleen de liefde maakt een eind
aan de rondedans der wedergeboorten.

Hans Sterneder, Der Sang des Ewigen

Al aan het begin van onze overwegingen hadden we het over de wetmatigheden van de polariteit. We herinneren ons hoe een pool altijd haar tegenpool afdwingt en door de voortdurende wisseling van twee polen het ritme, het grondpatroon van het levende ontstaat. Reeds vele duizenden jaren geleden formuleerden de wijzen in Kybalion: 'Niets is in rust, alles beweegt, alles is trilling. Alles vloeit uit en in, alles heeft zijn tijden, alle dingen stijgen en dalen, het zwaaien van de pendel is in alles te zien; de mate van de zwaai naar rechts is de mate van de zwaai naar links: ritme compenseert.'

Ook de moderne natuurkunde heeft zeker nauwelijks bezwaren tegen de bewering: 'Alles is trilling.' De verschillende verschijnselen van het universum onderscheiden zich alleen van elkaar door de mate van trilling, gehoorzamen echter allemaal dezelfde wet van de trilling. We gebruikten als object van waarneming het ritme van de adem en kunnen de hier gevonden wetmatigheden analoog op een iets groter ritme overbrengen: het waak-slaap-ritme. Zoals op het inademen met zekerheid het uitademen volgt, zo volgt ook op het wakker zijn met dezelfde zekerheid de slaap. Slaap dwingt wederom na enige tijd zijn tegenpool, het ontwaken af, net zoals het uitademen een nieuw inademen afdwingt.

In de volksmond heet het: 'De slaap is het broertje van de dood' en deze formulering geeft blijk van het vermogen om in verticale reeksen analogieën te denken. Leven en dood zijn is ook slechts een ritme zoals in- en uitademen, wakker zijn en slapen - alleen de grotere dimensie maakt het voor de mens moeilijker dit te overzien. De ervaring bevestigt ook hier de geldigheid van de wet dat een pool zijn tegenpool afdwingt: leven dwingt sterven af. Het enige zekere bij de geboorte van een levend wezen is het feit dat het ooit zal sterven. Dood volgt op het leven met dezelfde zekerheid als het uitademen op het inademen.

Maar volgens dezelfde wet dwingt het dood-zijn met zekerheid weer leven af. Zo zien we dat de wisseling van leven en dood en leven hetzelfde ritmische beeld oplevert als de wisseling van waken, slapen, waken enzovoort. Leven en dood-zijn zijn polariteiten die zich door hun onophoudelijke wisseling ritmisch in de existentie van alle vormen van bestaan rangschikken. Alle verschijningsvormen gehoorzamen deze wet van de trilling: de getijden van de zee, de jaargetijden, de elektriciteit, de perioden van oorlog en vrede, dag en nacht - overal toont de waarneming ons hetzelfde ritmische spel van de polaire wisseling. Waarom zou uitgerekend de polariteit leven: dood een uitzondering zijn, waarom zou een wetmatigheid die overal valt aan te tonen uitgerekend voor het verschijnsel leven halt houden?

Deze ritmische gang van de ziel door leven en dood noemt men van oudsher zielsverhuizing of reïncarnatie ( = herhaalde vlees­wording). Plato kende die net zo goed als Goethe. Ik zeg opzettelijk 'kende' en niet 'geloofde' - want reïncarnatie is geen kwestie van geloof maar een kwestie van het vermogen tot filosofisch inzicht. Het staat iedereen vrij om aan iets anders dan aan de reïncarnatie te geloven, maar het zou hem duidelijk moeten zijn dat een hypothese zonder reïncarnatie het stempel van het absurde draagt, omdat alleen de reïncarnatie in overeenstemming is met alle wetten van dit universum.

Zo klinkt het heel verwonderlijk wanneer men steeds weer stemmen hoort die bewijzen voor de reïncarnatie eisen. Werkelijkheid bewijst zich door haar bestaan vanzelf en behoeft geen uiterlijk bewijs. Het functionele uiterlijke bewijs, tot kroongetuige van de wetenschappelijke argumentatie verheven, is de grootste vijand van kennis omdat het de ander tot geloof wil dwingen. De uitspraak: 'Ik heb het bewezen', is inhoudelijk gelijk aan: 'Je moet me geloven.' Werkelijkheid behoeft echter geen bewijs omdat ze geen voorwerp van het geloof is. Werkelijkheid werkt in de ervaring van de enkeling en bezorgt daardoor kennis.

Degene die weet, hoeft niet te geloven en wordt onafhankelijk van bewijzen. Een bewering zoals bijvoorbeeld: 'Met de dood is alles voorbij', behoeft een bewijs omdat deze bewering geen deel van de werkelijkheid is en daarom ook geen ervaring kan worden. Binnen de werkelijkheid kan geen gebied worden ontdekt waarop men zou kunnen aantonen dat de natuur processen kent die plotseling in het niets eindigen.

Het lot wordt in zijn geheel pas begrijpelijk tegen de achtergrond van de reïncarnatie. Beschouwt men een leven alleen maar geïsoleerd, dan zou men inderdaad aan de zinrijkheid van de macht van het lot kunnen twijfelen - reden waarom velen daardoor ook vertwijfelen. Het is algemeen bekend dat niet alle mensen in dit leven dezelfde startblokken worden toegewezen - en dat is heel beslist niet de schuld van de maatschappij! Onverschillig vanuit welk gezichtspunt, religieus of atheïstisch: het is tamelijk moeilijk om zonder de reïncarnatie gedachte iemand duidelijk te maken waarom uitgerekend hij stom of verlamd, verminkt of debiel het licht van 'deze beste van alle werelden' aanschouwde. Ook een verwijzing naar de ondoorgrondelijke besluiten van God is niet erg geschikt om in dergelijke gevallen een gevoel van zinrijkheid te geven.

Maar zonder zin wordt het leven ondraaglijk voor de mensen. Het zoeken naar de zin van het leven is een fundamentele behoefte. Pas wanneer de mens bereid is dit leven los te maken uit de isolering van het idee dat het maar eenmaal voorkomt en als onderdeel te zien van een lange reeks, zal hij de zin en de rechtvaardigheid van het lot leren begrijpen. Want het lot van een leven is het resultaat van het leerproces in zijn geheel tot nu toe.

Steeds weer en weer
daal je neer
in de wisselende schoot van de aarde,
tot je geleerd hebt in het licht te lezen
dat leven en sterven een is geweest
en alle tijden tijdloos.
Totdat de moeizame reeks der dingen
tot een permanente ring
zich in jou rijgt ­
in jouw wil is de wil van de wereld,
stilte is in jou - stilte ­ en eeuwigheid.