Apocriefe teksten


Apocrief is een term waarmee bepaalde boeken worden aangeduid die aanspraak maakten om als onderdeel van de Bijbel te worden beschouwd, maar niet in de canon van de Bijbel zijn opgenomen. Daarnaast wordt de term apocrief in algemene zin gebruikt voor iets dat waarschijnlijk niet authentiek is. Het woord 'apocrief' komt van het Griekse: apokruphos, meervoud, apokrupha, dat "geheim", "verborgen" betekent.

Zowel bij het Oude Testament als het Nieuwe Testament bestaan er verschillende apocriefe boeken. Een deel daarvan wordt binnen het christendom wel gebruikt, maar als minder gezaghebbend beschouwd dan de boeken die tot de "canon" behoren. Een ander deel wordt daarentegen binnen het christendom als dwaalleer beschouwd of minstens met enige scepsis bekeken.


Onlangs verscheen 'Het grote boek der Apokriefen' - Jacob Slavenburg - ISBN 9020203576
 
 
Over dit boek
In de eerste eeuwen van het christendom werd er veel geschreven : evangeliŽn, brieven, openbaringen, [ver]handelingen en andere teksten. Slechts enkele daarvan zijn opgenomen in het Nieuwe Testament, dat werd samengesteld toen er al sprake was van een door de orthodoxie gevormde leer.

Veel inspirerende en vaak ontroerende geschriften, getuigenissen van een indringende spiritualiteit, zijn toentertijd door de kerk vernietigd. Een deel van deze boeiende literatuur is teruggevonden.

In dit boek zijn al die Ľgeheimeę teksten gebundeld. Het is daarmee de eerste vrijwel complete uitgave van alle apocriefe geschriften uit de eerste vier eeuwen in de Nederlandse taal.

Jacob Slavenburg is cultuurhistoricus en auteur van toonaangevende werken over het vroegste christendom. Hij is mede-vertaler van de Nag Hammadi-geschriften in het Nederlands.

Nu staat dit merkwaardige - waardevolle boek op mijn boekenplank en af en toe wil ik graag een tekst met u delen.
 
 Agrapha: Jezus-woorden

 
Inleiding

In het Nieuwe Testament zijn uitspraken van Jezus van Na≠zareth opgenomen. Ze zijn bijna allemaal te vinden in de evangeliŽn. Dat zijn echter lang niet de enige uitspraken van Jezus. Andere vroegchristelijke geschriften citeren regelma≠tig ook uitspraken van Jezus, die men aanduidt met agrapha (letterlijk: woorden die niet geschreven zijn - mondeling overgeleverde dus). Ook in theologische verhandelingen van de vroege kerkvaders komen we uitspraken van Jezus tegen die niet terug te vinden Zijn in het Nieuwe Testament. Mo≠derne Bijbelgeleerden gaan er trouwens vanuit dat collecties van uitspraken van Jezus, die eerst mondeling circuleerden en pas later werden opgeschreven, ten grondslag liggen aan de evangeliŽn. Zo zouden de evangelisten MattheŁs en Lucas uitspraken van Jezus niet alleen ontleend hebben aan hun voorganger Marcus, maar ook aan een onbekend gebleven bron, door de wetenschap gedoopt met de naam Q.

De ont≠dekking van de Nag Hammadi-geschriften deed de discussie over de herkomst van de uitspraken van Jezus weer in alle hevigheid herleven. Tussen de ruim vijftig geschriften die een Arabische boer in 1945 in het Egyptische Nijlzand op≠dolf, bevond zich het Evangelie van Thomas met 114 uitspra≠ken van Jezus. Evenals dat het geval bij Q moet zijn geweest, betreft het hier een verzameling losse uitspraken, zonder verder verhaal met (pseudo-)biografische gegevens. Onge≠veer de helft van de uitspraken van Jezus in dat evangelie komen we ook (in niet altijd exact dezelfde vorm) in de Bijbelse evangeliŽn tegen, de andere helft was tot dan toe vol≠slagen onbekend.

Hierna volgen 94 uitspraken van Jezus die niet in deze vorm terug te vinden zijn in de teksten van het Nieuwe Testament. Ze zijn afkomstig uit vroegchristelijke literatuur, zoals apocriefe evangeliŽn en verhandelingen van kerkvaders. Soms ook uit oude Bijbelhandschriften zelf. Buiten deze agrapha zijn er nog de spreuken in het Evangelie van Thomas. Deze hebben wij niet opgenomen, omdat alle bij Nag Hammadi gevonden teksten (waaronder het Evangelie van Thomas) in een aparte band zijn samengebracht.[1] Wel hebben we eerder gevonden Griekse fragmenten van wat later bleek het Evan≠gelie van Thomas te zijn in de verzameling agrapha opgeno≠men.

Waarom ik deze tekst heb geplaatst: Elke Jezus-uitspraak kan, stuk voor stuk, gekozen worden als basis voor een meditatieve overdenking; iets wat trouwens ook het geval is met de logia uit Het Thomas-Evangelie.  

 

 
 
Agrapha: Jezus-woorden


(Jezus zei:) Wees barmhartig opdat je barmhartigheid ont≠vangt; vergeef opdat je vergeven wordt. Zoals je doet zal je teruggedaan worden, zoals je geeft zul je ontvangen; zoals je oordeelt word je geoordeeld; in de mate waarin je zelf goed bent, ontvang je ook goedheid. Met de maat waarmee je meet word je ook gemeten.[2]

(Jezus zei:) Zegen hen die je vervloeken, bid voor je vijanden en vast voor hen die je vervolgen ... Heb lief die je haten en je zult geen vijand meer hebben.[3]

(Jezus zei:) Bid voor je vijanden. Want hij die niet tegen je is, is voor je. Hij die vandaag ver is, zal je morgen nabij zijn.[4]

(Jezus zei:) Bid voor je vijanden, zegen hen die je beschim≠pen, opdat je goed moge worden als je Vader in de hemel. [5]

(Jezus zei:) Wees barmhartig, opdat jullie barmhartigheid zullen ontvangen. Vergeef, opdat je vergeving ontvangt. [6]

(Jezus zei:) Wat je niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet.[7]

(Jezus zei:) Als je broeder door een woord gezondigd heeft en hij heeft je genoegdoening gegeven, neem het aan, zeven≠maal per dag.[8]

(Jezus zei:) Als je het kleine niet bewaart, wie zal je dan het grote geven? Want ik zeg je: wie in het allerkleinste trouw is, zal ook in het grote trouw zijn. [9]

(Jezus zei:) Een van de grootste misstappen is verdriet doen aan de Geest van je broeder.[10]

(Jezus zei:) Nooit zullen jullie blij zijn als je niet vol liefde naar je broeder kijkt.[11]

(Jezus zei:) Laat de zon niet ondergaan over je boosheid.[12]

(Jezus zei: ) Het is zaliger te geven dan te ontvangen.[13]

(Jezus zei:) Heb berouw, zodat ik je zonden mag vergeven.[14]

(Jezus zei:) Streef ernaar hem te redden die je kan volgen en hem op te zoeken en van binnenuit met hem te spreken.[15]

(Jezus zei:) Denk niet dat ik gekomen ben om jullie bij mijn Vader aan te klagen. Mozes, op wie jullie je hoop hebben ge≠vestigd, is het die jullie aanklaagt.[16]

(Jezus zei:) Om de zwakken was ik zwak, om de hongerigen was ik hongerig en om de dorstigen was ik dorstig.[17]

(Jezus zei:) Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, maar om hen (de mensen) in ootmoed te onderrichten en hen te redden; en om een voorbeeld voor mijn leerlingen te zijn, zodat zij mogen handelen als ik.[18]

(Jezus zei:) Ik heb de wereld aangevat en ik ben erachter gekomen dat er geen greintje leven in zit.[19]

(Jezus zei:) Ik ben niet gekomen om de wet te vervullen, maar om deze teniet te doen.[20]

(Jezus zei:) Ik ben gekomen om de offers af te schaffen. Als jullie niet ophouden met het brengen van offers, zal de toom niet van jullie wijken.[21]

Jezus de profeet zei: De Heer schonk mij de kracht om doden tot leven te brengen en blinden ziende te maken en doofgeborenen te laten horen, maar hij gaf me niet de kracht om een dwaas te genezen.[22]

(Jezus zei:) Zo is ook de Zoon van de Mens gekomen: als verver.[23]

(Jezus zei:) Ik ben de poort van het leven; degene die door mij naar binnengaat, gaat het leven binnen.[24]

(Jezus zei:) Ik ben in jullie en jullie zijn in mij, zoals de Vader in mij is en in jullie, zonder gebreken.[25]

(Jezus zei:) Ik ben jou en jij bent mij, en waar jij bent daar ben ik. Ik ben in alle dingen gezaaid. Waar je maar wilt zul je mij oogsten. En als je mij oogst, oogst je jezelf.[26]

(Jezus zei:) Op dat moment nam mijn moeder, de Heilige Geest, mij bij een van mijn haren en voerde mij naar de grote berg Tabor.[27]

(Jezus zei:) Zoals ik je aantref, zo zal ik je ook beoordelen.[28]

(Jezus zei:) Ik ben jullie nabij als de kleding om jullie lichaam.[29]

(Jezus zei:) Hij die zoekt zal niet ophouden met zoeken, totdat hij vindt. En als hij gevonden heeft, zal hij verwonderd zijn. En als hij verwonderd is, zal hij koning zijn (over zichzelf). En als koning zal hij rust vinden.[30]

(Jezus zei:) Laat hij die weet zoeken en vinden en zich ver≠heugen.[31]

(Jezus heeft gezegd:) Hij die zich dienstbaar maakt zal aan≠genomen worden, hij die [zich verheft] zal [vernederd wor≠den, hij die] sterft zal leven, hij die werkt zal rust hebben.[32]

(Jezus zei:) Zoek om van klein groter te worden, niet om van groter klein te worden.[33]

(Jezus zei:) Vraag om het grote, dan zal je het kleine erbij gegeven worden.[34]

(Jezus zei:) Zalig zijn zij die worden vervolgd, want zij zullen rusten in het licht. Zalig zijn zij die hongeren en dorsten, want zij zullen verzadigd worden.[35]

(Jezus zei:) De zwakke zal gered worden door de sterke.[36]

(Jezus zei:) Er zullen scheuringen en partijen zijn.[37]

(Jezus zei:) Geef het kwade geen kans.[38]

(Jezus zei:) Geef niet wat heilig is aan de honden. Didache 9.5.[39]

(Jezus zei:) Bedroef de Heilige Geest in je niet en doof niet het licht dat in je schijnt.[40]

(Jezus zei:) Als je weet wat je doet ben je gelukzalig, als je het niet weet ben je vervloekt en een overtreder van de wet.[41]

(Jezus zei:) Eenieder die heeft vervloekt, kwaad geworden is of een gebrek bij zichzelf heeft gevonden en dat niet heeft verwijderd, zal de volmaaktheid niet bereiken.[42]

(Jezus zei:) Kleine kinderen onderwijzen grijsaards. Zesjarigen onderwijzen zestigjarigen.[43]

(Jezus zei:) Hij die spreekt is ook hij die hoort, en hij die ziet is ook hij die openbaart.[44]

(Jezus zei:) Als iemand zijn ziel richt op de hoogte, dan zal hij verhoogd worden.[45]

(Jezus zei:) Waar je bewustzijn is, daar is je schat.[46]

(Jezus zei:) Als iemand niet in de duisternis staat, zal hij niet in staat zijn het licht te zien.[47]

(Jezus zei:) Als iemand niet begrijpt hoe het vuur ontstond, zal hij erin opbranden, omdat hij de wortel ervan niet kent.[48]

(Jezus zei:) Als iemand niet begrijpt waar de wind die blaast vandaan komt, zal hij erin meelopen.[49]

(Jezus zei:) Als iemand niet begrijpt hoe het lichaam dat hij draagt is ontstaan, zal hij erin omkomen.[50]

(Jezus zei:) Hij die de wortel van het slechte niet leert kennen, kan er ook geen vreemde voor worden.[51]

(Jezus zei:) Wie sterft zal leven, wie zichzelf gering maakt, zal verhoogd worden.[52]

(Jezus zei:) Wie naar mij luistert en handelt naar wat ik aangeef, luistert naar Hem die mij gezonden heeft.[53]

(Jezus zei:) Het goede is voorbestemd om tot aanzijn te komen; gezegend hij door wie het verschijnt. Het kwade is ook bestemd om plaats te vinden; wee degene door wie dat komt.[54]

(Jezus zei:) Het is noodzakelijk voor goede dingen om tot aan≠zijn te komen, en gezegend is degene door wie ze verschijnen. Zo is het eveneens noodzakelijk dat slechte dingen tot aanzijn komen, maar wee degene door wie ze verschijnen.[55]

(Jezus zei:) Vraag het je moeder. Zij zal je geven van de dingen van een ander.[56]

(Jezus zei:) Wat uit de waarheid geboren is zal niet sterven; wat uit een vrouw geboren wordt sterft.[57]

(Jezus zei:) Ik weet dat jullie in staat zijn alles in vreugde te doen. Want de mens is onvoorwaardelijk vrij.[58]

(Jezus zei:) Gezegend zijn zij, die niet hebben gezien, maar toch hebben vertrouwd.[59]

(Jezus zei:) Ken dat wat voor je aangezicht is, en wat voor je verborgen is zal je geopenbaard worden.[60]

(Jezus zei:) Word beproefde geldwisselaars.[61]

(Jezus zei:) Zalig is hij die zijn eigen ziel zal leren kennen.[62]

(Jezus zei:) Red jezelf en je ziel.[63]

(Jezus zei:) Hij die zichzelf alleen vanbuiten ziet en niet vanbinnen, maakt zichzelf klein en ook anderen klein.[64]

(Jezus zei:) Ga staan op de plaats die je kunt bereiken.[65]

(Jezus zei:) Waar je hart is, daar zal je bewustzijn zijn.[66]

De Verlosser zei: Waar je hart is, daar zal je schat zijn.[67]

(Jezus zei:) God wil genade, geen offeranden; en zelfkennis, geen brandoffers.[68]

(Jezus zei:) Luister naar het woord! Versta de gnosis! Bemin het leven. Niemand zal jullie achtervolgen en niemand zal jullie kwellen, anders dan jullie zelf![69]

(Jezus zei:) Gelukkig hij die al bestond vůůr hij werd. Want hij die bestaat, is geworden en zal zijn.[70]

(Jezus zei:) Als iemand niet alles wat hij heeft opgeeft, zijn kruis opneemt en mij navolgt, is hij mij niet waardig.[71]

(Jezus zei:) Gezegend is hij die de wereld gekruisigd heeft en niet heeft toegestaan dat de wereld hem kruisigde.[72]

(Jezus zei:) Als je de werken die niet in staat zijn je te volgen, achterlaat, dan zul je rusten.[73]

(Jezus zei:) Voor hem die het leven zoekt, is er de rijkdom daarvan. Want het genot van de wereld is vals en haar goud en zilver zijn dwalingen.[74]

Jezus zei: De zoeker naar de wereld is als de (man) die uit de zee wilde drinken; hoe meer hij dronk, hoe dorstiger hij werd -. tot hij er uiteindelijk aan stierf.[75]

Jezus zei: De wereld is een brug. Ga erover. Blijf er niet op hangen.[76]

(Jezus zei:) Als jullie aan mijn borst rusten, maar niet de wil van mijn Vader in de hemel doen, zal ik jullie van mijn borst stoten.[77]

(Jezus zei:) Als je de afgunst uit jezelf verwijdert, zul je jezelf met licht bekleden en binnentreden in het bruidsvertrek.[78]

(Jezus zei:) Als twee met elkaar overeenstemmen zal hun wat het ook moge zijn waar ze naar vragen, gegeven worden. En als zij tegen een berg zeggen dat hij verplaatst wordt en in zee valt, dan zal dat gebeuren.[79]

(Jezus zei:) Waar de liefde klein is, zijn alle werken onvolkomen.[80]

(Jezus zei:) U die het volkomene, het licht, verenigd heeft met de Heilige Geest, verenig ook de engelen met ons, de af≠beeldingen daarvan.[81]

(Jezus zei:) Ik ben gekomen om de dingen van beneden gelijk te maken aan de dingen van boven, en de dingen vanbuiten aan de dingen vanbinnen. Ik ben gekomen om ze op die plaats te verenigen.[82]

(Jezus zei: ) Jullie zullen het kennen als jullie het kleed der schaamte met jullie voeten hebt vertrapt en wanneer de twee geworden zijn tot één en het mannelijke en het vrouwelijke niet langer mannelijk en vrouwelijk zijn.[83]

(Jezus zei: ) De wereld en het koninkrijk zijn als twee vrouwen die door één man tegelijkertijd behaagd pogen te worden. Als de een geamuseerd is, is de ander verveeld.[84]

(Jezus zei:) Als je niet herboren wordt, zul je het Koninkrijk der hemelen niet binnengaan.[85]

(Jezus zei:) Zij die het waardig zijn, zullen deze dingen (het Koninkrijk) zien.[86]

(Jezus zei:) Niemand kan het Koninkrijk binnengaan die niet (eerst) in verzoeking is gebracht.[87]

(Jezus zei:) Zoek het Koninkrijk der hemelen en je zult alles erbij krijgen. Want waar de schat is, daar is het bewustzijn van de mens.[88]

(Jezus zei:) Zie, het Koninkrijk der hemelen is binnen in ons. Zie, het is (ook) buiten ons. Als we erop vertrouwen, zullen we er voor eeuwig in leven.[89]

(Jezus zei:) Niet hij die 'Heer, Heer' roept zal het rijk der hemelen binnengaan, maar hij die de wil van mijn Vader vol≠brengt.[90]

(Jezus zei:) Waarlijk, ik zeg jullie: niemand zal het Koninkrijk der hemelen enkel en alleen op mijn verzoek binnentreden, doch alleen als hij zelf vervuld is.[91]

(Jezus zei:) Ieder is meester van zijn eigen huis. Kom in het huis van de Vader, maar neem er niets uit weg.[92]

(Jezus zei:) Sommigen zijn lachend het Koninkrijk der hemelen binnengegaan, want ze kwamen lachend uit deze wereld.[93]

(Jezus zei:) Wie mij nabij is, is dicht bij het vuur. Wie ver van mij is, is ver van het Koninkrijk.[94]

 

[1] J. Slavenburg en W.G. Glaudemans, De Nag Hammadi-geschriften, Deventer 2004.

[2] Eerste brief van Clemens 13.1-2. Het lijkt hier een van de Bijbelse evangeliŽn onafhankelijke overlevering. Zie de niet altijd even nauwe parallellen bij MattheŁs 5.7 en Lucas 6.31, 36-38.

[3] Didache (Leringen van de twaalf apostelen) 1.3. Deze overlevering is met enige onderlinge afwijkingen ook te vinden bij onder anderen Justinus Martyr, Eerste Apologie 1.15.9, en Justinus Martyr, Dialoog met Trypho 133.6, en in de Didascalia 5.14.

[4] Papyrus Oxyrhynchus 1224.

[5] Psalm 239, Manichees Psalmboek. Deze uitspraak kent veel parallellen in de vroegchristelijke literatuur, zoals in Didache 1.3, Didascalia 5.14 en in de geschriften van Justinus Martyr. Zie ook de Roman van pseudo-Clemens, HomilieŽn 13.32.

[6] Clemens van AlexandriŽ, Stromateis 2.18.91. Zie ook psalm 239 uit het Manichees Psalmboek: (Jezus zei:) 'Laten we barmhartig zijn jegens elkaar, opdat we zelf barmhartigheid mogen ontvangen. Laten we elkaar vergeven, opdat we zelf vergeven mogen worden.'

[7] Didache 1.2. Zie ook de nauwe parallel met Epistula Apostulorum 18.

[8] Evangelie van de Nazorenen (bij Hieronymus Adv.Pelagianum 3.2). Zie MattheŁs 18.21-22 en Lucas 17.4. Zie ook Liber Graduum 2.4.6.

[9] Tweede brief van (pseudo-)Clemens 8.5. Zie ook Irenaeus, Adv. Haer. 2.34.3.

[10] Evangelie van de HebreeŽn (bij Hieronymus, Comm. op EzechiŽl 6).

[11] Evangelie van de HebreeŽn (bij Hieronymus, Comm. op Efezen 3.5).

[12] Dialoog van Adamantius 13 en 30; Brief van Polycarpus aan de Filippenzen 12.1; Clemens van AlexandriŽ, Stromateis 5.5.27; Didascalia 2.53 en Apostolische Constituties 2.53. Zie ook Efezen 4.26.

[13] Handelingen 20.35.

[14] Allberry, Manichees Psalmboek 11, p.39.19-22 (Psalm 139).

[15] Gesprek met de Verlosser (Nag Hammadi-geschriften) 44.

[16] Papyrus Egerton 2, 1v.

[17] Origenes, Comm. op Matt. 13.2.

[18] Liber Graduum 2.2.

[19] Allberry, Manichees Psalmboek II, p.223 (Psalm van Thomas). Zie ook het evangelie van Thomas 56, 80 en 111: Jezus zei: 'Wie de wereld heeft leren kennen heeft een dood lichaam gevonden; en wie een dood lichaam heeft gevonden, hem is de wereld niet waardig.'

[20] Dialoog van Adamantius 2.5.

[21] Evangelie van de Ebionieten bij Epiphanius, Panarion 30.14.5.

[22] Razi, Marmuzat-e asadi, 115.

[23] Evangelie volgens Filippus (Nag Hammadi-geschriften) ß45 (paragrafering volgens de afgedrukte tekst van dit evangelie in J. Slavenburg/W.G. Glaudemans, De Nag Hammadi-geschriften, Deventer 2004, p.317-362).

[24] Roman van pseudo-Clemens, HomilieŽn 3.52.

[25] Tweede Verhandeling van de Grote Seth (Nag Hammadi-geschriften). Zie Pistis Sophia 96: 'En voorwaar, ik zeg jullie: die mensen zijn ik en ik ben hen.'

[26]  Evangelie van Eva bij Epiphanius, Panarion 26.3.1. Zie ook het Evangelie van Thomas 77: 'Kloof een stuk hout en ik ben daar, til een steen op en jullie zullen mij daar vinden.'

[27] Evangelie van de HebreeŽn bij Origenes, Comm. op Joh. 2.12 en Hom. op Jer. 15.4. Zie ook Hieronymus, Comm. op EzechiŽl 16.13, Comm. op Micha 7.5-7 en Comm. op Jesaja 40.9-11.

[28] Justinus, Dialoog 47.5.

[29] Psalm 239 uit het Manichees Psalmboek. Zie ook MattheŁs 28.20: (Jezus zei:) 'Weet wel, ik ben met jullie, alle dagen tot aan de voleinding van de wereld.'

[30] Evangelie van de HebreeŽn (bij Clemens van AlexandriŽ, Stromateis 5.14.96 en 2.9.45). Zie ook het Evangelie van Thomas 2 (aanvulling met Pap.Ox. 654.9): 'Laat hij die zoekt niet ophouden met zoeken, totdat hij vindt en als hij vindt zal hij verontrust worden en als hij verontrust is zal hij zich verwonderen en hij zal over het Al heersen en rust vinden.'

[31] Gesprek met de Verlosser 20 (Nag Hammadi-geschriften). Zie de parallel met het Evangelie van Thomas 2: 'Laat hij die zoekt niet ophouden met zoeken, totdat hij vindt...'

[32]  Allberry, Manichees Psalmboek II, p.159.15-16.

[33] Codex D, CP, en enkele andere Bijbelhandschriften na MattheŁs 20.28.

[34] Clemens, Stromateis 1.24.158.2, Origenes, Selectie uit Psalmen 4.4 en Op het gebed 2.2 en 14.1, Eusebius, Over Psalmen 16.2, Ambrosius, Brief 1.36.3 aan Horantianus.

[35] Mani, ongepubliceerde brief bij BŲhlig, BSAC XV, 57 n.5.

[36] Apostolische Kerkverordeningen 26.

[37] Justinus, Dialoog 35.3.

[38] Roman van pseudo-Clemens, HomilieŽn 19.2.4.

[39] Didache 9.5.

[40] Pseudo-Cyprianus, De aleatoribus 3.

[41] Codex Bezae Cantabrigensis bij Lucas 6:4.

[42] Liber Graduum 2.4.1.

[43]  Psalm van Heracleides ( Manichees Psalmboek 192)

[44] Gesprek met de Verlosser 12

[45] Gesprek met de Verlosser 18

[46] Manicheese Psalm 294. Dezelfde woorden worden weergegeven in de geschriften van Justinus Martyr, Eerste Apologie 15.16, Clemens van AlexandriŽ, Stromateis 7.12.77.6 en Hoe een rijke zalig wordt 17.1. In het Evangelie volgens Maria (Magdalena) zegt Jezus tegen Maria: '... daar waar het bewustzijn is, daar is je schat' (BC1, 10).

[47] Gesprek met de Verlosser 35.

[48] Gesprek met. de Verlosser 35.

[49] Gesprek met. de Verlosser 35.

[50] Gesprek met de Verlosser 35.

[51] Gesprek met de Verlosser 35.

[52] Allberry, Manichees Psalmboek, p.93.10.

[53] Justinus, Eerste Apologie 16.10.

[54] Allberry, Manichees Psalmboek 11, p.39. (Psalm 239). Zie ook de Roman van pseudo-Clemens, HomilieŽn 12.29.

[55] Roman van pseudo-Clemens, HomilieŽn 12.29. Zie,ook Psalm 239 uit het Manichees Psalmboek.

[56] Evangelie volgens Filippus ß27.

[57] Gesprek met de Verlosser 59. Zie ook het Evangelie van de Egyptenaren bij Clemens van AlexandriŽ, Stromateis 3.6.45.

[58]  Evangelie van de Verlosser 98.

[59] Geheime Boek van Jacobus (Nag Hammadi-geschriften). Zie ook de apocriefe brief van Jezus aan koning Abgar en de Epistula Apostolorum.

[60] Mani, Kephalaia 65. Zie ook het Evangelie van Thomas 5: Jezus zei: 'Ken dat wat voor je aangezicht is en wat voor je verborgen is zal je geopenbaard worden. Want er is niets verborgen dat niet openbaar zal worden.'

[61] Roman van pseudo-Clemens, HomilieŽn 2.51. Deze uitspraak komt inde vroegchristelijke literatuur zo'n zeventig keer voor, te beginnen bij Origenes, Comm. op Joh.

[62] Psalm van Thomas (Manichees Psalmboek 13).

[63] Clemens van AlexandriŽ, Excerpta ex Theodoto 2.2.

[64] Turfan fragment M 801 (W. Hennig, Ein manichšisches Bet- und Beichtbuch, p.34).

[65] Gesprek met de Verlosser 78:

[66] Mani, Kephalaia 98. Zie ook Pistis Sophia 90.

[67]  Mani, Kephalaia 89.3-4 (zie ook 91.8-10)

[68] Roman van pseudo-Clemens, HomilieŽn 3:56.

[69] Geheime Boek van Jacobus.

[70] Evangelie volgens Filippus ß47. In het Evangelie van Thomas zegt Jezus: 'Gelukzalig is hij die was, voordat hij werd.'

[71] . Liber Graduum 3.5. Zie ook 20.15 en 30.26.

[72] Boek van Jeu 1.1. Zie de vrij nauwe parallel met Galaten 6.14.

[73] Gesprek met de Verlosser 68.

[74] Gesprek met de Verlosser 70.

[75] Abu Hamid al-Ghazali, Ihya' 3.212.

[76] Abu Hamid al-Ghazali, Ihya' 4.218. Op het portaal van een moskee in Fathpur-Sikri is de inscriptie te lezen: 'Jezus over wie vrede zij, heeft gezegd: De wereld is een brug. Ga er over, maar ga er niet op zitten.' In het Evangelie van Thomas, 42 zegt Jezus: 'Wordt voorbijgangers.'

[77] Evangelie van de Nazorenen in handschrift 1424 bij MattheŁs 7.5.

[78] Gesprek met de Verlosser 50.

[79] Didascalia 3.6. In het Evangelie van Thomas komen twee soortgelijke logia voor: Jezus zei: 'Als er twee met elkaar vrede maken in dit ene huis, zullen zij tot de berg zeggen: verplaats u! En hij zal zich verplaatsen' (48). Jezus zei: 'Als jullie de twee tot één maken, zullen jullie zonen des mensen worden; en als jullie zeggen: berg verplaats je, zal hij zich verplaatsen' (106).

[80] Turfan fragment M 801 (W. Hennig, Ein manichšisches Bet- und Beichtbuch, p.37).

[81] Evangelie volgens Filippus ß22.

[82] Evangelie volgens Filippus ß56. In het Evangelie van Thomas 22 zegt Jezus: Als jullie de twee één maakt en als jullie het innerlijk maakt als het uiterlijk, en het uiterlijk als het innerlijk en het boven als het beneden, en als jullie het mannelijke en het vrouwelijke tot één maakt, zodat het mannelijke niet mannelijk zal zijn en het vrouwelijke (niet) vrouwelijk... dan zullen jullie binnengaan in het Koninkrijk. Een soortgelijke uitspraak vinden we ook in het Evangelie van de Egyptenaren, in de (tweede) brief van (pseudo-)Clemens van Rome, in de Handelingen van Petrus, in de Handelingen van Filippus en in de Handelingen van Thomas.

[83] Evangelie van de Egyptenaren bij Clemens van AlexandriŽ, Stromateis 3.13.92.2. Zie ook 2 Clemens 12.2, waar Jezus zegt dat het Koninkrijk zal komen' als de twee tot één geworden zijn en het binnen als het buiten en het mannelijke en het vrouwelijke niet langer mannelijk en vrouwelijk zijn'. Zie ook het Evangelie van Thomas 22.

[84] Abu Hamid al-Ghazali, Ihya' 3.18.

[85] Overgeleverd door Justinus Martyr, Eerste Apologie 61.4. Zie ook de Roman van pseudo-Clemens, HomilieŽn 11.26: 'Waarlijk, ik zeg jullie: Als jullie niet wedergeboren worden door het levende water in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige geest, zullen jullie het koninkrijk der hemelen niet binnen gaan.' Zie ook Johannes 3.3-5.

[86] Overgeleverd door Hippolytus (Comm. op DaniŽl 4.60). Ook Papias geeft deze uitspraak (bij Irenaeus, Adv.Haer. 5.33.4).

[87] Tertullianus, De Baptismo 20.2.

[88] Justinus, Eerste Apologie 15.16.

[89] Allberry, Manichees Psalmboek 11, p.160. Zie ook het Evangelie van Thomas 3: '... het Koninkrijk is binnen in jullie en buiten jullie. Als jullie jezelf kennen zullen jullie ook gekend worden en zullen jullie weten dat jullie zonen van de levende Vader zijn. Maar als jullie jezelf niet kennen, dan zullen jullie in armoede zijn; dan zijn jullie de armoede.'

[90]  Justinus, Eerste Apologie 16.9.

[91] Geheime Boek van Jacobus.

[92] Evangelie volgens Filippus ß15.

[93] Evangelie volgens Filippus ß76.

[94] Origenes, Hom. in Jer. 3.3, zie ook het Evangelie van Thomas 82.
 
 
 
 
 De Mystieke Theologie

door: Pseudo-Dionysius de Areopagiet
(anoniem auteur uit de 4de, 5de, vermoedelijk 6de eeuw na Chr.)



Hoofdstuk 1



Drievuldigheid! Hoger dan enig wezen,
enige godheid, enige goedheid!
Leidraad voor de christenen
naar de hemelse wijsheid!
Leid ons voorbij het niet-kennen en het licht
tot de verste, hoogste top
van 't mystieke schrift,
waar de mysteries van Gods Woord
eenvoudig, absoluut en onveranderlijk
in de schitterende duisternis
van een verborgen stilte liggen.
Te midden van de diepste schaduw
gieten ze overweldigend licht
op het meest in het oog springende.
Te midden van de geheel en al ongevoelde
en ongeziene
vullen ze onze gezichtsloze geesten volledig
met schatten voorbij alle schoonheid.



1. Daarvoor bid ik; en TimotheŁs, mijn vriend, mijn raad aan jou als je op zoek bent naar een aanblik van de verborgen dingen, is al het waargenomene en begrepene, al het waarneembare en begrijpbare, al wat niet is en al wat is achter je te laten en, terwijl je je begrip hebt laten varen, zoveel als je kan opwaarts te streven naar vereniging met Hem die voorbij al het zijn en alle kennis is.  Door jezelf en al de rest onverdeeld en absoluut te verliezen, alles afwerpend en vrij van alles, zal je verheven worden tot de stralende lichtbundel van de goddelijke schaduw die is boven alles wat bestaat.

2. Maar zie goed toe dat niets hiervan degenen die niet op de hoogte zijn ter ore komt, dat wil zeggen, zij die met wereldse zaken bezig zijn, die zich verbeelden dat er buiten gevallen van individueel bestaan niets anders is en die denken dat ze door hun eigen intellectuele (hulp)middelen een rechtstreekse kennis kunnen verwerven van hem die de schaduwen tot zijn schuiloord heeft gemaakt. En als inwijding in het goddelijke voorbij de mogelijkheden van zulke lieden ligt, wat moet er dan gezegd worden van die anderen, nog minder op de hoogte, die de transcendente Oorzaak van alle dingen beschrijven in termen die afgeleid zijn van de laagste trappen van bestaan, en die beweren dat deze op geen enkele wijze superieur is aan de goddeloze, veelvormige afbeeldingen die ze zichzelf geschapen hebben ?

Wat er in feite moet gezegd worden over de Oorzaak van alles is dit : daar het de Oorzaak van alle bestaan is, zouden we alle bevestigingen die we maken met betrekking tot levende wezens eraan moeten toekennen en als feit moeten aannemen, en nog gepaster, we zouden al deze bevestigingen moeten ontkennen, daar ze voorbij al het zijnde gaat. Nu moeten we niet besluiten dat de negaties simpelweg het tegenovergestelde van de affirmaties zijn, maar eerder dat de oorzaak van alles aanzienlijk hieraan voorafgaat, en voorbij ontberingen, voorbij elke ontkenning, voorbij elke bevestiging gaat.

3. Dit is tenminste wat geleerd werd door de gezegende Bartholomeus. Hij zegt dat het Woord van God kolossaal en minuscuul is, dat het Evangelie breed opgezet en toch begrensd is. Mij lijkt het dat hij hierin buitengewoon scherpzinnig is, want hij heeft begrepen dat de goede oorzaak van alles tegelijk welsprekend en zwijgzaam is, inderdaad onuitgesproken. Ze bedient zich van het woord noch van het begrip, aangezien ze zich op een niveau bevindt dat hoger is dan dit alles, en ze enkel geopenbaard wordt aan hen die in voor- en tegenspoed reizen, die voorbij de top van elke heilige beklimming gaan, die elk goddelijk licht achter zich laten, elke stem, elk hemels woord, en die in de duisternis duiken waar volgens de schrift de Ene verblijft die voorbij alle dingen is.

Het is niet voor niets dat de gezegende Mozes bevolen wordt zich eerst aan een purificatie te onderwerpen en vervolgens zich te scheiden van hen die dit niet hadden ondergaan. Wanneer elke purificatie compleet is, hoort hij de veelstemmige trompetten. Hij ziet de vele lichten, puur en met overvloedig stromende bundels. Dan, afgezonderd van de menigten en vergezeld van uitgekozen priesters, stoot hij door tot de top van de goddelijke beklimmingen. En vooralsnog ontmoet hij God zelf niet, maar hij contempleert, niet hem die onzichtbaar is, maar eerder waar hij verblijft. Dit betekent, veronderstel ik, dat de heiligste en hoogste van de dingen die door het oog van het lichaam of het verstand waargenomen worden slechts de logische basis zijn die al datgene vooronderstelt dat onder de Transcendente Ene ligt. Doorheen hen echter wordt zijn onvoorstelbare aanwezigheid getoond, de hoogten bewandelend van die heilige plaatsen waarnaar de geest tenminste wel opklimmen kan. Maar dan maakt hij (Mozes) zich van hen los, weg van wat ziet en gezien wordt, en duikt hij in de ware mysterieuze duisternis van het niet-kennen. Hier, verzakend aan alles wat het verstand kan bevatten, geheel gehuld in het ontastbare en onzichtbare, behoort hij volledig toe aan hem die zich voorbij alles bevindt. Hier, zichzelf zijnd noch iemand anders, voelt men zich in de hoogste graad verenigd door een compleet niet-kennende inactiviteit van alle kennis en kent men voorbij het verstand door niets te kennen.

 
Hoofdstuk 2

Hoe men verenigd zou moeten zijn en lof zou moeten betuigen aan de Oorzaak van alle dingen die voorbij alle dingen is.

Ik bid dat we tot deze duisternis kunnen geraken, zo ver boven het licht! Ontbrak het ons maar aan zicht en kennis, om zo niet-ziende en niet-kennend dat te zien en te kennen wat voorbij elk zien en elke kennis ligt. Want dit zou werkelijk zien en kennen zijn : de Transcendente Ene te loven op een transcendente wijze, namelijk door de ontkenning van al het zijnde. We zouden als beeldhouwers zijn die zich ten doel stellen een standbeeld te beeldhouwen. Zij verwijderen alles wat een obstakel vormt voor de klare kijk op het verborgen beeld, en eenvoudigweg door deze daad van wegkappen halen ze de schoonheid die erin verborgen is boven.

Me dunkt nu dat we de ontkenningen anders zouden moeten loven dan we met de bevestigingen doen. Wanneer we bevestigden begonnen we met de eerste zaken, zakten we verder af naar de tussenliggende termen tot we aan de laatste zaken kwamen. Maar als we nu van de laatste zaken naar de meest elementaire opklimmen ontkennen we alles zodat we op onverscholen wijze misschien dat niet-kennen kunnen kennen, dat zelf verborgen is voor al wie onder de zijnden door kennis wordt bezeten, zodat we boven het zijn uit die duisternis zouden kunnen zien die verborgen is voor al 't licht dat temidden van de zijnden is.


Hoofdstuk 3

Wat zijn de bevestigende theologieŽn en wat zijn de ontkennende ?

In mijn "Theologische Uiteenzettingen" heb ik de begrippen geprezen die het meest eigen zijn aan bevestigende theologie. Ik heb de wijze getoond waarop de goddelijke en goede natuur één en dan drie-enig moet zijn, hoe Vaderschap en Zoonschap daarin ingesloten zijn, de betekenis van de theologie van de Heilige Geest, hoe deze kernlichten van de goedheid uit het onlichamelijke en ondeelbare goede groeiden, en hoe ze in dit voortspruiten onscheidbaar zijn gebleven van hun mede-eeuwig fundament daarin, in zichzelf en in elkaar. Ik heb gesproken over hoe Jezus, die boven het individuele bestaan staat, een wezen werd met een echte menselijke natuur. Andere openbaringen uit de schrift werden ook geprezen in "De Theologische Uiteenzettingen".

In "De Goddelijke Namen" heb ik laten zien op welke wijze God beschreven wordt als goed, bestaand, leven, wijsheid, kracht, en wat er nog allemaal mag behoren tot de namen die een begrip geven van God. In mijn "Symbolische Theologie" heb ik analogieŽn van God die afgeleid zijn van onze waarnemingen ter discussie gebracht. Ik heb gesproken over de voorstellingen die we van hem hebben, over de vormen, figuren, en werktuigen die hem eigen zijn, over de plaatsen waarin hij leeft en over de sieraden die hij draagt. Ik heb gesproken over zijn boosheid, droefheid, woede, over hoe dronken en katterig hij moet zijn, over zijn eden en vervloekingen, over zijn slapen en waken, en inderdaad over al die voorstellingen die we van hem hebben, voorstellingen die geschapen zijn door de werking van de symbolische representaties van God.

En ik ben ervan overtuigd dat U opgemerkt hebt hoe deze laatste benamingen overvloediger voorkomen dan wat er voor kwam, daar "De Theologische Uiteenzettingen" én een discussie over de namen die God eigen zijn onvermijdelijk korter zijn, dan wat er kan gezegd worden in "De Symbolische Theologie". Het is zo dat hoe hoger onze vlucht, hoe meer onze woorden bepaald worden door de ideeŽn die we ons kunnen vormen, zodat nu we in de duisternis duiken die voorbij het intellect is, we zullen merken dat we niet gewoonweg woorden tekort komen maar sprakeloos en niet-kennend zullen zijn. In eerdere boeken reisde mijn betoog neerwaarts van de meest verheven tot de meest nederige categorieŽn, op zijn neerwaartse gang een steeds toenemend aantal ideeŽn in zich opnemend die met elke trap van de afdaling vermenigvuldigd worden. Maar nu klimt mijn betoog van wat beneden is op naar de transcendente, en hoe meer het klimt, hoe meer taal tekortschiet, en wanneer het de top heeft ingehaald en voorbijgestoken is, zal het volledig stil worden, daar het uiteindelijk één zal zijn met hem die onbeschrijflijk is.

Nu mag U zich afvragen hoe het komt dat, na gestart te zijn vanaf de hoogste categorie toen onze methode er bevestigingen bij betrok, we nu beginnen met de laagste categorie wanneer het de ontkenning betreft. De reden is deze: wanneer we bevestigen wat voorbij elke bevestiging is, dan moeten we uitgaan van wat er het meest verwant mee is, en als we dat doen geven we de bevestiging waarvan al het overige afhangt. Maar wanneer we datgene ontkennen wat buiten elke ontkenning ligt, moeten we vertrekken van die eigenschappen die het meest verschillen van het doel dat we hopen te bereiken. Is het niet dichter bij de werkelijkheid te zeggen dat God leven en goedheid is dan dat hij lucht en stenen zou zijn ? Is het niet accurater om te ontkennen dat dronkenschap en woede aan hem toegeschreven kunnen worden dan te ontkennen dat we hem de begrippen spraak en gedachte kunnen toedichten ?
 
Hoofdstuk 4

Dat de verheven Oorzaak van elk waarneembaar ding zelf niet waarneembaar is.


Dus dit is wat we beweren: de Oorzaak van alles is boven alles en is niet onbestaand, levenloos, spraakloos, verstandloos. Het is geen materieel lichaam en heeft dus vorm noch gedaante, kwaliteit, kwantiteit of gewicht. Het is in geen enkele plaats en kan noch gezien noch aangeraakt worden. Het is niet waargenomen en is ook niet waarneembaar. Het heeft niet te lijden van wanorde of verwarring en wordt door geen aardse passie overweldigd. Het is niet machteloos en afhankelijk van de verstoringen die veroorzaakt worden door zintuiglijke waarneming. Het verdraagt geen ontbering van licht. Het maakt geen verandering door, geen verval, geen verdeeldheid, geen verlies, geen eb en geen vloed, niets waarvan de zintuigen zich bewust kunnen zijn. Niets van dit alles kan ermee geÔdentificeerd noch eraan toegeschreven worden.

 
Hoofdstuk 5

Dat de verheven Oorzaak van elk conceptueel ding zelf niet conceptueel is.


Opnieuw, als we hoger klimmen, zeggen we dit : Het is noch ziel of verstand, noch bezit het verbeelding, overtuiging, spraak of begrip. Noch is het spraak op zich of begrip op zich. Er kan niet over gesproken worden en het kan niet door het verstand begrepen worden. Het is niet aantal of rangorde, grootte of kleinheid, gelijkheid of ongelijkheid, overeenkomst of ongelijkvormigheid. Het is niet onbeweeglijk, in beweging of in rust. Het heeft geen macht, het is geen macht, en het is ook geen licht. Het leeft niet of is niet het leven. Het is geen substantie en het is ook geen eeuwigheid of tijd. Het kan niet gevat worden door het begrip daar het geen kennis en ook geen waarheid is. Het is geen koningschap. Het is geen wijsheid. Het is één noch eenheid, goddelijkheid noch goedheid. En het is ook geen geest, in de zin waarin we die term verstaan. Het is geen zoonschap of vaderschap en het is niets wat ons of enig ander wezen bekend is. Het valt onder het predicaat niet-zijn noch onder zijn. Bestaande wezens kennen het niet zoals het werkelijk is en het kent hen niet zoals ze zijn. Er bestaat geen uitspraak van, een naam noch kennis. Duisternis en licht, dwaling en waarheid ; het is niets hiervan. Het is voorbij bevestiging en ontkenning.

Wij geven bevestigingen en ontkenningen van wat er in de buurt komt maar nooit van wat het zelf is. Want het is én voorbij elke bevestiging, als perfecte en unieke oorzaak van alles, én, door verdienste van zijn uitmuntend eenvoudige en absolute natuur, vrij van elke beperking, voorbij elke beperking ; het is ook voorbij elke
ontkenning