Gedichten van mezelf van vroeger en nu

 
Gedichten van mezelf - deel 01 
 
 
 
 
 
Wanneer


wanneer je mij terug zult zien,
zal ik je lang verlaten hebben, zonder pijn,
ik zal mijn ogen reeds gesloten hebben,
en vreugde veinzend, treurig zijn.


wanneer je mij terug zult vinden
zal ik zorgen dat je niets terugziet van wat nu nog is
jij zal je dorstig hart in vrede mogen laven
onwetend van mijn heimwee en mijn dof gemis.

 
ik zal niet langer zoeken naar je ogen,
mijn hart zal stil en trouw-bescheiden zijn
en het verlangen in mijn wezen zal ik doven..

omdat de vreugde van de dood
slechts dan voor mij volmaakt kan zijn
als ik weet dat ook voor jou, de rust volkomen is geworden.

9 april 1995

 

 

O wereld....

 

ik heb die koele stilte lief

                     van de zon die

                     in jouw ogen

                     ondergaat.

ik heb jouw heimwee lief

                    dat glijdt

                    over je wezen

ik heb de vrede lief

                    die jou geheel

                    omstraalt

en toch...dit zijn slechts dromen

                    want vrede en stilte

                                             ken jij niet

                    en heimwee is je vreemd geworden

   - jouw aangeleerde koelheid doet

                                             mijn handen beven

     en gooit de glazen bekers van mijn

                                                             vreugde stuk

 

    -bekers in de zon gevangen

    -bekers met geluk gevuld

    -bekers!...laat ons samen klinken

                                                         drinken

                                    zie ze        blinken

                 - o dwaze vreugde van één dag-

 

 leer me leven in je hardheid

 leer me werken zonder droom

 leer me lachen zonder vreugde

 maar geef mijn hart een beetje tijd.

 
10 april 1969 

 

Aan Bert (iemand met verborgen kwaliteiten)


Berucht, geliefd en soms verguisd, ben jij
En altijd wel te vinden voor een grap.
Raadsels in een open boek  ben jij voor mij,
Totdat ik eindelijk de sleutel snap.


Vanbinnen heb je wel een hart of twee,
Langs buiten lijk je van graniet
En liever bijt je soms je tong in twee
Uiteindelijk kent men je werkelijk niet.
Gisteren nog leek jij een arme dwaas,
En plotseling ontdekte ik de warmte van je ziel,
Liefdevol en hunkerend naar begrip,
Stom dat ik dat niet eerder heb gezien.
 
 
Voor een vriend/ voorzitter van de Rob de Nijs fanclub, vele jaren geleden.
De beginletters van elke lijn vormen samen zijn naam. Het is dus een acrostichon
 


28 oktober 1995.

 

In mijn droom

In mijn droom was
jij een vogel vannacht,
zwevend over de vlakte
boven mijn ogen

In mijn droom
was jij een wolk, zo zacht,
zwijgend over mijn
angsten gebogen

In mijn droom
was jij een hand vannacht,
alleen maar een hand
Alleen …maar …een hand...
om me aan vast te houden.




Gevonden


Ik vond op ’t grote levensplan
mijn eigen smalle pad.
Ik ben daar lang alleen gegaan,
vermoeiend vond ik dat.

Toen kwam een and’re reiziger,
die dezelfde weg moet gaan.
Plots was het pad niet meer zo smal
en wandelden we saam

De weg is nu niet moeilijk meer,
met liefde geplaveid.
Het einddoel is een wit paleis
waar een feestmaal wordt bereid.

Eens komen we daar samen aan,
waar onze vrienden zijn.
Dit einddoel maakt de stormen goed.
Voorbij is nu de pijn.



Een vorig leven


Ooit heb ik jou gekend
meer dan honderd jaar terug.
Het lijkt misschien wel lang
maar het ging bijzonder vlug.

Nu gaan de dagen langzaam
en de uren tergend traag.
Ik blijf steeds maar verlangen:
misschien vind ik je vandaag.

Ik wil je weer herkennen
in deze bange tijd.
‘k Wil naast mijn leven rennen,
de angst voor straf ten spijt.

Ik weet dat je zal komen
als ik lang genoeg hier wacht.
Dan is de tijd van vroeger
niet langer zwarte nacht.

26/11/1995



Wat als


En als er eens geen
licht meer kwam
na het duister van de nacht.

Waarheen zou ik dan
vluchten
voor de angst die op me wacht ?

En als er eens geen
glimlach lag
op de lippen van een kind

waar zou dan de
vrede zijn
die ik zo moeilijk vind ?

En als er eens
geen liefde was....

 

Maskers

Ik wandel door het leven,
een masker op mijn snoet
Dat is om te verbergen,
hoe het stormt in mijn gemoed.

Dan kruist een mens mijn wegen,
die ook een masker draagt
Wij willen elkaar kennen –
Wie is de eerste die het waagt?

Want achter al die maskers,
ben ik naakt en hulpeloos
En zonder die vermomming,
lijkt het leven waardeloos.

Het masker laten vallen,
het lijkt een zware stunt -
Je zomaar bloot te geven –
Een pluim als je dat kunt.


23/05/2004
(geïnspireerd door Maskers en Mensen - Jozef Rulof)


 

Oud zeer

Ik zit maar wat te dromen,
waarover? ’t Maakt niets uit.
De spoken voor mijn ogen
zijn beeld zonder geluid.

Ik ben je maar aan ’t missen,
elke dag steeds meer.
Tegen ’t heimwee na jouw sterven
heb ik niet één verweer.

Ik voel me ook wat doodgaan,
het doet een beetje pijn,
dat we in dit lange leven,
niet meer samen zullen zijn.

Ik wíl wel verder leven,
ik weet alleen niet hoe.
Telkens ik iets doen wil,
ben ik alleen maar moe.

 

Te weinig


Waarom heb ik jou niet bemind
Zoals jij mij beminde?
Een hartje staat nog in de stam
Van onze oude linde.

Ik heb je noodkreet niet gehoord,
Je boodschap niet ontvangen.
Je gooide alles over boord,
En ik voel tranen op mijn wangen,.

Als ik aan al die liefde denk,
Die jij me hebt gegeven.
Ik was niet rijp voor jouw geschenk
En jij wou niet meer leven.

 
18/10/1998  

 

Ontwaken


’s Morgens druipt de trage regen
uit de kruinen
van de bomen
die nog slapen.

Een trage vogel doet zijn best
om de parels
van de aarde
op te rapen.

Een eerste dunne zonnestraal
scheidt het donker
van de dag.

In de lucht drijft
een schuchtere wolk,
een frisse witte vlag.


Ik strompel in mijn kleren
mijn ogen
zijn nog donker
van de slaap.
Wakker wordt ik pas
als ik voorzichtig
de eerste druppel
uit het dampend grasveld raap.

(22/12/1998)

 

Laat mij jouw helper zijn

Wanneer je ogen blind zijn
Voor de schoonheid om je heen:
Laat mij dan jouw ogen zijn.

Wanneer je oren doof zijn
Voor het engelengezang:
Laat mij dan jouw oren zijn.

Wanneer je handen tasten in het donker
En niets meer voelen van het licht:
Laat mij dan jouw handen zijn.

Wanneer jouw neus geen bloemen ruikt
Noch het zilte van de zee:
Laat mij dan jouw reukzin zijn.

Wanneer je tong geen zoet meer smaakt
Door al het bittere heen:
Laat mij dan jouw smaakzin zijn.

Wanneer je hart gesloten is
Voor alle liefde om je heen:
Laat dan mij de deur daar zijn
Die heel  wijd openstaat
En de liefde weer naar binnen laat.

(13/11/2002)