Hendrik Klaassens - Verhaal - De tijd, de herinnering


 
 
 De tijd, de herinnering
 
 
 
  
 
 

'Klein Ulsda', las ik op een wit bordje dat al half was weggezakt in de berm van de B-weg. De bebouwing van dit gehucht bestond uit wat boerderijen en rijtjeshuizen aan weerszijden van het smalle, al vele malen opgelapte asfaltweggetje op luttele kilometers van de Duitse grens. De ruitenwisser van de comfortabele Japanner veegde met brede, ritmische slagen het regenwater van de voorruit. Een donkergrijs wolkendek dat uit het westen naderde hield de belofte in van nog minstens een uur zware regenval.

Ik wierp een blik opzij naar mijn broer Fred. Zwijgend en ondoorgrondelijk als altijd zat hij achter het stuur. Vanaf de achterbank drong het gebabbel van mijn zoontje Wilbert tot me door; hij voerde een gesprekje met mijn moeder. Ik trok een grimas tegen hem, maar hij nam geen notitie van me.

Het landschap was hier erg kaal, maar door zijn weidsheid en strakke geometrie ook indrukwekkend. Buiten de dorpen zag je hier en daar ware slagschepen van boerderijen, door hoge beuken en bijgebouwen omgeven. Lange oprijlanen, die steevast tussen trotse, verweerde leeuwen op stenen zuiltjes begonnen, leidden naar kasteelachtige boerenplaatsen, juweeltjes van negentiende-eeuwse bouwkunst. Daaromheen strekten zich eindeloze aardappel- en graanvelden uit.


Het was het landschap dat ik me nog herinnerde van mijn jeugd, toen ik wel 'es met mijn grootvader mee mocht als hij vlees bezorgde bij klanten die in de wijde omtrek woonden van het dorp waarin zijn slagerij was gevestigd. Mijn grootvader, die door zijn kleinzonen met een mengeling van ironie en respect 'opa Spek' werd genoemd, had hier jarenlang in steeds grotere autootjes rond getuft. Herenboeren die het te druk hadden om zelf de slagerij te bezoeken en er goed voor wilden betalen, bestelden bij hem vlees: menig bieflapje, rollade, blinde vink of pond spek had zijn weg naar identieke boerenplaatsen gevonden als deze ik hier in het landschap zag staan.


Edoch, ook de verwording had hier toegeslagen. In de vrijwel uitgestorven gehuchten die we passeerden prijkten op sommige plaatsen rode neonbuizen tegen de gevels van geblindeerde boerderijtjes: de seksindustrie eiste zijn tol. Wat zich daarbinnen afspeelde liet zich gemakkelijk raden. In gedachten zag ik al enkele hooggeblondeerde, topless 'gastvrouwen' achter de bar zitten, verveeld bladerend in story's en Privé's, wachtend op rijke boerenzonen die zich op deze zondagmiddag wilden vertreden. Op de bovenkamertjes, waar vroeger het kroost en de meiden sliepen, werd de liefde bedreven. Seksbaronnen maakten hier, samen met autochtone herenboeren, de dienst uit.

 
Nog een kilometer of drie en we waren er. Na twintig jaar zou ik oom Adolf en tante Willie terugzien. Ik kon me, ondanks de kloof in de tijd die me van mijn vorige bezoek scheidde, nog goed herinneren hoe zij er destijds uitzagen en wat voor sfeer ze meebrachten. Oom Adolf was vóór de Tweede Wereldoorlog geboren, anders had hij die beroerde voornaam natuurlijk nooit gekregen. Ik herinnerde me hem als een gezette zestiger op een scooter, die een witte helm droeg die met leren bandjes onder de kin moest worden vastgemaakt. Tante Willie droeg altijd een groene of donkerbruine leren jas die tot de knieën reikte.

Ze verspreidde een knapperig soort gezelligheid waarbij ik me als kleine jongen prima thuis voelde. Ze hield van kinderen. Anders dan de andere volwassen familieleden die bij mijn ouders op bezoek kwamen, hield zij zich wél met mij en mijn broer bezig en stelde belang in wat ons als kinderen interesseerde. Zij vormde een gunstige uitzondering op de regel, dat grote mensen waar mijn vader en moeder mee omgingen, één of twee korte vragen aan ons stelden waarop het antwoord nauwelijks werd afgewacht. Kinderen die aldus worden aangesproken, straffen dezulken met de ergste straf die de nieuwe generatie voor hen in petto heeft: ze worden domweg vergeten en rotten roemloos weg in fantasieloze verzorgingstehuizen, voorportalen van de dood waar de eenzaamheid door de gangen sluipt en de broeders en verpleegsters slechts met grote tegenzin ertoe kunnen worden bewogen om de verpleegpost te verlaten. Ik huiverde bij die gedachte alleen al en keek weer voor me.


Voor ons doemde een kleine terp op. Op het hoogste punt ervan priemde een korte kerktoren boven een ligusterhaag uit; het was de toren van een kleine kapel op een begraafplaats. Vreemd dat hier zulke kleine terpen lagen. Was de rest misschien afgegraven? En ik herinnerde me de boeken over stad en provincie Groningen die ik vroeger wel eens las. Oost-Groningen werd in de middeleeuwen vaak overstroomd. Diverse heiligen, nu bijna allemaal in vergetelheid geraakt, hadden hun naam gegeven aan overstromingsrampen die tegenwoordig op zo’n schaal alleen nog maar voorkomen bij tsunami’s in Oost-Azië. Polderland, door dijken nauwelijks beschermd, viel in de hoge middeleeuwen regelmatig ten prooi  aan stormvloeden, die bij springtij en krachtige oostenwind oprukten tot ver in het Oldambt en het Oosterwold. Verschrikkelijke rampen moeten dat geweest zijn, dorpen met man en muis door de golven weggespoeld, kerktorens die als enig overblijfsel het lugubere bewijs vormden dat hier ooit, ergens… Er gaat het verhaal van een schipper, die om middernacht over de Dollard voer en in het schijnsel van de volle maan een kerktoren voor zich zag opdoemen, de kerktoren van de stad Torum, eens het bloeiende middelpunt van het Reiderland. Tegenwoordig was de Dollard een binnenzee, maar vroeger moeten daar een grote stad en 31 dorpen hebben gelegen.


"Wie binnen d’r”, hoorde ik mijn broer mompelen. Ik schrok op uit mijn overpeinzingen. We reden de oprijlaan van de vrijstaande eengezinswoning op waar mijn oom en tante woonden. Met piepende remmen kwam de Japanner tot stilstand.


Opgetogen werden we door het hoogbejaarde echtpaar verwelkomd: ze waren oprecht blij dat we hen met een bezoek vereerden.  In feite waren ze na al die jaren nog geen spat veranderd. Hun loopjes waren wat langzamer en reumatischer geworden, maar hun blikken en gebaren straalden dezelfde sfeer van joviale gezelligheid uit die ik nog zo goed van vroeger kende. Tante gaf mij en mijn zoontje een paar fikse zoenen en schudde de anderen hartelijk de hand: "Ik bin bliede dat joe d’r binnen’n;  gao moar gaauw de koamer in”.


We volgden hen naar de woonkamer. Overal stonden of hingen er kleurenfoto’s van kinderen, klein- en achterkleinkinderen. Deze mensen waren familieziek, dat zag je meteen. En inderdaad: we waren nog maar vijf minuten in gesprek, of een onbenullig, door mij aangesneden gespreksonderwerp werd geroutineerd omgeleid naar het Grote Gespreksthema van die middag: de grote welstand waarin hun kinderen leefden, dat ze zulke goede banen hadden, duizelingwekkend hoge opleidingen volgden en zulke aardige, lieve vrouwen hadden. Natuurlijk ontbraken ziektegeschiedenissen niet: ooms en tantes, achternichten en –neven wier namen ik die middag meestal voor het eerst – en hopelijk ook voor het laatst – hoorde noemen, passeerden de revue.

 
Na een half uur krulde ik al mijn tenen. Ik probeerde het beeld vast te houden van de lieve, zachte, aardige tante die ik mij herinnerde van mijn jeugd. Was ze misschien altijd al zo geweest, of had ik een dergelijke manier van praten vroeger in mijn jeugdige onschuld normaal gevonden, omdat vrijwel geen enkele volwassene enig belang stelde in wat er de hoofden van kleine kinderen omging? Hoe konden zij en haar man ooit zó stralend, zó knapperig-warm in mijn jongensziel zijn gegrift – de werkelijke reden waarom ik nu, tientallen jaren later, de moeite had genomen om met mijn moeder, mijn broer en mijn zoontje een slordige honderd kilometer af te leggen om bij hen op bezoek te gaan?

 
Terwijl ik dit alles overpeinsde, gebeurde na een uur het onvermijdelijke: uit een mahoniehouten kastje werd een drietal vetleren fotoalbums gehaald. Terwijl de albums rondgingen als schalen met koekjes op een verjaardagsvisite vertelde mijn tante breedvoerig over de heldendaden van mijn oom. Hoe hij zijn hele leven onderwijzer was geweest; geen gewóón onderwijzer, nee, hóófdonderwijzer, hoofd van de lagere christelijke school! Ook had hij koren gedirigeerd. Regelmatig had hij daar zelfs prijzen mee gewonnen; het waren er zó veel, dat het niet de moeite waard was om ze allemaal tevoorschijn te halen. Maar ook vergeelde krantenartikelen, verlucht met onherkenbaar geworden foto’s, getuigden van zijn roemrijk verleden.


Toen we deze spraakwaterval een half uur lang over ons heen hadden laten komen en we onze gezichten nauwelijks meer in een beleefde grimas konden persen, werd ik opeens door mijn zoontje, die al die tijd wat in de kamer had rondgescharreld, aan mijn trui getrokken. Ik boog me voorover naar hem. "Pappa”, fluisterde hij zacht, "wat praten die mensen vreemd. Dat vind ik niet leuk, pappa, want ik kan er niks van verstaan!” "Ja”, legde ik uit, "ze praten Gronings, jongen: dat is hier normaal. Dat sprak pappa vroeger ook toen hij nog klein was. Anders moet je vragen of ze Nederlands willen spreken.”


Toen de gastheer en zijn vrouw dit ter ore kwam, spraken ze enkele zinnen Nederlands, waarna ze weer op hun eigen dialect overschakelden. Daarop slaakte mijn zoontje moedeloos een zucht. Eén ding had hij in elk geval bereikt, en dat was dat hij voor even het middelpunt van de aandacht was geweest. Dat had ook positieve gevolgen. Tante haalde een doos met speelgoed tevoorschijn, waarin hij mocht grabbelen. Blij met deze kans om aan het deprimerende gesprek te ontsnappen ging ik naast hem in de hoek van de kamer zitten, achter de kist met speelgoed.


Toen ik daar zo een tijdje gezeten had, keek ik op de klok: vier uur. Dat betekende dat het zoetjesaan tijd werd om afscheid te nemen. Ik kuchte een paar keer nadrukkelijk en probeerde door het voortkabbelende gesprek heen te breken. Op een luidere toon dan ik eigenlijk gewild had riep ik: "Wie moat’n zometain weer vot!” En ik legde uit dat het hier weliswaar reuze gezellig was, maar dat mijn vrouw, die thuis was gebleven, samen met ons jongste kind op mijn terugkeer zat te wachten.


Verbaasd draaide tante zich om. "Moar ik wilde net de borrelhapjes op toavel zett’n.  Ach nee,  Hinnuk, dat mainst nait. Wost misschien ’n stokje kees of dreuge wôst? Tou, bliev nog eev’n zitt’n.”

Schoorvoetend gaf ik toe. Bedachtzaam stak ik een paar blokjes kaas in m’n mond. Dat was lekker, jonge kaas, dat moest ik toegeven. Nadat ik ook nog een paar stukjes droge metworst van een schaal had gegrist, nam ik een resolute houding aan. "Tante, ’t was gezellug, moar wie moat’n nou echt vot!”

"Tis nait aans, moar kom moar gaauw ains weer!” antwoordde ze zichtbaar teleurgesteld. Ik liep naar de gang en trok mijn zoon z’n jasje aan. Achter me hoorde ik het gescharrel van mijn moeder en mijn broer, die steeds meer tussen twee vuren kwamen in te zitten: aan de ene kant voelden ze mijn enorme irritatie en de bedekte aandrang om nu zo snel mogelijk te vertrekken, maar anderzijds werden ze door de nog immer voortdurende tegenwerpingen van mijn tante, die op een latere vertrektijd had gerekend, aan deze plaats vastgenageld.


Een kwartier later zaten we weer met z’n allen in de auto. Terwijl mijn broer de motor startte, wierp ik een blik door het portierruitje. Zoals zij daar stonden – twee oude mensen, de één 83, de ander 90 – waren ze aandoenlijk. Waarschijnlijk zou ik hen nooit meer terugzien: zulke dingen voorvoelde je gewoon. Een zoet schrijnend, nostalgisch gevoel nam bezit van me, wranger dan ik het me van de heenreis herinnerde. Oom stond in de deuropening, tante enkele meters vóór hem op het tuinpad. Ze zwaaiden hartelijk naar me. Zou ik me hen altijd blijven herinneren zoals ze daar stonden, hun gezichten vol rimpels en door ouderdom verweerd, maar met nog dezelfde blik die ik me zo goed kon herinneren uit mijn jeugd? Welk beeld, welke herinnering was krachtiger en zou de tand des tijds doorstaan: dat van de beuzelende oudjes, óf de oom en tante van vroeger, waar ik zo fijn mee kon spelen en praten? Ik voelde plotseling tranen in me opwellen, zomaar, uit het niets, niet meer te stuiten. En opeens drong het in alle hevigheid tot me door: nooit zou ik hen meer terugzien, dit was een afscheid voor eeuwig
 

Hartelijk zwaaide ik terug en ik blééf zwaaien tot ze uit het zicht verdwenen waren. Het laatste wat ik van hen zag was de witte haardos van tante en één zwaaiende arm die boven een rododendron uitstak. Toen ook dat aan het zicht onttrokken werd, blikte ik verdrietig voor me uit. De tranen biggelden over mijn wangen en proefden zout aan mijn lippen. Door een waas van verdriet keek ik naar de huizen van het dorp, dat we nu in hoog tempo verlieten.

 
We sloegen af naar de hoofdweg van dit plaatsje. "Kijk”, zei mijn moeder, die naast mijn zoontje op de achterbank zat. "Daar staat de lagere school waar hij vroeger hoofd van was.” Ik draaide me om. Aan de linkerkant passeerden we een ouderwets, Jugendstilachtig schoolgebouw met een groot tegelplein ervoor. En plotseling schoot alles me weer te binnen als in een film van een Italiaanse meester, waarbij beelden uit heden en verleden elkaar voortdurend afwisselen en zich op den duur met elkaar vermengen, omdat tijd een relatief en denkbeeldig iets is: haarscherp zag ik de woning van het hoofd der school, waar ik als kind wel ‘es gespeeld had. Eind vijftiger jaren was ik daar eens met mijn ouders en mijn broer op bezoek geweest, in de tijd waarin oom en tante daar nog woonden. Vóór het huis lag de tuin waarin we op een zondagmiddag hadden gezeten. Mijn tante droeg toen een donkerblauwe jurk met witte stippen: dat was in het begin van de zestiger jaren mode. Oom liet me die middag een stereokijker zien waar ik doorheen mocht turen. Als je hem voor je ogen hield, werden twee vrijwel identieke foto’s samengevoegd tot één, waardoor de beelden een geweldige, betoverende diepgang verkregen. De stereoscopische opnamen van Alpenlandschappen en vergezichten hadden me gefascineerd; telkens weer had ik gevraagd of ik hem nog even terug mocht hebben, wat mij nog twee of drie keer werd toegestaan totdat hun welwillendheid zijn grenzen had bereikt. Op het terras van die tuin hadden we thee gedronken, terwijl de zon stralend scheen. Vlak voor me stond op een laag tafeltje een schaal met zoute pinda’s, die voortdurend werd bijgevuld. Ruim vijfenveertig jaar geleden moet dat allemaal zijn geweest…


Na enkele ogenblikken was ook deze voormalige dienstwoning van het hoofd der school uit het zicht verdwenen. Het begon opnieuw te regenen. Ritmisch veegden de ruitenwissers van de grote Mitsubishi het hemelwater van de voorruit. Ik veegde de tranen van mijn wangen. Onherroepelijk is de tijd, en al wat rest is een handvol herinneringen…