Hendrik Klaassens - Verhaal - Aan de andere kant van de spiegel


 
 
 
 Aan de andere kant van de spiegel

kort verhaal over een fictieve bijna-doodervaring


 

I

Zeven dagen en nachten bevind ik mij nu al in deze toestand. Vrij als een vogel kan ik mij verplaatsen. Afstanden, muren en sloten hebben voor mij geen betekenis meer.

 

Ik – of wat daarvan over is, laten we zeggen: mijn geest – gaat met de snelheid van de gedachte naar elke willekeurige plaats die ik wil bezoeken. Het meest intrigerende en eigenlijk ook het meest leerzame van deze nieuwe toestand is, dat het innerlijk, ja zelfs de meest intieme gedachten van de mensen die mij dierbaar zijn, voor mij zo doorzichtig zijn geworden als glas. Moeiteloos lees ik hun gedachten, registreer ik hun geheime bedoelingen en voel ik wat er op elk moment door hen heen gaat. Alleen daarom al hoop ik nog eventjes zo, in deze sfeer, te mogen blijven. Veel kans is daar echter niet op. Reeds voel ik me sterker en sterker aangetrokken tot mijn lichaam, dat amechtig ligt uitgestrekt op de intensive care van het AMC. Via dunne slangetjes en draden wordt het in leven gehouden. Waarschijnlijk is het nog slechts een kwestie van uren voordat mijn geest weer onderduikt in dat toegetakelde lichaam. Het begint zich steeds meer te roeren, alsof het al een aanloop neemt om zich uit zijn staat van doffe bewusteloosheid te bevrijden. Daarmee komt er een eind aan de meest wonderlijke ervaring die ik ooit in mijn leven heb gehad.

 

De medici hebben hun werk goed gedaan, dat moet gezegd. Nadat ik met snijbranders uit het wrak van mijn auto was verlost, heb ik, op een afstandje boven de plaats van het ongeval zwevend, kunnen volgen hoe in het wit geklede ziekenbroeders mijn lichaam op een brancard legden. Daarna droegen ze mij naar een ambulance die al met draaiende motor en wijd opengeslagen deuren gereed stond. Tien minuten later lag ik met ontbloot bovenlijf op een operatietafel. De instrumenten waarmee ze mijn borstkas openmaakten fonkelden koud in het schijnsel van de felle kwiklampen. Op gedempte toon hoorde ik ze elkaar aanwijzingen geven. Eén van hen ploegde met een tang en een pincet in mijn borst. Toch voelde ik daarbij geen pijn, integendeel: terwijl ze met mijn lichaam bezig waren in een poging om de levensgeesten weer op te wekken, keek ik vanaf een plaats ergens bij het plafond belangstellend toe. Daarbij viel het me op dat de arts die mij met zijn gereedschap bewerkte al wat begon te kalen op zijn kruin. Ook merkte ik wat hij op dat ogenblik dacht. Eerst geloofde ik dat hij onophoudelijk tegen zijn collega’s stond te praten, maar toen ik een wat andere positie innam – iets wat mij verrassend weinig moeite kostte, ik bevond mij ogenblikkelijk daar waar ik mij wílde bevinden – zag ik dat zijn lippen daarbij niet bewogen. Toch hoorde ik hem heel duidelijk praten: "Drie ribben gebroken, shock, veel bloedverlies. Gevaar voor een hartstilstand, maar hij zal het wel redden. Rare knuppel trouwens. Marie zei dat ‘ie zomaar in z’n eentje tegen de vangrail was aangereden. Dronken misschien?  Hm,  niks van gemerkt. "

 

Hij blikte even op het apparaat dat mijn hartslag grafisch weergaf. Plotseling vertoonde de naald, die een onregelmatig berglandschap tekende op een draaiende rol, geen uitslagen meer.  Er ontstond commotie onder het personeel; op een wagentje met wielen eronder reden ze een elektrisch toestel naar de operatietafel. Elektroden werden op mijn borst bevestigd. Bij elke stroomstoot voer er een huivering door mijn lichaam. Maar het had succes: even later schoot de naald weer omhoog en beschreef in scherpe dalen en pieken het pulseren van de hartkamers. Vervolgens werd mijn borstkas weer met dunne, transparante draden dichtgenaaid.

 

Vreemd eigenlijk dat ik helemaal geen pijn voelde terwijl er van alles en nog wat met mijn lichaam werd uitgevreten. Of was ik dat misschien toch niet, dat toegetakelde lichaam op die operatietafel? Het droeg wel dezelfde broek die ik vanmorgen had aangetrokken. Ook had het ongeveer mijn gezicht, maar door de vele snijwonden op het voorhoofd en de wangen was het niet zo duidelijk herkenbaar. Het haar klopte precies. Wat mij tenslotte overtuigde was de ring om de ringvinger van mijn rechterhand. Ik zweefde naderbij om hem goed te bestuderen. Geen twijfel mogelijk: het vertoonde exact dezelfde inkepingen als mijn eigen ring; ik was getuige van mijn eigen operatie!

Zou het me lukken om Carla te waarschuwen, om haar ervan te overtuigen dat ik was verongelukt maar toch niet dood was? Levend, maar toch niet in mijn lichaam? Ik hernam mijn oude positie bij het plafond om na te denken. Goed: ik kon de gedachten van anderen opvangen. Maar konden anderen dan ook míjn gedachten lezen? Het was te proberen. Ik dacht aan Carla.

 

Tot mijn verbazing bevond ik mij in een oogwenk bij haar in de kamer. Zij zat met onze Roelof op schoot en voerde hem een fruithapje. Ik ging vlak voor haar staan en probeerde haar aan te raken, maar ze reageerde niet. Ze babbelde wat tegen de baby, die smakkende geluidjes maakte en haar met zijn grote, heldere ogen aankeek. Haar lippen bewogen niet, maar net zoals bij de chirurg die ik ook hardop had horen denken, ving ik haar gedachten op. Ze dacht erover na om straks, als ik thuis zou komen, nog even de stad in te gaan om babykleertjes te kopen. Maar misschien deed ze dat morgen wel, ze voelde zich zo moe. "Bah, er is ’s nachts ook altijd wel wat”, dacht ze, "is het niet Roelof die ’s nachts een kik geeft, dan is het wel Anton die om drie uur ’s nachts onze kamer komt binnenrennen omdat ‘ie naar gedroomd heeft. Henry gaat ook veel te laat naar bed, trouwens. Vaak zit ‘ie tot een uur of twee tv te kijken of te lezen, helemaal in trance. En maar roken ondertussen: daar moet ‘ie maar ‘es mee ophouden, die lummel!”

 

Ik schrok, probeerde een verontschuldiging te bedenken. Ik bracht mijn gezicht vlak bij het hare. Maar ze keek van me weg naar de klok. Ze deed gewoon alsof ik niet bestond. Dat was wel het toppunt! Eerst zulke gemene gedachten over mij en dan dít! Even vergat ik mijn nieuwe toestand, maar al snel gaf ik mijn verzet op. Verder argumenteren was zinloos. In dit onlichamelijke bestaan was ik slechts toeschouwer: alles ving ik op, elk woord, elk gevoel en elke gedachte, maar ik kon nergens ingrijpen; ik moest steeds machteloos toezien wat er allemaal met en om mij heen gebeurde. Dit was de totale aanvaarding, ik moest berusten in mijn nieuwe toestand. Was dit dan misschien de hel? Moest ik minutieus vaststellen wat de uitwerking van mijn daden was geweest, wat ik allemaal op aarde had teweeggebracht? Maar ik leefde toch nog? Was mijn hart soms niet weer opnieuw gaan kloppen, daar in het AMC? Had ik niet gezien dat ze mij op een brancard hadden weggereden naar de intensive care, met allemaal draadjes en slangetjes aan mijn armen en neus? Ik moest meer te weten zien te komen over deze situatie; misschien kon ik mij er dan uit bevrijden. Ik dacht aan mijn lichaam. Hoe zou het daar mee zijn? Ogenblikkelijk was ik weer terug in het ziekenhuis.

II

Het eerste wat mij opviel toen ik mijn lichaam herkende in het halfduistere zaaltje van de intensive care was, dat er een grote zuurstoffles naast mijn bed stond. Kennelijk waren ze nog steeds bang dat ik onverhoeds de pijp uitging. Ik probeerde het ding met mijn vingers te betasten, maar ze gleden erdoorheen. Stom natuurlijk: ik was immers onstoffelijk geworden, een geest! Ik kon overal naartoe gaan, het maakte niet uit: ik hoefde me alleen maar te concentreren, en hup, daar was ik al! Eigenlijk vond ik dat heel vermakelijk, evenals het feit dat de gedachten van anderen een open boek voor me waren geworden. Als mijn lichaam weer in orde was, kon die kennis me nog goed van pas komen. Stel je voor wat ik allemaal niet te weten kon komen: staatsgeheimen waren voor mij een peulenschil, vrienden, vriendinnen, familie, mijn ellendige buren.......ze hadden voor mij geen geheimen meer!

 

Later kon ik ze dat nog wel ‘es onder de neus wrijven. Bij die gedachte alleen al lachte ik in mijn astrale vuistje. Waar zou ik het eerst naartoe gaan? Ach, dat zag ik straks nog wel. Eerst eens kijken wat ik in deze toestand allemaal nog meer kon doen. Mijn denken was zo lekker scherp en helder geworden, alsof er een sluier voor mijn geest was weggetrokken.  Dat kwam natuurlijk doordat ik geen lichaam meer had. Of, beter gezegd, ik had er nog wel een, maar mijn geest was eruit gefloept en ging nu op eigen kracht verder. Mijn gedachten waren als intercity verder gegaan, bevrijd van alle zwaarte. Ik kon zelfs ín de lichamen van mensen kijken: als ik me daarop concentreerde, zag ik de sappen door hun organen stromen. Ook zag ik duidelijk voor me wat mensen mankeerde: rokers herkende ik aan de zwarte teerafzetting in hun longen, gezwellen waren kleine, sponsachtige vormen die zich meestal in de buik hadden genesteld. Als ik me nog dieper concentreerde, zag ik zelfs waarom mensen deze aandoeningen hadden opgelopen. Dit prikkelde mijn nieuwsgierigheid en ik maakte een rondje door een paar zalen van het ziekenhuis. Van elke patiënt stelde ik vast wat er met hem of haar aan de hand was. Doodsimpel eigenlijk, het was alleen maar een kwestie van concentratie.

 

Plotseling schrok ik van een gedachte die bij me opkwam: stel je voor dat er méér mensen waren zoals ik, die nog met een dunne draad met hun lichaam verbonden waren en naar believen de gedachten van anderen konden lezen. Die zouden dan ook kunnen nagaan wat ik dacht en voelde. Of niet soms? Waren mijn gedachten eigenlijk wel zo zuiver? Toch nam ik nergens zulke mensen waar. Maar het kón natuurlijk zijn dat zij onzichtbaar voor me waren, óf dat ik ze niet als zodanig herkende omdat ze er net zo uitzagen als mensen die nog wel in hun lichaam zaten. Kortom: hadden ze nog een lichaam, hoe ijl dan ook? In het laatste geval zou ik ook mijn eigen gedaante moeten kunnen zien. Stom dat ik daar nog niet aan had gedacht. Alles was ook zo nieuw en vreemd voor mij. Als er nog meer van zulke losgeslagen geesten bestonden, zouden ze vast en zeker benieuwd zijn naar de toestand van hun lichaam. En die lichamen lagen op de intensive care.... Ik staakte mijn rondje door de zalen en concentreerde me.


III


Anders dan de vorige keer was het nu heel licht in het zaaltje waar ik mijn lichaam achtergelaten had. Stuifmeellicht dwarrelde door het vertrek, te vergelijken met de stofbanen zonlicht die op een hete zomerdag door een dakraam binnenvallen. In dat wervelende schijnsel ontdekte ik een paar gestalten die gebogen stonden over enkele bedden. Als in trance staarden ze naar de vrijwel roerloze lichamen die daarop lagen uitgestrekt. Deze geesten schenen geen notitie van elkaar te nemen: ieder had uitsluitend oog voor zijn eigen ellende. Ik voelde hun verwarring, merkte hoe ze zich koortsachtig probeerden te herinneren wat er gebeurd was en waarom ze buiten hun lichaam waren geslingerd. Ze zagen er uit als gewone mensen, maar toch waren ze anders: ze waren iets groter dan normaal. En mijn eigen lichaam dan? Ik had tot nog toe altijd het idee gehad dat ik op de één of andere manier nog lijfelijk bestond, als geest wel te verstaan: een soort geestelijk lichaam als voertuig van mijn gedachten. Maar gezien had ik het nog niet. Nu werd ik zelf echter ook zichtbaar, gewoon door mijn aandacht erop te richten. Ik keek naar mezelf en zag dat ik de kleren droeg die ik vlak voor het ongeluk ook had gedragen. Alles leek iets uitvergroot, maar verder was er geen verschil. En plotseling schoot me iets te binnen wat ik al zo vaak in boeken over spiritualiteit en parapsychologie gelezen had, nl. dat het etherische lichaam iets groter is dan het stoffelijke lichaam. Dat was dus de oplossing van het raadsel. Nog één belangrijke, wat beklemmende vraag bleef er over. Ik had een aantal gestalten gezien van mensen die in coma lagen, net als ik zelf. Maar waren hier misschien ook andere wezens, geesten van gestorven, of misschien zelfs wel.....engelen?

 
IV


"Draai je ‘es om”.

Ik schrok. De stem die gesproken had, had vlak achter me geklonken. Het was een zachte vrouwenstem. Dus toch.....? Het leek me de hoogste tijd om te verdwijnen, terug naar Carla of zo. Toch hield iets me op deze plek gevangen. Kwam dat misschien door de vertrouwelijkheid van de stem die tot me gesproken had? Aan wie die stem toebehoorde wist ik niet, maar ze scheen geen kwade bedoelingen te hebben.

Mijn nieuwsgierigheid won het van mijn angst. Langzaam draaide ik mijn hoofd om.

"Wees maar niet bang, je bent veilig. Ik moet je iets vertellen, Henry!”

Dit kon niet waar zijn, ik hield het haast niet meer uit! Daar stond een vrouwengestalte in een lange, sneeuwwitte mantel die haar vrijwel tot de voeten reikte. Haar lange haar hing los om haar schouders. Ze keek me vriendelijk aan.

"Wie... wie ben je? Wat wil je? Ben ik dan al..... dóód? Waarom houden ze mijn lichaam dan nog in leven?”

Ze schudde haar hoofd. "Niet dood”, sprak ze, "je ligt in coma. Je bent nu in het overgangsgebied, je zweeft tussen leven en dood. Maar je zult weer beter worden, en wel zeer binnenkort.  Over een week zul je uit het ziekenhuis worden ontslagen. Ben je nu tevreden?”

 

Ze wachtte af om het effect van haar woorden vast te stellen. Onbewogen bleef ze me aankijken.

"Hoe weet je dat?”, vroeg ik. "Hoe kun je mij bewijzen dat je gelijk hebt? Misschien is dit alles maar een droom en word ik morgenvroeg weer naast Carla wakker.”

"Dat geloof je toch zelf ook niet?”, sprak ze. "Je was aanwezig bij je eigen operatie. Later dwaalde je door enkele zalen van dit ziekenhuis om na te gaan voor welke kwalen de patiënten waren opgenomen: je keek met je geestelijke ogen ín hun lichaam. Is dat alles geen voldoende bewijs dat je uitgetreden bent? En wat die voorspelling betreft: je kunt me vertrouwen. Vóór dat ongeluk op de snelweg was ik jouw beschermengel, en dat ben ik nog. Het is mijn taak om je geweten wakker te houden en je te wijzen op jouw taak in het leven.”

"Mijn beschermengel?”, vroeg ik. "Waar was je dan toen ik verongelukte? Waarom heb je me niet gewaarschuwd? Als je werkelijk mijn beschermengel bent, had je dat toch zien aankomen? Nou?”

"Als jij na een doorwaakte nacht achter het stuur kruipt om een verre kennis op te zoeken, hoewel je nauwelijks in staat bent om te rijden, is dat jouw eigen verantwoordelijkheid.  Je bent onderweg tegen de vangrail opgebotst; de rest is je bekend. Wat verwacht je dan van mij? Tegen dat soort ellende kan ik je niet beschermen. Wél kan ik ervoor zorgen dat alles weer in goede banen wordt geleid als je brokken hebt gemaakt. Tenminste, als dat bij je levensweg past. Zo niet, dan sta ik volkomen machteloos.”

 

Ze keek me doordringend aan. Wist ze welke vraag ik nu wilde stellen?

"Ik begrijp het”, antwoordde ik. "Je spoort me aan om verstandig met mezelf om te gaan, maar verder laat je het aan mijzelf over wat ik feitelijk doe. In dit geval heb ik mezelf schromelijk overschat. De gevolgen ervan zal ik zelf moeten dragen. Maar hoort dit alles misschien ook bij mijn..... hoe zal ik het zeggen... bij mijn lot, of hoe je dat ook noemen wilt?”

"Nee, niet precies. Maar nu het toch is gebeurd, krijg ik de kans om je iets te leren. Je zweeft nu tussen leven en dood: dat is een gebied met veel gevaren, maar ook met veel mogelijkheden. Je kunt er de wereld van de geest leren kennen. De diepere natuur van de menselijke psyche is er in zijn volle omvang zichtbaar, tenminste, als je de wetten kent die dit gebied regeren. Je hebt er al iets van opgestoken. Zo heb je gemerkt dat je in staat bent om andermans gedachten te lezen. Ook drong jouw blik in menselijke lichamen door. Je zag er de werking van organen en hoe beschadigde weefsels die werking kunnen blokkeren. Tenslotte leerde jij je te concentreren op het waarnemen van andere bewoners van dit gebied.

 

Geloof me, de menselijke geest, ook de jouwe, is tot ongelofelijk veel in staat mits het bewustzijn voldoende is gerijpt. Tijdens het leven lukt het zelden om al die mogelijkheden te leren kennen, laat staan om al die mogelijkheden te leren beheersen. Maar na de dood, en eigenlijk ook al in dit overgangsgebied, is dat een stuk gemakkelijker omdat de mens dan van alle beperkingen van het lichaam is bevrijd. Een pure geest kan zich het best in zijn eigen sfeer ontplooien. De aarde, het leven daar, is een leerschool om ook in de trage, taaie wereld van de materie zielenkrachten te ontwikkelen, daarin standvastig te worden en te blijven. Geestelijke groei, ontwikkeling van liefde voor jezelf en anderen, openheid en ontvankelijkheid voor Christus, daar komt het op aan. Er is geen andere weg.”

 

In gedachten verzonken bleef ik voor haar staan. Het was alsof een oud weten, een oeroud besef van god-weet-waar, weer in me open ging. Het begon me te duizelen. De omgeving vervaagde, maar de lichtende gestalte bleef.

Even later bevonden we ons allebei op een soort bergweide. Een groen, glooiend landschap, ingeklemd tussen indrukwekkende Alpenreuzen, was zichtbaar. Boven een bergmassief in het oosten gloorde licht: geel, purper, violet. Het leek wel alsof de zon op het punt stond om op te komen.


V


Verwonderd nam ik mijn nieuwe omgeving in mij op. Het landschap ademde een diepe, intense vrede. Alsof de natuur hier tot rust, tot haar uiteindelijke bestemming gekomen was: een sereniteit die akelig aangenaam aandeed. Rondom heerste diepe stilte: de natuur hield haar adem in, wachtend op de dingen die komen gingen.

 
De jonge vrouw was naast me komen zitten. Ze keek naar de bergtop in oostelijke richting. Ik volgde haar blik.

Majestueus doorschoten de eerste stralen zonlicht het zwerk. De bovenste hellingen van een alpenreus schuin voor ons werden verlicht; traag kroop een brede baan licht langs de glooiingen naar beneden. Een tweede en een derde bundel volgden, en al spoedig was in het hele dal de blauwwitte waas van de morgendauw veranderd in een witte deken, die door de inwerking van het klimmende licht  oploste. Op de hellingen openden bloemen in allerlei kleurschakeringen hun knoppen. Dieren, die ik tot nu toe nog niet had opgemerkt, kwamen aanlopen over de bergweide. Argeloos vlijden ze zich neer in het sappige gras. De bomen begonnen zacht te ruisen in de koele bries, die vanuit de bergen werd aangevoerd. Vlak achter ons hoorde ik het geklater van een beekje. Nog steeds was er buiten ons geen mens te zien.

Bij het zien van zoveel schoonheid hield ik de adem in. Het was alsof de intense, diepe vrede van deze sfeer al mijn pijn en verdriet, die ik op aarde had geleden, liefdevol oploste, transformeerde tot een diepe, onuitsprekelijke vreugde die gloeide in mijn borst. En als nooit tevoren besefte ik hoe breekbaar en pijnlijk het leven op aarde vaak is, hoeveel angst, verdriet en onvrede wij mensen steeds wegdrukken om maar in de illusie te kunnen geloven dat wij het zo slecht nog niet hebben: de kruip-sluipwegen van de zelfbegoocheling, de mythe van een gelukkig aards bestaan. Vergeleken bij deze alomtegenwoordige vrede, dit bovenaardse geluk, waren dat hersenschimmen, liedjes die wij floten in het donker om onze eigen angst maar niet te voelen. Als dit onze uiteindelijke bestemming was, hadden wij nog mijlenver te gaan. Toch was ook dít werkelijkheid en was het mogelijk om dit te beleven.

 
Al die tijd had mijn beschermengel geen woord gesproken. Ze gaf me gelegenheid dit alles in me op te nemen. Eindelijk verbrak ze de stilte.

"Vóór je zie je het gebied dat wij het ‘Morgenland’ noemen. Dat is de eerste lichte sfeer. Er zijn andere, nog hoger dan deze. In dit gebied komen die zielen terecht, die zich van de zwaarte van het aardse bestaan hebben bevrijd. Ze hebben hun hang naar al het tastbare, naar stoffelijk bezit, overwonnen. Hier worden ze opgevangen door gidsen, begeleiders die hen gereed maken voor een taak in de geestelijke wereld. Die kan eruit bestaan dat ze voortaan de nog op aarde levende mensen moeten begeleiden als geestelijke gids, als beschermengel. Ook bestaat er de mogelijkheid dat ze afdalen in de duistere sferen, waar de zielen verblijven van mensen die nog gevangen zitten in de kringloop van wantrouwen, jaloezie en haat. Velen dalen af en vinden daar hun taak. Anderen bekwamen zich hier in een bijzondere taak, bv. het doen van uitvindingen op allerlei gebied, die dan vervolgens d.m.v. inspiratie of in dromen aan de mensheid worden doorgegeven. De mensen op aarde denken wel vaak dat ze een belangrijke uitvinding of ontdekking hebben gedaan, en ze laten zich daar dan graag uitgebreid om fêteren, maar de oorsprong van hun briljante invallen en ideeën ligt hier, in deze sfeer, waar talloze zielen samenwerken om de mensheid op een hoger geestelijk plan te tillen. Soms gebeurt het ook dat een ontdekking, die door een mens is gedaan, door ons toedoen weer spoorloos verdwijnt: ook in de duistere sferen wordt namelijk wetenschap bedreven.  Ook daar staan de mensen voor open, maar het hoeft verder geen betoog dat dergelijke uitvindingen een zeer schadelijke uitwerking hebben. Als het de ontwikkeling van de mens té zeer in gevaar brengt, worden de sporen ervan door engelgeesten uitgewist. Verder wordt in de sferen van licht ook kunst bedreven. Het is alleen van een andere orde dan op aarde.”


Ze keek me aan. "Heb je nog vragen?”

Eindelijk stelde ik de vraag die al die tijd op mijn lippen had gebrand. "Wat is dan míjn taak op aarde? Dat is me nog steeds niet duidelijk!”

"Ieder mens voelt in zich de aandrang om iets tot stand te brengen wat met zijn of haar leven ten nauwste samenhangt, iets wat hem geestelijk verder brengt. Nog vóór hij naar de aarde afdaalt om geboren te worden, wordt hem zijn levensopdracht duidelijk gemaakt. De één wordt er geboren om er kunst te brengen, de ander om het lijden van anderen te verlichten, weer een ander om door allerlei obstakels en beproevingen heen tot geestelijk inzicht te komen. Het uiteindelijke doel, de richting waarin wij ons allemaal bewegen, is om verrijkt met allerlei ervaringen terug te keren naar het goddelijk licht waarin wij ons bestaan zijn begonnen. Welke wil, welke aandrang voel jij steeds in je leven?”

 

"Het is zo dubbel allemaal. Ik wil beter met mezelf en anderen leren omgaan. Mijn natuur is zowel schuchter en teruggetrokken als fel en geëmotioneerd. Wat wil ik bereiken? Het is mijn drang naar kennis van alle oeroude, peilloos diepe vragen van het bestaan, vragen naar doel, oorsprong en zin, die me steeds voortdrijven. Díe wil ik oplossen, ontrafelen, er zo diep mogelijk in doordringen, zo diep als  voor een mens mogelijk is. God-weet-waar die drang vandaan komt, maar ze is er, sterk als een natuurkracht, een kracht, een macht die me steeds voortstuwt. Tegelijkertijd leeft in mij ook de drang om anderen te helpen, iets voor hen te betekenen. Daar wil ik over schrijven, over al deze vragen én over de antwoorden die ik met vallen en opstaan vind. Het is een vaag geheel, maar dit is wat er in me leeft. Ik ben nog steeds op zoek naar een toepassing van dit alles, naar een manier om dit vorm te geven.”

 

"Wat vind je dan het belangrijkst van al de dingen die je genoemd hebt? Wat heeft voor jou het meeste gewicht?”

"Eigenlijk weegt voor mijn het liefdevol en evenwichtig omgaan met anderen het zwaarst: ik heb het gevoel dat ik dat allereerst onder de knie moet krijgen en dat de rest dan op den duur wel zal volgen.”

"Dan is het beter daar eerst mee te beginnen. Ook de situatie waarin je nu leeft biedt daarvoor allerlei mogelijkheden. Je hoeft het echt niet zo ver te zoeken. Waarom ben je eigenlijk zo schuchter? Als je opener en met minder scrupules anderen tegemoet treedt en je angsten wat opzij weet te zetten, zul je al gauw merken dat ook dat geestelijke waarnaar je op zoek bent, snel binnen je bereik komt. Ik geloof dat dit al voldoende voor je is.”

 

Ze was opgestaan. "Ga nu”, sprak ze. "Ga terug om je taak af te maken. Ik weet dat dat niet gemakkelijk voor je is. Maar als je overwint zul je op den duur dit Morgenland bereiken. Jouw verlangen bracht jou hier: geef dat sterke oerverlangen naar wijsheid en liefde nu handen en voeten en, alsjeblieft, zie niet om in wrok naar mensen die je pijn hebben gedaan. Beleef liever je verdriet dan boos te zijn op anderen. Als je dat van me aanneemt is er geen macht meer die je zal kunnen tegenhouden om te komen waar je wilt zijn: het ‘Morgenland’.

Ik stuur je nu terug naar de aarde, zodat je daar kunt doen waarvoor je geboren bent. Maar eerst mag ik je nog iets laten zien van een hogere wereld, waar al het licht en al het leven zijn oorsprong vindt. Bewaar die herinnering in je hart: het zal je sterken op je verdere levensweg.”

Zegenend hief ze haar armen naar me op. Ik knielde neer. Daarop zonk ik weg. Het berglandschap vervaagde concentrisch rond de stralende aanblik van haar gelaat. Toen ook dat verdwenen was, hoorde ik even nog haar stem, die van heel uit de verte klonk: "Ooit zullen we elkaar weerzien. In het Morgenland.”


VI

Het was alsof ik door een reusachtige hand werd opgetild. Ik bevond mij in de ruimte. Pijlsnel bewoog ik mij voort in de richting van een stralende ster, die alle andere in glans overtrof. Hoewel ik mij met een duizelingwekkend vaart verplaatste, leek die ster maar heel langzaam naderbij te komen. Ik kan niet zeggen of het uren of minuten geduurd heeft: tijd leek hier niet te bestaan. Wel weet ik, dat het licht van de ster oogverblindend was, alsof je overdag met het blote oog naar de zon keek.

Geleidelijk wenden mijn ogen aan het felle schijnsel. Wat ik toen zag, tartte elke beschrijving. Op het oppervlak van die ster zag ik een stad, gebouwd van het helderste, puurste licht: hij was cirkelvormig en omgeven door een hoge muur waarin diamanten flonkerden. De stad lag op een berg en had op regelmatige afstanden poorten, waardoor engelgestalten in en uit gingen. Hun gewaden blonken als de zon. Ook kon ik enkele van de hoogste gebouwen onderscheiden, maar als in een soort nevel, zoals je vanaf de vaste wal een eiland kunt zien liggen waarvan alleen een paar hoge duinen en kerktorens zichtbaar zijn. Midden in die stad stond een soort paleis. Het leek alsof al het licht dat ik zag daarvan uit leek te gaan.

Tranen vulden mijn ogen. Er viel niets meer te zeggen: er heerste hier een volkomen vrede en stilte. Een enorme afstand scheidde mij nog van die stad, maar toch raakte deze aanblik me midden in mijn hart. En opnieuw zonk ik weg. Het laatste waar ik me nog bewust van was, was het kloppen van mijn eigen hart. Toen werd alles duister voor mijn ogen.


VII


Ik werd wakker van een felle pijnscheut in mijn borst. Onwillekeurig spande ik de spieren in mijn nek en schouders, maar de pijn verergerde daardoor alleen maar. Ik sloeg m’n ogen op en keek om me heen. Wat was er gebeurd? Had ik al die tijd geslapen? Waarom zaten er dan allemaal slangetjes in mijn armen en neus?


Het leek wel alsof ik een hele tijd gedroomd had, een zeer levendige droom waarin ik aan de hand van een jonge vrouw een bergwandeling had gemaakt en had gekeken naar een zonsopkomst. Ik sloot mijn ogen weer en probeerde mij te herinneren wat zich tijdens die droom allemaal had afgespeeld. Stukje bij beetje kwam het ene fragment na het andere weer boven. De diepe vrede en het onuitsprekelijke geluk dat ik daarbij had ervaren, trilden nog in me na. Ze vormden een schril contrast tot de stekende pijn die ik voelde in mijn borst. Als die droom toch ‘es op waarheid berustte, dan....

"Mijnheer Verstegen, hoe voelt u zich?” Iemand had een hand op mijn schouder gelegd. Ik sloeg de ogen op en zag een ziekenbroeder naast mijn bed staan. Hoewel mijn gedachten al snel helderder begonnen te worden, lukte het me nog niet om te spreken. Ik bromde iets terug.

 
"U bent een tijdje weggeweest. Gaat het al weer wat? Er is een grote kans dat u er na het ongeval weer helemaal bovenop komt. Rust nog maar wat uit. Als er iets is, moet u op het rode knopje drukken. Akkoord?”

De man knikte mij bemoedigend toe en verwijderde zich met zachte tred. Er zaten vilten hoezen om zijn schoenen.

Wacht ‘es even, dacht ik, als ik pas ben bijgekomen na een ongeluk, hoe is het dan mogelijk dat ik dit zaaltje herken? Tussen het tijdstip van het ongeval en het moment waarop ik hier wakker werd was ik buiten kennis. Toch staat dit vertrek me nog helder voor de geest. Ook de mensen die aan weerskanten van me liggen komen me bekend voor. Stonden zij niet als in trance naar hun eigen lichaam te kijken, terwijl ze met hun geest uitgetreden waren?

 
Het was alsof de videoband van de droom in omgekeerde volgorde werd afgespeeld waarbij me telkens weer andere scenes te binnen schoten. Het dwalen door de gangen, de operatie waarbij ik de gedachten van de andere aanwezigen kon lezen.... al mijn herinneringen keerden terug. Met een schok realiseerde ik me, dat ik werkelijk buiten mijn lichaam was geweest. Geen twijfel mogelijk, het was allemaal écht! Ik mijmerde nog even na over de ster die ik het laatst had gezien, vlak voordat ik hier wakker werd. Was dat misschien het nieuwe Jeruzalem, de hoogste hemel, waar Christus Zelf woont?

Plotseling schoten me enkele dichtregels te binnen. Ze klonken me als muziek in de oren. Moeizaam draaide ik me om, op zoek naar papier en een pennetje. Op het nachtkastje vond ik een servetje en een balpen die een verpleegkundige per ongeluk had laten liggen. In een bijna onleesbaar handschrift krabbelde ik de woorden op die zich in me vormden:

 
Uit hellen en hemelen klimt Uw leven naar U op
over de brug van licht die Uw Zoon naar ons sloeg
tot elke grens van ruimte en tijd
weer in de hoogste hemelen is opgeheven.

En eindelijk voor anker gegaan,
voorbij alle leed en alle pijn,
zullen wij als goden zijn,
de droom van het bestaan ontstegen.


En ik wist het, mijn taak op aarde was begonnen. Vol verlangen zag ik uit naar het moment waarop ik uit dit ziekenhuis zou worden ontslagen. Met een glimlach op m’n lippen zonk ik weg in een droomloze, genezende slaap.