Hendrik Klaassens - Verhaal - Het land Nimmermeer


 
 
 
 Het land Nimmermeer



Onder een strakblauwe hemel en met een frisse bries in zijn rug fietste hij door het Friese landschap. Zijn zoontje van twee babbelde wat tegen hem aan. Af en toe stak het kereltje hem een dropje toe uit het zakje dat het in zijn kleine knuistjes vasthield. Hij moest zich half omdraaien om zijn jongste spruit, die in het zitje achterop zat, te kunnen verstaan. "Daar, papa, dáár, trekker!” Hij volgde de uitgestoken arm van zijn zoontje en zag inderdaad in de verte een trekker rijden. Achter het gevaarte reed een gierwagen, die zijn onwelriekende inhoud met een draaiend mechaniekje over de akkers spuide. Snel wendde hij zijn blik af. Links van hem, heel in de verte, zag hij een geel lint door het landschap kruipen: dat moest de trein zijn die steeds tussen Groningen en Leeuwarden heen en weer pendelde en luisterde naar de naam ‘Wadloper’. De trein reed in oostelijke richting, dus naar zijn geboortestad Groningen toe. Onwillekeurig moest hij denken aan de jaren die hij daar, eerst als kantoorbediende en later als student, had doorgebracht.  Eigenlijk had hij er nooit zijn draai kunnen vinden. Maar lag dat ten diepste niet aan hemzelf, aan het rusteloze levensgevoel dat hem steeds opstuwde en hem telkens weer ergens anders deed belanden, op zoek naar het geluk, naar zin en een taak waar hij zijn schouders met overtuiging onder kon zetten? Wat was het toch dat hij miste, waar kwam dat onophoudelijke, knagende gevoel diep uit zijn binnenste eigenlijk vandaan? Het was alsof hij voortdurend mank liep, nooit helemaal bij de situatie betrokken was waarin hij zich bevond. Alsof diep in zijn binnenste een mechaniekje ronddraaide dat steeds het schier onontwarbare kluwen aan herinneringen moest ontwarren en hem moest bevrijden van de angst voor de toekomst. Wat stond er tussen hem en het geluk in?

 

Aan de kant van de weg stond een SRV-wagen, vlak bij de oprijlaan naar een statige boerderij. Hij minderde vaart, stapte af en tilde zijn zoontje uit het zitje. Het klauterde achter hem aan de treden op van de winkel op wielen. Van de grootgrutter die uitsluitend Fries bleek te spreken kocht hij een paar blikjes frisdrank. Even later zaten ze samen in de berm en nipten met kleine teugjes van het vruchtensap. Hij keek om zich heen en genoot van het weidse landschap; het was wel een beetje kaal, maar daar stond tegenover dat je kilometers ver kon kijken en allerlei dorpjes en stadjes tot in de wijde omtrek kon zien liggen. Zijn zoontje was een prachtkereltje: mollig, speels en aanhankelijk. Eigenlijk was hij volgzamer dan zijn oudste zoon, die al naar school ging en over een uur van het schoolplein moest worden afgehaald. Maar ook de oudste was een schitterend kereltje: het was erg pienter, had overal belangstelling voor en was zuiver op de graat. Bovendien kon je schitterende gesprekken met hem voeren over het geloof, het doel van het leven enzovoort; natuurlijk wel op zijn eigen niveau, maar toch kon je aan alles wel merken dat het ventje overal diep over nadacht. Het had een beweeglijke geest en stond open voor al dat soort dingen. Het had ongeveer net zo’n karakter als hijzelf: eerlijk, serieus en een beetje dromerig, maar ook met vlagen van plotseling opkomende felheid. Ja, ook in zijn oudste zoon leefde de aanleg tot rusteloosheid, tot rondzwalken in de geest en het maken van verre reizen in de verbeelding.

 

Toen ze de blikjes hadden leeggedronken stapten ze weer op de fiets. Er was inmiddels wat bewolking op komen zetten. Af en toe zeilde er een wolk voor de zon, maar de temperatuur was erg aangenaam voor de tijd van het jaar. Geuren van fris gras en allerlei onbestemde geuren van het land bezwangerden de voorjaarslucht, alsof ze een belofte inhielden. Tegelijkertijd riepen ze een soort weemoed op – de weemoed naar het land Nimmermeer, de droombeelden van een onbezorgde jeugd op het platteland.

 

Tot zijn vijfde jaar had hij op het platteland doorgebracht. Vaak was hij in die tijd, zodra zijn kleine beentjes hem konden dragen, ertussen uit geknepen, uit de benauwende sfeer van het ouderlijk huis annex manufacturenwinkeltje, om zwerftochten te maken door het boerenland. Achter hun huis strekten zich, zo ver je kijken kon, weilanden en akkers uit. Een wirwar van weggetjes voerde door dat aardse paradijs. Een veelgebruikte pleisterplaats was de tuin van zijn opa geweest, die slager was en in zijn schaarse vrije tijd wat tuinierde. De tuin lag aan het eind van een smal, slingerend zandpad dat langs enkele boerderijtjes voerde. Daar had hij zich gelukkig gevoeld, zo helemaal alleen onder de zon, te midden van kriebelende, kruipende beestjes die je overal in de tuin zag rondscharrelen. Perkjes met aardappelen, bonen, rode kool en sla werden afgewisseld met braakliggende stroken grond. Soms nam hij een jampotje mee om er vlinders in te bewaren die hij met veel moeite gevangen had. Of hij stopte er gewoon een paar lieveheersbeestjes in die hij van de blaadjes van de heg plukte. Als de zon scheen in dit lustoord zong hij soms een psalm die hij op de kleuterschool had geleerd, zomaar, omdat hij zich goed voelde en het leven aangenaam was. Als er een paradijs was, zoals juf had verteld, dan moest dat vast en zeker wel wat lijken op deze tuin. Misschien was het een beetje groter en stonden er allerlei bomen in die hier niet voorkwamen, maar toch hadden ze wel iets van elkaar weg. Het nadeel van dat paradijs was natuurlijk wél dat er een grote slang in rond kroop die probeerde om de mensen te ‘verleiden’. Wat dat precies was wist hij niet, maar als juf dat zei klonk het wel erg akelig. Het had ongeveer dezelfde klank en dezelfde lugubere bijbetekenissen als wanneer hij zijn moeder hoorde voorlezen over Hans en Grietje, die door een boze heks naar binnen werden gelokt: eerst kreeg je zuurstokken en koekjes en was alles pais en vrees, maar daarna veranderde de sfeer en ging de deur op slot, waarna het ergste te vrezen viel. Als kind was hij gegrepen door dit duistere mysterie, dat toch maar eventjes liet zien dat de wereld niet zo fraai en simpel was als volwassen het vaak lieten voorkomen.   Maar ach, daar dacht hij niet zo vaak aan. Grote mensen hadden zo hun eigen zorgen en narigheid, daar kon hij niet te veel over inzitten.

 

"Papa, uitkijken!” Hij schrok op uit zijn overpeinzingen. Nog net op tijd kon hij een trekker ontwijken. Rakelings passeerden ze het grommende gevaarte, dat met draaiende motor aan de kant van de weg stond te wachten. De boerenknecht in zijn blauwe overall keek hem misprijzend aan met een amper ingehouden verwensing op z’n  lippen. Hij knikte hem vriendelijk toe.

 

Over een half uur zouden ze weer terug zijn in Leeuwarden. In de verte kon je het industrieterrein aan de rand van de stad al zien. Daarachter waren enkele kerktorens zichtbaar en een paar torenflats die erop duidden dat ook Leeuwarden met zijn tijd was meegegaan. Op deze afstand voelde hij al de sfeer van de stad, het netwerk van bezigheden, meningen, overtuigingen, het dagelijkse gedribbel en gebabbel van de tienduizenden Friezen die zich er hadden gevestigd. Geestelijk gesproken was elke stad en elke plaats een wolk van menselijke activiteit, gevoelens en gedachten, met uitschieters naar boven en naar beneden rondom de hoofdmoot, zoals een elektrisch veld op één plaats het sterkst was en naar de uiteinden toe steeds zwakker werd. Feitelijk kon je ook ieder mens als een verzameling overtuigingen, meningen, herinneringen en gedachten beschouwen, waarvan sommige elkaar leken uit te sluiten, maar desondanks deel bleven uitmaken van hetzelfde geheel, van een en hetzelfde perpetuum mobile van de geest. Wij zijn allemaal reizigers, besloot hij, terwijl hij vaart minderde omdat ze al praktisch thuis waren. We zijn reizigers van het land Nimmermeer naar het land van Ooit, dat nog komt. Zwijgend tilde hij zijn zoontje uit het zitje.