Hendrik Klaassens - Verhaal - Het monster


 
 
 Het monster

Een eigentijds sprookje over indringers in de menselijke geest


Ik kijk naar het monster. Het slaapt. Een uur geleden is het vanuit de keuken naar mijn slaapkamer gekropen. Daarna heeft het al zijn tentakels opgevouwen en is het gewriemel van zijn geschubde lijf overgegaan in een rustige, regelmatige ademhaling. Nietsvermoedend ligt het nu voor mijn bed te ronken, vlak onder het zilveren mes dat ik omklemd houd. Een paar uithalen naar de vormeloze kop zijn al voldoende. Waar wacht ik eigenlijk nog op? Heeft dat kreng mij nog niet genoeg narigheid bezorgd? Peinzend blijf ik een ogenblik staan, mijn greep om het lemmet verslapt. En als uit een diepe, oude zweer die opnieuw open gaat, komen alle herinneringen die ik geprobeerd heb te vergeten weer boven.

 

Sinds het monster in mijn leven kwam is alles anders geworden. Door een spleet in de houten vloer is het bij me ingetrokken. Een klein, onschuldig slakje was het toen nog en het kwam me gezelschap houden in een periode waarin ik mij erg somber voelde. Slijmerig was het toen al, dat wel, en het stootte me af. Maar op een ondefinieerbare manier wist het contact met mij te leggen. Al vanaf de eerste dagen dat het bij mij in huis rond kroop probeerde het mij op te beuren als ik weer eens een pestbui had. Dan ging ik op mijn bed liggen, schopte mijn schoenen uit en sloot mijn ogen. De slak, die zich voorstelde als Memo, kroop dan naar mij toe en begon te vertellen. Hij beweerde dat hij mij door en door kende en zei tegen me dat ik een ridderlijke inborst had. Niet van dat stripverhalenwerk, nee: een echte ridder, iemand met aristocratisch bloed, een Held. Hij sprak dat woord met een hoofdletter uit.

 

In het begin geloofde ik hem niet. Maar wat hij zei klonk aangenaam en zijn zoetgevooisde stem monterde mij op. Stel je toch eens voor: ik een ridder, met wuivende helmbos, een maliënkolder en een zwaard dat losjes aan een riem om mijn middel bengelt. Ergens smacht een jonkvrouw met half ontblote boezem en Jacoba van Beierenpuntmuts op naar mijn terugkeer. Ja, dat leek mij wel wat. Ga verder, zei ik dan tegen hem, waar haal je die wijsheid vandaan? Ach heer, antwoordde hij, al vanaf het eerste moment dat ik u zag had ik het in de gaten. Zulke vurige, onverschrokken ogen als u hebt, die zie je zelden meer. Uw fiere gebaren en vaste tred verraden uw adellijke natuur, dat ziet een kennersoog onmiddellijk. U moet gewoon naar uw ware aard gaan leven, dan losse alle sores zich vanzelf wel op.

Die gedachte stond mij wel aan. Maar omdat ik hem niet helemaal vertrouwde, vroeg ik hem mij het bewijs te leveren voor zijn boude bewering. Die zal ik u geven, antwoordde hij, maar onder één voorwaarde: dat ik deze nacht naast u op uw kussen mag slapen. Na enige aarzeling stemde ik toe.

 

Toen ik de volgende morgen wakker werd, was alle somberheid uit mij verdwenen. Energiek stapte ik uit bed en bekeek mijzelf eens voor de spiegel. Dat rondsoppen in mijn eigen ellende moest maar ‘es afgelopen zijn, besloot ik. Mijn houding moest veranderen. Ook letterlijk. Fier stak ik de borst vooruit en kantelde mijn bekken iets naar achteren. Mijn handen plantte ik losjes in de zij en mijn hoofd hield ik schuin achterover. Zo, dat gaf direct al een heel andere aanblik. Als ik mij straks in deze houding op straat zou begeven, zou niemand mij meer herkennen. Ik nam een koude douche en bezag vol walging het slappe, halfslachtige leven dat ik tot nog toe had geleid. Waarom was ik na het V.W.O.  eigenlijk niet gaan studeren? En waarom had ik nog steeds geen vriendin? Het was allemaal gewoon een kwestie van dóórzetten. Nadat ik mij had aangekleed en wat had gegeten, fietste ik naar de universiteit om een inschrijvingsformulier op te halen. Theologie, dat leek mij wel wat. Dat verdiepte je levensinzicht. Doorstoten naar de top, naar het allerdiepste en het allerhoogste, waarom had ik dat nooit eerder geprobeerd?

 

Sinds die dag is de omgang met mijn slak vertrouwelijker geworden. Voortaan vlijde hij zich elke nacht naast mij op het kussen en voorzag mij tijdens mijn slaap van nieuwe levenskrachten. Onafgebroken lag ‘ie dan te murmelen over mijn goede eigenschappen en mijn ridderlijke natuur. En het werkte. Ik ging vooruit, dat kon je aan alles merken. Met tegenstanders veegde ik de vloer aan en schone jonkvrouwen maakte ik regelmatig het hof. Eentje meer of minder deerde niet, dat hoorde er gewoon bij. Mijn studie liep op rolletjes.

Ondertussen begon de slak te groeien. Elke morgen was ‘ie weer een beetje groter geworden. Eerst kon mij dat niet zo veel schelen, want dankzij hem beschikte ik over een schier onuitputtelijk dosis energie. Maar toen hij zo groot was geworden als een mannenvuist, begon de aanwezigheid van zijn weke, lillende massa op mijn hoofdkussen mij fysiek zó tegen te staan, dat ik van hem eiste dat ‘ie ergens anders ging slapen. Mokkend ging hij daarmee akkoord. Voortaan zou hij de nacht wel onder mijn bed doorbrengen.

 

Vreemd genoeg namen mijn krachten daarop af. De slak groeide ook niet meer. Toen ik hem weer ‘es om raad vroeg, vertelde hij mij dat dit kwam doordat de energie die van hem uitging alleen effectief op mij kon overgaan wanneer hij zich zo dicht mogelijk bij mij bevond. Eigenlijk zou hij het best met mij kunnen samenwerken als hij ’s nachts tegen mij aankroop. Hoewel ik dat een walgelijke gedachte vond, ging ik er na lang wikken en wegen mee akkoord. En ook nu weer bleek de slak gelijk te hebben. Mijn ridderidealen indachtig werd mijn houding nog kloeker dan eerst. Elke sneer van het grauw pareerde ik ogenblikkelijk en klunzige brieven van bedrijven en instanties werden door mij met gepaste minachting beantwoord. Een ridder laat zich immers niet koeioneren. Noblesse oblige! Mijn minnaressen behandelde ik evenzo.

 

De bijverschijnselen van deze opstelling lieten niet lang op zich wachten. Met steeds meer mensen kreeg ik het duchtig aan de stok. Vriendinnen, buren, studiegenoten – op steeds meer terreinen smeulden de irritaties. Hoewel de slak, die inmiddels zo groot was geworden als een flinke kater, mij nog steeds van energie voorzag en mij ’s nachts verhalen influisterde over mijn verheven roeping, begon het geruzie met anderen steeds meer kracht van mij te vergen. ’s Nachts kroop ik uitgeput in bed en alleen het vooruitzicht van de mooie dromen die ik zou krijgen weerhield mij er dan van om me van de slak te ontdoen.

 

Naarmate ik kwistiger met mijn energie omsprong werd mijn vermoeidheid diep binnenin alsmaar groter. Opnieuw vroeg ik de slak om raad. Hij antwoordde me, dat mijn probleem niet onoverkomelijk was. Als hij overdag, verstopt onder mijn overjas, overal mee naar toe mocht, kon ‘ie mij altijd subiet adviezen geven en van de nodige power voorzien. Ik voelde weerzin bij die gedachte, maar omdat ik zo niet langer door kon gaan, willigde ik zijn verzoek in. Elke morgen verborg ik hem, voordat ik de deur uitging, onder mijn overjas. Dan kroop ‘ie langs mijn ruggengraat omhoog tot vlak onder mijn nek. Dat had het nadeel dat ik daardoor wat voorovergebogen liep, maar voorlopig voelde ik me weer fit en zelfverzekerd, en dat is ook wat waard.

 

Na verloop van tijd merkte ik dat hij steeds tirannieker begon te worden. Zijn aanwijzingen kregen steeds meer het karakter van bevelen. Hij bemoeide zich werkelijk overal mee. Geen enkele plagerige, op zichzelf onschuldige opmerking van een ander mocht ik meer over mijn kant laten gaan. Noblesse oblige, fluisterde hij me dan in. En ik gehoorzaamde. Hele vetes vocht ik uit. Met de buurt, met kennissen, zelfs met vrienden. Al mijn tijd, energie en zelfs al mijn geld ging zitten in het bestrijden van het rapaille dat ik overal tegenkwam. Toen ik mij dat met een schok realiseerde, besloot ik mij van de slak te ontdoen.

 

Dat was eenvoudiger gezegd dan gedaan. De mentaliteit van de slak had zich diep in mij genesteld. Overal loerden vijanden op me, overal bestreed ik het onrecht en het janhagel. Maar het grootste janhagel was ik zelf ondertussen geworden. Daar moest verandering in komen! Ik verbood de slak daarom nog langer met mij op stap te gaan. Slapen op mijn kussen was er ook niet meer bij. Maar hij wilde van geen wijken weten. Sterker nog, hij begon te groeien als kool. Als ik hem ’s nachts in de tuin had gegooid, trof ik hem de volgende morgen in de keuken aan. Hij begon zelfs schubben te ontwikkelen. Zijn ogen op steeltjes veranderden in grote, loerende reptielenogen. En ook al sliep hij dan niet meer naast mij, de invloed die hij op mijn dromen had werd er niet minder om. Badend in het zweet werd ik uit nachtmerries wakker. Als ik dan trillend als een rietje om mij heen keek, zag ik hem in het schemerdonker voor mijn bed liggen. Uiteindelijk nam hij de gedaante aan van een reusachtige, geschubde kwal met tentakels eraan. Het afschuwelijkste was, dat al mijn gedachten, mijn hele doen en laten, op den duur door hem werden bepaald. Alsof alles zijn vorm en gedaante aannam, zijn geest ademde. Elk voorwerp in huis, elk contact met anderen, elk gerucht van buiten, elke handeling die ik verrichtte stond na verloop van tijd in het teken van het beest.

 

Gelukkig had ik in al die jaren heel wat opgestoken van mijn studie over de verborgen kant van de wereld. Mijn theologische opleiding had mij tot het inzicht gebracht dat het goed was om je af en toe ook ‘es open te stellen voor andere bestaansniveaus. Er was méér dan alleen maar de zichtbare, concrete en vaak platvloerse werkelijkheid. Ondanks – of misschien wel dankzij – de conflicten die ik overdag met jan en alleman uitvocht, was er in mij een gevoeligheid gegroeid voor de ragfijne wereld van de ziel, voor de subtiele, vaak nauwelijks merkbare gevoelens en gedachten die voortdurend vanuit de geestelijke wereld op je inwerken. De slak had daar maling aan: hij wist dat deze dingen me interesseerden, maar hij verfoeide deze manier van denken hartgrondig. Daarom probeerde hij mijn boeken over mystiek en esoterie te verstoppen. Maar ik was hem te slim af en verborg ze op een plekje op zolder waar hij niet bij kon komen. ’s Nachts, als ‘ie lag te slapen, haalde ik ze tevoorschijn en las erin totdat m’n ogen dichtvielen van vermoeidheid. En zo groeide in mij een andere manier van denken.

 

Uiteindelijk zou dat mijn redding betekenen. Ik had me nu al zó ver in de nesten gewerkt, dat ik besefte dat ik me niet meer op eigen kracht van de tirannie van het monster kon bevrijden. Daarom richtte ik ’s nachts, als het huis in diepe rust was, mijn smeekbeden tot de goede geesten waardoor ik mij wist omringd. In het begin gebeurde er niets; er kwam geen enkele reactie, hooguit een licht, kalmerend gevoel. Maar na maanden tevergeefs wachten werd mijn schreeuw om hulp eindelijk verhoord. In een droom verscheen mij een jonge vrouw. Ze droeg een lange, witte pij. In haar hand hield zij een zilveren mes. Daarmee moest ik zeven nachten, telkens vlak voor het slapen gaan, een paar keer uithalen naar het monster. Elke keer dat ik dat deed, zou een zevende deel van het beest in water veranderen; dat moest ik dan opdrinken. Na de zevende nacht zou het gedrocht voorgoed verdwenen zijn, maar het water zou nog lange tijd een bittere smaak in me achterlaten. Het mes dat ik nodig had zou ik, de volgende morgen, naast me op het kussen vinden.

 

Vanmorgen trof ik het moordwapen op mijn kussen aan. Voorzichtig heb ik het opgeraapt en in een handdoek gewikkeld. Dat heb ik de hele dag bij me gedragen, want ik vertrouw die slijmbal voor geen cent meer. Hij wordt steeds brutaler. Als ik aan het eind van de middag thuis kom, tref ik overal slijmsporen aan. Dan is meneer weer ‘es op strooptocht geweest. Laatst heeft ‘ie stiekem al mijn broodbeleg opgegeten, dat schijnt de nieuwste mode te zijn.

Ongeveer een uur geleden is ‘ie vlak voor mijn bed in slaap gevallen. Rustig en regelmatig gaat zijn geschubde lijf op en neer. In mijn hand houd ik het zilveren mes. Langzaam breng ik mijn hand naar de kop of wat daarvoor doorgaat: een kwabbig uitsteeksel met twee ogen, een mond en twee diepe poriën die als gehoororgaan dienen. Bevend hef ik mijn arm op.

Ik kijk, durf haast niet te kijken. Dan steek ik toe - snel, hard en onverbiddelijk. Geluidloos lost de kop van het ondier op in helder water. Ik vang het op in een kommetje dat ik vasthoud in mijn andere hand. Drinken maar!

 

 

Er bestaan tal van visioenen over de drie dagen van duisternis, die onmiddellijk vooraf zouden gaan aan een radicale omvorming van de aarde. Zij  inspireerden me tot het schrijven van een kort verhaal. Dit is pure fantasie, geen 'openbaring' of toekomstvoorspelling. Ik geef alleen weer wat er aan beelden bij me opkwam toen ik die visioenen op mij in liet werken.

 
Hendrik Klaassens