Hendrik Klaassens - Verhaal - Long tall ships

 
 
 
 
 
Long tall ships

 

Hij klapte het tuinstoeltje open en plantte het in het vochtige gras van de zeedijk. Hiervandaan had je een schitterend uitzicht over het wad. Aan zijn voeten, een meter of tien lager, lag een vuilgrijs strand dat zelden door badgasten werd betreden. Lange repen half vergaan zeewier, plastic flessen, rottende balken en een enkel stuk schoeisel vormden de garnering van deze strook niemandsland tussen zeewering en wad. Eigenlijk kon je niet eens van een strand spreken; het was meer een kwelder, bestaande uit een stelsel van onregelmatig gevormde zandplaten die door grote en kleine slenken van elkaar werden gescheiden. Wat verder uit de kust ging de kwelder geleidelijk over in de Waddenzee. Omdat het half bewolkt was, werden weidse stroken van het waterlandschap tussen de dijk en de eilanden aan de overkant door de zon beschenen. Dit was het vergezicht waar hij zo verzot op was en dat hem diep van binnen kalmeerde: een ingetogen clair-obscur, een maritiem spel van licht en schaduw, zon, wind en weidse verten.

 

Hij haalde zijn fototoestel tevoorschijn. Speels liet hij de zoomlens in- en uitzoomen terwijl hij door de zoeker het waterlandschap afspeurde. Aan de horizon zag hij een olietanker langzaam verder glijden in de richting van de Duitse havensteden of misschien wel de Scandinavische kust. Hij zoomde in op maximale vergroting en drukte af. Daarna borg hij het toestel weer voorzichtig op.

 

Waarom kon hij toch niet het leven leiden dat hij wilde, peinsde hij, waarom werden zijn gedachten onwillekeurig vaak weggezogen naar allerlei emotionele ballast die hem al sinds jaar en dag het leven vergalde? Hij wilde vrij zijn, zich krachtig en soeverein verheffen boven het gebeuzel en de beslommeringen van alledag. Als een meeuw wilde hij het luchtruim kiezen, statig en sierlijk weg wieken naar de verten, een blinkende stip in de eindeloze ruimte van zon, lucht en zee. En als nooit tevoren drong het besef zich aan hem op dat die ruimte en die weidsheid al in de kiem in zijn binnenste verscholen lagen, klaar om te worden gewekt. Het antwoord op al zijn zoeken en vragen lag binnenin, in de verborgen binnenkant van zijn dromen en gedachten. De sleutel tot dat verboden rijk lag ergens in zijn gevoel, zijn oeroud besef een vrij wezen te zijn, een lichtende geestelijke gestalte, een scheppend, ademend, soeverein wezen, opgebouwd uit licht, weidsheid en geest. Tot díe kern door te dringen, vanuit dát besef, die zekerheid te kunnen leven – dat moest het einddoel zijn van dit bestaan, en niets anders. Maar wat weerhield hem daar dan van?

 

Al onze beperkingen zijn denkbeeldig, besefte hij, het zijn verdichtsels die we hebben meegenomen uit onze jeugd en die door latere ervaringen telkens door onszelf zijn versterkt en bevestigd: aanslibsels van angst, twijfels en onzekerheid over onze ware identiteit. Tussen onszelf en de werkelijkheid daar buiten staan onze eigen drogbeelden in, lachspiegels van de geest, kromme lenzen die het onbelangrijke vergroten en het meest wezenlijke aan het oog onttrekken. Naarmate we ouder worden beitsen we allerlei denkpatronen steeds dieper in onze geest, totdat we op den duur het gevoel hebben dat we erin gevangen zitten. We ontwikkelen de mentaliteit van de gevangene, die vanuit van zijn zelfgeschapen cachot naar zichzelf en de wereld kijkt en daarbij droef constateert dat het hier beneden maar een zootje is en dat ook altijd wel zal blijven. Maar we hebben zelf ijverig meegebouwd aan dit huis van bewaring en we zullen het ook zelf weer steen voor steen moeten afbreken als we werkelijk vrij willen zijn.

 

Hij zuchtte diep en stond op. Langzaam daalde hij de glooiing van de dijk af, op weg naar het wad. Beneden aangekomen bleef hij staan. De zilte lucht prikkelde zijn tong en lippen. Met zijn blik volgde hij de scheervlucht van een meeuw die koers zette naar de eilanden. Sierlijk heen en weer laverend in de matige tegenwind loste het silhouet van het beest tenslotte op in het grijs en blauw boven de horizon. Jonathan Livingstone Seagull, dacht hij, met eendere vleugelslag wil ik hier al mijn angsten en problemen achterlaten en een nieuw leven beginnen.

 

Hij werd in deze gedachtegang gestoord doordat zijn schoenen langzaam maar zeker waren weggezakt in de drassige kwelder. Het sop was tot zijn sokken en schoenen doorgedrongen. Gelaten liep hij terug naar het klapstoeltje. Daar trok hij zijn sokken en schoenen uit. Terwijl hij zijn sokken met nijdige bewegingen uitwrong, schoot hem opeens te binnen dat hij waarschijnlijk vergeten had om de portieren van de auto af te sluiten. Zo heel erg was dat niet, want wie kwam er nu op het idee om een eenzame auto die op een verlaten landweggetje aan de voet van de zeedijk stond te stelen? Die anderhalve man en een paardenkop die hier voorbij kwamen taalden daar niet naar: dat waren sportvissers of boeren die hier in de buurt woonden. Toch vond hij het idee alleen al niet prettig. Daarom stapte hij met zijn blote voeten in zijn schoenen. Met zijn klapstoeltje in de ene, en zijn natte sokken in de andere hand daalde hij de trap van de zeedijk af. Hij rommelde in de zakken van zijn broek en overjas naar de autosleutel. Tevergeefs. Het zweet brak hem uit. Wat moest hij nu? Hij probeerde de portieren, maar ze zaten allemaal op slot.

 

Daar stond ‘ie dan, moederziel alleen in de polder. Het autosleuteltje was natuurlijk uit zijn broekzak gegleden toen hij de tuinstoel bovenaan de zeedijk had uitgeklapt. Hij zette het stoeltje tegen de kofferbak van de auto, de natte sokken er bovenop. Moeizaam zeulde hij weer naar boven. Bah, wat een kaal en rottig landschap was dit toch. Was hij maar thuis gebleven, dan had hij tenminste nog naar het voetballen kunnen kijken, naar Ajax-Borussia Dortmund. Maar nee hoor, als filosoof en schrijver moest hij vanavond natuurlijk weer iets zwaarwichtig doen, bovenop een dijk zitten uitstaren over het wad om er zijn leven te overdenken. Wat een zelfkwellerij was dit toch eigenlijk.

 

Na lang zoeken vond hij eindelijk het sleuteltje, niet ver van de plek waar hij al die tijd had gezeten. Opgelucht liep hij andermaal de trap af. Hij opende de kofferbak en smeet er nijdig zijn stoel en kletsnatte sokken in. Hij startte de motor en zette een bandje op met kalmerende muziek van Enya. In gedachten verzonken reed hij terug naar huis. Weids en sonoor galmde het nummer ‘Long tall ships’ uit de speakers. Bij het luisteren naar deze muziek herwon hij geleidelijk zijn kalmte. Niet meer zo verschrikkelijk diep nadenken nu, dacht hij. Laat ik voortaan maar mijn gevoel volgen. Ik ben nog maar pas veertig; ik heb nog tijd van leven. En hij kon weer een beetje glimlachen om zijn eigen chaoterigheid, zijn drukke, bestudeerde gedoe, zijn intellectuele scherpslijperij. Zacht neuriede hij mee op het ritme van het Enya-nummer. De buitenwijken van de stad waarin hij woonde kwamen al in zicht. Zelfs een verdekt opgestelde flitspaal die weerlichtend achter hem afging kon hem niet meer uit zijn evenwicht brengen.

                                                                                                

Hendrik Klaassens.