Kerstmis - Gedichten van Advent tot Driekoningen


Zalig kerstfeest



 
 
 
 
 

Wäre Christus tausendmal in Bethlehem geboren,
und nicht in dir, du bleibst doch ewiglich verloren!
Das Kreuz von Golgotha kann dir nicht von dem Bösen,
wo es nicht auch in dir wird aufgericht, erlösen.
Ich sag, es hilft dir nicht, daß Christus auferstanden,
wo du noch liegen bleibst in Sund’ und Todesbanden

Angelus Silesius

Was Christus duizendmaal in Bethlehem geboren,
en niet in u, gij zijt toch eeuwiglijk verloren.
Het kruis van Golgotha, zo ‘t niet ook in uw hart is opgericht
Verlost u niet van boosheid waarvoor u telkens zwicht.
Ik zeg, het helpt u niet dat Christus is opgestaan
Waar u nog liggen blijft daar waar zonde en dood u neerwaarts slaan.

vrij vertaald

 

KERSTNACHT

 Kerstnacht - het woord is als een lafenis,
een koele sneeuw, glanzend onder het zachte
stralen der sterren - op de landen is
het weerloos stil, een ongerept verwachten.

Kerstnacht - het eenzaam zwerven der gedachten
rondom het oud verhaal, het nimmer uit te spreken
verlangen naar het helder zingen in de nacht en
het opgaan van de ster, een lichtend teken.

Kerstnacht - het sneeuwt op uw geschonden aarde,
dun en verstuivend dekt een huivering
van ijle val, een lichte zuivering
het vragen, dat wij ongestild bewaarden.

Ida Gerhardt
uit: Kosmos - 1940

 
 Kerstverlangens.



 
Midden in de donkere weken
van december, elk jaar weer,
doet een onverklaarbaar heimwee
elk mens verlangen, keer op keer
 
We zien het in de winkels
we zien het op de straat
waar op ieder ledig plekje
een boom te fonkelen staat
 
De lichtjes in die bomen
helen zij de smart?
Of zijn ze een verdoving
Voor een verlangend mensenhart?
 
En dan ineens, een echte ster
verlicht de donkere nacht
En meldt ons met zijn lichtglans
Dat er redding is gebracht
 
Nog liggend in een kribbe
als een kind, onschuldig rein
Doch met voor elk mens het troostwoord:
dat Hij graag in ons hart wil zijn.
 
Laat ons dan bezinnen
Of ons hart er klaar voor is
Of er in onze herberg
wél plaats voor Christus is.
 
©Francine - 14/12/2006


 
 
 Kerstliedje

 
Zij waren de dag zich moe gegaan
met zwoegen en met gezucht,
in de late avond kwamen zij aan
in Bethlehem het gehucht.

Maria en Jozef liepen tesaam
de donkere straten door
en vroegen bij alle menschen aan
en vonden er geen gehoor

En hadden eindelijk in een stal
hunnen intrek genomen
en zochten zwijgend zich terecht
in dit hun onderkomen.

Na angst en noden waren gerust
ingeslapen zijn beien
en ook het kindje was gesust,
dat gekomen was met schreien.

Maria lag bij haar jonge kind
gelukkig en uitgeput
en Jozef hield zijn knikkend hoofd
in de linkerhand gestut.

En engelen zweven met vleugelslag
om de drieën, dit nieuwe gezin
en de drie koningen komen aan
en houden hun voeten in.

J.H. Leopold

 
 Herodes
 
 

De koning heeft het goed begrepen;
zijn koninkrijk loopt vast.
Het is van kleur ontdaan
en metterdaad
tot op de draad
versleten.
De mantel van zijn dromen
hangt hem
verouderd om de schouders,
de zwakke leden:
de koning heeft het goed begrepen.
Eropuit! Het kind te vinden,
het kind te vinden dat hij zelf niet is,
het kind te vinden om het even.
De koning slaat beminden voor het leven.
De koning heeft het goed begrepen.

Alfred Valstar


 
 

Het is zover!
 
Er zijn soms van die nachten,
dat het wel lijkt of Jezus komt.
Een ster straalt meer dan anders
en alles om mij heen verstomt.
’k Zie dat in ijle verten
een heerlijk morgenlicht opgaat
en op mijn netvlies trillend
het beeld van de Verlosser staat.
 
Ik denk weer aan de avond,
dat vader mij ’t verhaal voorlas
van Jezus die op aarde
voor ieder mens gekomen was.
Weer hoor ik eng’len zingen
op de antieke grammofoon.
De plaat was haast versleten
en toch klonk het zo wonderschoon.
 
Maar bij het pril ontwaken
zie ik geen enk’le herder staan.
De beelden die ik meedroeg
zijn als in dromen opgegaan.
Misschien dat deze nacht wel
het licht straalt van die wond’re ster,
mijn vader zacht zal wenken:
Kom nu maar mee, het is zover!

Frits Deubel

 
 
 De herders.

 

Omdat eenvoudigen verstaan
Wat door geen ingewikkeld zoeken
Noch lezen in geleerde boeken
Begrepen wordt of nagegaan,
 
Zijn herders toen in uwe stal
Geknield en hebben U aanbeden;
Dit is tweeduizend jaar geleden
En nog weet elk het overal.
 
Geen mens heeft ooit hun naam gemeld;
De rest van hun onschuldig leven
Is door geen wetenschap beschreven,
Wordt slechts aan kinderen verteld.
 
door Anton van Duinkerken (1903-1968)
uit: 'Verzamelde gedichten', 1957

 
 
 
 Hieronder twee van mijn lievelingskerstgedichten aller tijden.
 
 
 Nu zal het wel gauw gaan sneeuwen
 

 

Nu zal het wel gauw gaan sneeuwen,
dan worden de wegen wit.
Dan rijden de drie kamelen,
waarop elk een koning zit.
Door een woestijn van eeuwen,
vol boosheid en gevit.

De herders liggen bij nachte,
te waken op het veld.
Bij hun schaapjes met witte vachten,
een engel heeft het hun verteld.
Dat Jezus niet langer kon wachten,
want de wereld moet hersteld.

Wat herders en koningen hopen,
het maakt gering verschil:
'Men kan het geluk niet kopen,
maar voor goede mensen van goede wil'.
Gaat de hemel eenvoudig open,
en dan wordt alles stil.

Alleen wie het kwade begeren,
die mogen niet binnen gaan.
De hemel is daar voor wie leren,
de goedheid te verstaan.
Die de mensen door ons ontberen,
als wij hebben kwaad gedaan.

Door een woestijn van eeuwen,
vol boosheid en gevit.
Rijden de drie kamelen,
waarop elk een koning zit.
Nu zal het wel gauw gaan sneeuwen,
en dan wordt de wereld wit.
 
Anton van Duinkerken

 
 
 
 

Rey van Klaerissen

1.
O Kersnacht, schooner dan de daegen,
hoe kan Herodes 't licht verdraegen,
dat in uw duisternisse blinckt,
en word geviert en aengebeden?
Zijn hooghmoed luistert naar geen reden,
hoe schel die in zijn ooren klinckt.
 
2.
Hy pooght d'onnoosle te vernielen,
door 't moorden van onnoosle zielen,
en weckt een stad en landgeschrey,
in Bethlehem en op den acker,
en maeckt den geest van Rachel wacker,
die waeren gaet door beemd en wey;
   
3.
Dan na het westen, dan na'et oosten.
Wie zal die droeve moeder troosten,
nu zy haer lieve kinders derft?
Nu zy die ziet in 't bloed versmooren,
aleer ze naulix zijn geboren,
en zoo veel zwaerden rood geverft?
 
4.
Zy ziet de melleck op de tippen
van die bestorve en bleecke lippen,
geruckt noch versch van moeders borst.
Zy ziet de teere traentjes hangen,
als dauw, aen druppels op de wangen:
zy ziet ze vuil van bloed bemorst.
 
5.
De winckbraeuw deckt nu met zijn booghjes
geloken en geen lachende ooghjes,
die straelden tot in 't moeders hart,
als starren, die met haer gewemel
het aenschijn schiepen tot een' hemel,
eer 't met een' mist betrocken werd.
 
6.
Wie kan d'ellende en 't jammer noemen,
en tellen zoo veel jonge bloemen,
die doen verwelckten, eerze noch
haer frissche bladeren ontloken,
en liefelijck voor yder roken,
en 's morgens droncken 't eerste zogh?
 
7.
Zoo velt de zeis de korenaeren.
Zoo schud een buy de groene blaeren,
wanneer het stormt in 't wilde woud.
Wat kan de blinde staetzucht brouwen,
wanneer ze raest uit misvertrouwen!
Wat luid zoo schendigh dat haer rouwt!
 
8.
Bedruckte Rachel, schort dit waeren:
uw kinders sterven martelaeren,
en eerstelingen van het zaed,
dat uit uw bloed begint te groeien,
en heerlijck tot Gods eer zal bloeien,
en door geen wreedheid en vergaet.

Joost van den Vondel, uit: Gysbreght van Aemstel, 1637

 
 
 
 

Advent, tijd van hoop, verlangen.

 


 
Advent, tijd van hoop, verlangen,
uitziend naar het komend licht.
Door omsloten en gevangen,
horende het blijde bericht.

Heil en vrede die zal dagen,
in  de tijd die zacht vervloeit.
In het licht dat op zal dagen,
blij omstraalt, erdoor geboeid.
 
Kaarsen, viermaal stil ontstoken,
voorboden van ’t komend feest.
Als de dag is aangebroken,
waarop ’t Kind ons hart geneest.

Dag waar vrede wordt geboren,
langzaam groeiend wereldwijd.
Vrede die voor ’t oog zal gloren,
door Het Kind ons uitgespreid.
 
Justus A. van Tricht

De blijde boodschap heeft geklonken
 
De blijde boodschap heeft geklonken,
Gods woord door Gabriel gebracht.
Het hemels licht heeft opgeblonken,
en rijk gestraald in duist’re nacht.

Aan herders heeft God doen verkonden,
de komst en de geboort’ van ’t kind.
Die ons zal redden van de zonden,
in Beth’lehems stal in ’t stro bevindt.
 
De hele wereld moet het horen,
God maakte Zijn belofte waar.
Uit Davids stam is ons geboren,
de Vredevorst, de Middelaar.

Komt laat ons dan dit kind aanbidden,
Immanuel wordt Hij genoemd.
Hij die als koning in ons midden,
als de Verlosser hoort geroemd.
 
Justus A. van Tricht


Esoterische Kerst.

 
 

In dit kerstgedicht heb ik geprobeerd om de beginverzen van het Johannesevangelie te integreren in het wonder van de komst van Christus op aarde.  

 

In den beginne was het Woord…

Ofwel het goddelijk Licht

Dat als een Ster van Bethlehem

Op de aarde was gericht.

Dit was in het begin bij God….

De Sofia [*] die materie schiep

De engel die Maria riep

En ons een redder zond.

Alle dingen zijn geworden

Door dat goddelijk Woord….

Maar al te vaak wordt Leven nog

Door Herodes weer vermoord.

In het Woord was leven,

Leven van de Geest

Om ons dit te verkondigen

Is dat kindje hier geweest.

Licht was het, voor de mensen

Met een open oog

De herders in de velden

Zágen die ‘engelenboog’

Maar velen in de duisternis

konden naar dat Licht niet kijken

beangstigd dat hun geld en macht

daaronder zou bezwijken

De duisternis begreep het niet

dat het kind daar in die nacht

Voor alle mensen Licht

en de hoogste Rijkdom bracht.

[*] Wijsheid


©Francine, 2005

De Herders
 

De herders stonden in die nacht vooraan
en de eenvoudigen, de minsten daar, verstonden
het grote wonder, raakten opgewonden
van woorden die niet eens werden verstaan.

Men kent de namen van de mannen niet.
Er staat geschreven dat er herders waren,
drie, vier of meer, maar na tweeduizend jaren
zijn zij nog steeds een dierbaar kinderlied.

En het werd waar: de minderen zijn meer.
Zij hadden geen geschenken meegenomen.
De koningen zijn later pas gekomen,
maar herders knielden toen als eersten neer.

Van tranen of van licht, de ogen blind,
gaven zij zo zichzelf als offerande.
Met grote, ruwe, moe gewerkte handen
streelden zij zacht het nieuwgeboren kind.
 
©Jos Brink

 

Ierse kerstwens.

 

Niet dat geen enkele smart over jou mag komen,

Niet dat jouw toekomstig leven een pad van rozen zij,

Niet dat je nooit een traan van spijt zou vergieten,

Niet dat je nooit een steek van pijn zou voelen.

Neen, dat alles wens ik je niet....

Want tranen zuiveren het hart,

Smart adelt het gemoed,

Pijn en nood brengen ons dichter bij de liefdevolle Moeder van het kind van Bethlehem en verzekeren ons van de troost van haar glimlach.

Mijn wens voor jou is

Dat je voor altijd in je hart de gouden herinnering bewaren mag aan elke gelukkige dag die je hebt gekend.

Dat je dapper mag zijn in het uur van de beproeving wanneer het kruis je op de schouders wordt gelegd, wanneer de berg die je moet beklimmen heel hoog lijkt en de lichtkrans van hoop zeer ver weg.

Dat iedere gave die God je schonk mag groeien met de jaren en de harten van hen die je liefhebt met hun kleur vervult.

Dat je ieder uur een vriend mag hebben, die je vriendschap waard is, die je vertrouwd de hand reiken kunt, wanneer de stormen losbreken, en met wie je de stortvloeden kunt doorwaden en de zon-overstraalde hoogten kunt bereiken.

En dat in ieder uur van vreugde of leed, de vrede brengende glimlach van het Kerstkind met jou mag zijn en dat je dicht bij God mag blijven.

Dat wens ik U.

 

Anno Domini
 
Mijn God, ik ben soms bang voor 't komend jaar,
zo bang voor dingen, die zomaar gaan gebeuren.
Ik kom met al mijn vragen, angsten, zorgen lang niet klaar,
soms voel ik mij gebonden achter stalen deuren.
 
Mijn God, ik ben zo bang dat nooit de engel komt
die mij Uw stralend licht zal binnenleiden.
Mijn blijdschap is zo broos, mijn lied verstomt,
als U mij niet komt redden, wie zal mij bevrijden?
 
O God, ik ben zo bang, ik ben alleen,
rondom mij staat het donker, dreigend hoge muren...
En als U komt, waar voert u me dan heen?
Ik vrees, o God, ik vrees Uw oordeelsvuren...
 
- Vrees niet, want nòg zend Ik Mijn eng'len neer,
nooit hoeft een kind van Mij de vreugd van Kerst te derven.
Want voorzeker geboren is Christus, de Heer,
van Hem mag je zijn in leven en sterven! –
 
Nel Bisschops

 
 
 

Gebed



Leer mij het nieuwe leven
in mijn hart
te koesteren en te
beschermen.
Doe mij stilstaan bij dat
Licht,
de geboorte van de Geest
in die stal, mijn
eenvoudige hart.
Dat ik in staat mag zijn
te ontvangen, écht te
ontvangen,
zonder voorwaarden.
Dat ik het zwaard van
Jezus
liefdevol mag hanteren
en een mens van U mag
zijn.

Bron: Roelof Tichelaar - goednieuwsbrief 14 - december 2012

 

Maria zingt in gouden avondstond

Maria zingt in gouden avondstond
met blanke kele
en rode mond.
De rozen staan op hoge stelen,
een vogel luistert in het riet.

Dan sluimert 't kind in hare schoot,
haar ogen zijn van weelde groot
en in haar mond verzoemt het wiegelied.

De maanschil perelmoert in 't water,
maar in de schaduw sluipt de dood.
Gelukkiglijk, dat ziet ze niet,
dat is voor later.

Adagio - Felix Timmermans


Troostlied voor wie met kerst alleen is
 


Wees niet zo bang voor kerst.
Het zijn twee dagen,
dat is niet meer dan achtenveertig uur.
En uren, het ene vlug, het andere trager,
uren vervliegen op den duur.

Raak niet verloren in herinneringen,
wees toch een beetje wijzer deze keer.
Zing maar 'Stille nacht' als je kunt zingen,
want stil zal het zijn, die nachten. Zeer.

Zing in jezelf: 'De witte vlokken zweven.'
Terwijl de regen langs de pannen ruist.
Het kind is niet in Bethlehem gebleven:
Het is naar Golgotha verhuisd.

Gedenk de dieren op de schalen en borden,
die zitten meer dan jij in de puree.
Eten is beter dan gegeten worden
ook in de glans van Lucas 2.

Zeg 'nee' als mensen je te eten vragen,
want in een andermans gelukkige gezin
daar is de kerstboom enkel te verdragen
met een uitslaande brand erin.

Wees niet zo bang voor Kerst.
Het zijn twee dagen.

Willem Wilmink

 

De herbergier
 
Waarom word ik door alle eeuwen
Beticht van onbarmhartigheid?
Ik zou het wel uit willen schreeuwen:
Ik kón niet anders in die tijd!

Ach ja, u hebt wel makkelijk praten,
Maar moest ik dan een zwangere vrouw
Tussen die ruwe mannen laten?
Als zij haar kind dáár krijgen zou
Dan was zij ook niet te benijden.
Dus heb ik hen naar de stal gebracht;
Ze waren dankbaar en bescheiden.
(Ik vroeg hun geen geld voor deze nacht)

En toen de herders mij vertelden
Van het licht en van het hemels lied
Dat engelen zongen in de velden,
Geloofde ik mijn oren niet:
Want in míjn stal werd Hij geboren
Wiens komst zo lang reeds was voorzegd.
Waarom moest ik dan steeds weer horen:
‘Die herbergier was hard en slecht?’

Nel Benschop