Carlos Ruiz Zafón

Carlos Ruiz Zafón  



Carlos Ruiz Zafón (Barcelona, 25 september 1964) is een Spaanse romanschrijver. Hij woont sinds 1993 in Los Angeles, Verenigde Staten en werkt naast het schrijven van romans ook als scriptschrijver.
Carlos Ruiz Zafón werd bekend als schrijver na de publicatie van La sombra del viento (De schaduw van de wind 2001). Dit boek heeft talrijke internationale prijzen gewonnen en wereldwijd zijn er al miljoenen exemplaren verkocht. Het werk van Ruiz Zafón is in meer dan 40 landen en meer dan 30 verschillende talen verschenen. Hij levert regelmatig bijdragen aan vooraanstaande Spaanse kranten, zoals El País en La Vanguardia.
Met zijn eerste roman, El príncipe de la niebla (De Nevelprins 1993), behaalde hij de Edebé-literatuurprijs voor jeugdfictie. Tevens is hij de schrijver van drie andere jeugdromans, El palacio de la medianoche (Het Middernachtpaleis 1994), Las luces de septiembre (Septemberlichten 1995) en Marina 1999.
Ruiz Zafóns tweede roman, een prequel[1] op De schaduw van de wind verscheen op 28 mei 2009. Het heet Het spel van de engel en speelt zich af in Barcelona tijdens de jaren 20 en 30 van de twintigste eeuw. Het volgt een jonge schrijver die door een mysterieus persoon benaderd wordt om een boek te schrijven. De Spaanse editie is in april 2008 gepubliceerd door Planeta.
In 2011 is El prisionero del cielo (De gevangene van de hemel) verschenen, de derde roman die zich afspeelt in de wereld van De schaduw van de wind.
Bron: Wikepedia

[1] Een prequel is een Engelse term die vrij vertaald kan worden als 'voorgaande geschiedenis'. De term wordt gebruikt voor een werk waarvan de actie zich afspeelt vóór die van een eerder uitgebracht werk. Meestal wordt hiermee een film bedoeld, maar het kan ook een ander medium zoals een opera of boek betreffen. Als bijvoorbeeld twee films die over hetzelfde verhalen na elkaar uitkomen en de laatste film beschrijft de gebeurtenissen van vóór de eerste, dan spreekt men over een prequel. Het tegenovergestelde is een sequel: een "vervolg". 

Website
Engelstalig interview met de auteur

Boeken in mijn bezit waaruit ik hier een uittreksel zal plaatsen naarmate ik vorder met lezen

Jeugdboeken



Carlos Ruiz Zafon - 1993 - De Nevelprins
Carlos Ruiz Zafon - 1994 - Het Middernachtspaleis
Carlos Ruiz Zafon - 1995 - Septemberlichten
Carlos Ruiz Zafon - 2013 - Marina

Vierluik over 'Het Kerkhof der vergeten boeken' waarvan deel 4 nog moet verschijnen.

         
Carlos Ruiz Zafon - 2001 - De schaduw van de wind
Carlos Ruiz Zafon - 2009 - Het spel van de Engel
Carlos Ruiz Zafon - 2011 - De gevangene van de hemel  



Uittreksel: Carlos Ruiz Zafon - De schaduw van de wind.   Hoofdstuk 8.



Een wolkenmuur waar elektrische vonken in knetterden kwam aanstormen vanaf zee. Normaal gesproken zou ik het op een lopen gezet hebben om te schuilen voor de naderende stortbui, maar 's mans woorden begonnen effect te sorteren. Mijn handen beefden, evenals mijn gedachten. Ik keek omhoog en zag dat het noodweer zich als zwarte bloedvlekken tussen de wolken verspreidde, de maan onzichtbaar maakte en een mantel van duisternis over de daken en gevels van de stad legde.

Ik probeerde voort te maken, maar de ongerustheid knaagde aan me en ik liep als met lood in de schoenen, achtervolgd door de stortbui. Onder het afdak van een krantenkiosk zocht ik beschutting en probeerde tegelijkertijd mijn gedachten te ordenen en te beslissen wat de volgende stap moest zijn.

Een donderslag ontlaadde zich vlakbij en ik voelde de grond onder mijn voeten trillen. De zwakke hartslag van de elektrische verlichting die vaagjes de contouren van gevels en ramen had getekend, verdween een paar seconden later. Op de ondergelopen trottoirs knipperden de straatlantaarns en doofden toen uit als kaarsvlammetjes in de wind. Er was geen levende ziel op straat en de inktzwarte duisternis breidde zich uit, samen met een stinkende walm die opsteeg uit de afvoerputten van het rioleringssysteem. De nacht werd ondoorzichtig en ondoordringbaar terwijl de regen zich ontvouwde als een lijkwade van stoom.

"Bij zo'n vrouw verliest iedereen zijn gezonde verstand ..." Ik begon over de Ramblas te rennen met maar één gedachte in mijn hoofd: Clara[1].

Bernarda[2] had gezegd dat Barceló[3] de stad uit was voor zaken. Dit was haar vrije dag en gewoonlijk bracht ze dan de avond door in het huis van haar tante Reme en haar nichten in San Adrian del Besós. Hetgeen betekende dat Clara alleen was in de spelonkachtige woning aan Plaza Real en de man zonder gezicht met zijn dreigementen ergens losliep in de storm met god weet wat voor ideeën. Terwijl ik me in de plensbui naar Plaza Real haastte, kon ik de gedachte dat ik Clara in gevaar had gebracht door haar het boek[4] van Carax cadeau te doen maar niet uit mijn hoofd zetten. Doorweekt tot op het bot kwam ik bij de ingang van het plein.

Vlug zocht ik beschutting onder de arcadebogen van Calle Fernando. Ik meende schaduwvormen achter me te zien kruipen. Zwervers. Het portaal was gesloten. Ik zocht tussen de sleutels aan mijn sleutelbos het stel dat Barceló me had gegeven. Die van de winkel had ik bij me, de sleutels van ons huis en die van de woning van de Barceló's. Een van de zwervers kwam dichterbij en prevelde of hij niet de nacht in het portaal mocht doorbrengen. Ik sloot de deur voor hij zijn zin kon afmaken.

Het trappenhuis was een poel van duisternis. Bliksemflitsen filterden door de kieren van de voordeur en deden de contouren van de traptreden oplichten. Ik liep op de tast en vond de eerste traptree door erover te struikelen. Terwijl ik stevig de balustrade vastpakte, klom ik langzaam naar boven. Al snel gingen de traptreden over in vlak terrein en ik begreep dat ik op de overloop van de eerste verdieping was aangekomen. Ik betastte de muren van koud, vijandig marmer tot ik het profiel vond van de eikenhouten deur en de aluminium deurklink. Ik zocht het sleutelgat en stak de sleutel er op goed geluk in. Toen de deur van het appartement openging, werd ik kortstondig verblind door een baan van blauw licht, en een zuchtje warme wind streelde mijn huid. Bernarda's kamer was gesitueerd aan de achterkant van het huis, naast de keuken. Daar ging ik eerst heen, hoewel ik heel zeker wist dat de huishoudster afwezig was. Ik roffelde met mijn knokkels op haar deur en waagde het die open te doen toen ik geen antwoord kreeg. Het was een eenvoudige kamer, met een groot bed, een donkere kast met gekleurde spiegels en een secretaire waar Bernarda voldoende heiligen, maagden en bidprenten op had gezet om een sanctuarium te openen. Ik deed de deur weer dicht en kreeg bijna een hartverzakking toen ik me omdraaide: een dozijn blauwe en scharlakenrode ogen kwam dichterbij vanaf de andere kant van de gang. De katten van Barceló kenden mij goed en tolereerden mijn aanwezigheid. Zacht mauwend omringden ze me, maar ze lieten me onverschillig in de steek toen ze erachter kwamen dat mijn kletsnatte kleren niet de gewenste warmte afgaven.

Clara's kamer was helemaal aan de andere kant van het huis, naast de bibliotheek en de muziekzaal. De onzichtbare pasjes van de katten volgden me verwachtingsvol door de gang. In de flakkerende duisternis van de storm kwam het appartement van Barceló me reusachtig en sinister voor, zeer verschillend van wat ik had geleerd te beschouwen als mijn tweede huis. Ik bereikte het voorste stuk van de woning, dat uitkeek op het plein. De wintertuin van Barceló lag voor me, dicht en ondoordringbaar. Ik drong het woud van bladeren en takken binnen. Een moment lang had ik het idee dat als de vreemdeling[5] zonder gezicht het huis was binnengedrongen, dit waarschijnlijk de plek was die hij had uitgezocht om zich te verbergen. Om me op te wachten. Het was bijna alsof ik die lucht van verbrand papier die om hem heen hing, kon ruiken, totdat ik besefte dat wat mijn neus ontdekt had slechts tabak was.

Even dreigde ik in paniek te raken. Niemand in dit huis rookte, en de pijp van Barceló, altijd uitgedoofd, was pure atrezzo. Ik kwam bij de muziekzaal en een bliksemschicht onthulde rookspiralen die in de lucht zweefden als stoomguirlandes. De pianotoetsen vormden een eindeloze glimlach bij de galerij. Ik liep de muziekzaal door en kwam bij de deur van de bibliotheek. Die was dicht. Ik deed open en het licht van de glazen galerij die om de privébibliotheek van de boekhandelaar liep, bood me een warm welkom. De muren, bedekt met volle boekenkasten, vormden een ovaal. In het midden daarvan stonden een leestafel en twee leren draaistoelen. Ik wist dat Clara het boek van Carax[6] bewaarde in een glazen kabinet bij de boog van de glazen galerij. Heel stilletjes sloop ik er naartoe. Mijn plan, of het gebrek eraan, was om het boek te pakken te krijgen, het daar weg te halen, het aan die gek te geven en het voor eens en voor altijd te vergeten. Niemand behalve ik zou de afwezigheid opmerken.

Julián Carax' boek wachtte op me, zoals het dat altijd deed, een stukje van de rug zichtbaar helemaal aan het einde van een plank. Ik nam het in mijn handen en drukte het tegen mijn borst, alsof ik een oude vriend omhelsde die ik op het punt stond te verraden. Judas, dacht ik. Ik maakte aanstalten om te vertrekken zonder Clara van mijn aanwezigheid op de hoogte te stellen. Ik zou het boek meenemen en voor altijd uit haar leven verdwijnen. Stilletjes liep ik de bibliotheek uit. Aan het einde van de gang was Clara's kamer net zichtbaar. Ik stelde me voor hoe ze op haar bed lag te slapen en hoe mijn vingers haar nek streelden en een lichaam verkenden dat ik uit pure onwetendheid bij elkaar had gefantaseerd. Ik draaide me om, klaar om zes jaar dagdromen voorgoed op te geven, maar iets hield me tegen nog voor ik bij de muziekzaal was. Een stem die achter me klonk, achter de deur. Een diepe stem die fluisterde en lachte. In de kamer van Clara. Ik liep langzaam naar de deur. Ik legde mijn vingers om de deurknop. Mijn vingers trilden. Ik was te laat gekomen. Ik slikte en opende de deur.

Bron: Carlos Ruiz Zafon - De schaduw van de wind – pagina 43-44
Noten:
[1] De blinde jonge vrouw waarop Daniel, de hoofdpersoon, nog een puber,  hevig verliefd op is – zij is 10 jaar ouder dan hij. Hij leest haar vaak voor en heeft haar ‘het boek’ geschonken
[2] Dienstmaagd in het huis waar Clara woont
[3] Vader van Clara
[4] De schaduw van de Wind – een boek waarvan nog maar 1 exemplaar bestaat. Alle andere zijn verbrand
[5] Een soort van spookgestalte die de jongen op straat ontmoette en die ‘het boek’ van hem wil kopen om het te verbranden. [6] De schaduw van de Wind


Beschrijving en bestellen


Uittreksel: Carlos Ruiz Zafón – Het spel van de engel



Zonder me te bedenken liep ik op het huis af. Precies zoals Corelli in zijn uitnodiging had aangegeven, stond het grote huis op de hoek van de Calle Olot met San José de la Montana. Het was een rank, kantig, torenvormig gebouw met drie verdiepingen, met mansarden bekroond, dat als een schildwacht de stad en het spookachtige park in de gaten hield.

Een steile, stenen trap leidde naar de voordeur en uit de vensters straalde goudkleurig licht. Hoe hoger ik kwam, hoe duidelijker ik op een balustrade van de tweede verdieping een silhouet meende waar te nemen, onbeweeglijk als een spin in zijn web. Op de bovenste trede bleef ik even staan om op adem te komen. De voordeur stond op een kier en een reep licht reikte tot aan mijn voeten. Langzaam liep ik er naartoe en bleef op de drempel opnieuw stilstaan. Een lucht van verwelkte bloemen drong naar buiten. Ik klopte op de deur, die een stukje terugweek. Voor mij zag ik een vestibule en een lange gang het huis in. Ik hoorde een hard, monotoon getik, alsof ergens een luik door de wind tegen het raam klapperde. Het klonk als een kloppend hart. Ik deed een paar stappen naar binnen en zag aan de linkerkant een trap naar boven, naar de toren. Ik meende lichte voetstappen te horen, kindervoetstappen die naar de bovenste verdieping ijlden.

‘Goedenavond?' riep ik. Voordat de echo van mijn stem in de gang verloren ging, verstomde het slaande geluid. Een absolute stilte daalde op me neer en een ijzige windvlaag streek over mijn gezicht. 'Meneer Corelli? Ik ben het, Martín. David Martín ...'

Aangezien ik geen antwoord kreeg, waagde ik me door de gang verder het huis in. De muren hingen vol met ingelijste portretten van diverse afmetingen. Aan de poses en kleding was te zien dat het leeuwendeel minstens twintig of dertig jaar oud moest zijn. Onder elke lijst was een plaatje bevestigd met de naam van de geportretteerde en het jaar waarin de foto was genomen. Ik keek aandachtig naar de gezichten die me observeerden vanuit een andere tijd. Kinderen en ouderen, dames en heren. Wat hen met elkaar verbond was een schaduw van treurigheid in hun blik, een geluidloze smeekbede. Allemaal keken ze met een verlangen de camera in dat een mens het bloed in de aderen deed bevriezen. 'Bent u geïnteresseerd in fotografie, vriend Martín?' vroeg de stem naast me. Geschrokken draaide ik me om. Naast me stond Andreas Corelli de foto's te bekijken met een melancholische glimlach. Ik had hem niet dichterbij zien of horen komen en zijn lachje deed me huiveren.

'Ik dacht al dat u niet zou komen.' 'Ik ook.' 'Staat u mij dan toe dat ik u een glas wijn inschenk om een toost op onze vergissingen uit te brengen.' Ik volgde hem naar een ruime salon met brede ramen die uitkeken over de stad. Corelli bood me een stoel aan en schonk uit een glazen karaf die op de tafel tussen ons in stond, twee glazen in. Hij reikte me een glas aan en ging tegenover me zitten. Ik proefde de wijn. Uitmuntend. Ik dronk het glas bijna in één teug leeg en voelde meteen hoe de warmte die door mijn keel gleed, mijn zenuwen tot bedaren bracht. Corelli rook aan de wijn en bekeek me met een kalme, vriendelijke glimlach. 'U had gelijk,' zei ik.

'Dat heb ik doorgaans,' antwoordde hij. 'Het is een eigenschap die me echter zelden enige voldoening geeft. Soms denk ik dat niets me aangenamer zou zijn dan de zekerheid me vergist te hebben.' 'Dat is eenvoudig te regelen. Vraagt u maar aan mij. Ik vergis me voortdurend.' 'Nee, u vergist zich niet. Ik geloof dat u de dingen bijna net zo helder ziet als ik en ook u levert het geen enkele voldoening op.'

Terwijl ik zo naar hem luisterde, schoot het door mijn hoofd dat op dit moment maar één ding me enige voldoening zou kunnen verschaffen: de hele wereld in brand steken en zelf mee branden. Corelli, alsof hij mijn gedachten had gelezen, grijnsde breed en knikte. Ik kan u helpen, goede vriend.' Ik betrapte me erop dat ik zijn blik ontweek en me concentreerde op de kleine speld met de zilveren engel op zijn revers. 'Mooie speld,' zei ik en ik wees ernaar. 'Een erfstuk,' antwoordde Corelli. Voor deze avond hadden we nu inmiddels voldoende beleefdheden uitgewisseld, vond ik. 'Meneer Corelli, wat doe ik hier?' Zijn ogen glinsterden in dezelfde kleur als de wijn, die traag in zijn glas wiegde. 'Heel eenvoudig. U bent hier omdat u eindelijk heeft begrepen dat u hier op de juiste plek bent. U bent hier omdat ik u een jaar geleden een aanbod deed. Een aanbod dat u op dat moment niet bereid was te accepteren, maar dat u niet bent vergeten. En ik ben hier omdat ik nog steeds denk dat u de man bent die ik zoek en daarom heb ik er de voorkeur aan gegeven om twaalf maanden te wachten in plaats van ervan af te zien.'

'Een bod dat u nooit in detail heeft uitgelegd,' bracht ik hem in herinnering. In feite heb ik u alleen de details gegeven.' 'Honderdduizend francs om een heel jaar voor u te werken en een boek te schrijven.' 'Precies. Velen zouden denken dat dat de essentie was. Maar u niet.' 'U zei dat ik het zelfs zonder betaling zou schrijven, zodra ik zou weten om wat voor soort boek het ging.' Corelli knikte. 'U heeft een goed geheugen.' 'Ik heb een uitstekend geheugen, meneer Corelli, zo goed, dat ik me niet herinner iets gezien, gelezen of gehoord te hebben over ook maar één boek dat door u is uitgegeven.'  'Twijfelt u aan mijn geloofwaardigheid?' Ik schudde mijn hoofd en probeerde het verlangen en de hebzucht die me van binnen opvraten, te verbergen. Hoe meer desinteresse ik toonde, des te meer brachten de beloftes van de uitgever me in verleiding. 'Mij interesseren simpelweg uw motieven,' bracht ik naar voren. 'Dat moeten ze ook.' 'In elk geval herinner ik u eraan dat ik voor de periode van nog eens vijf jaar een exclusief contract heb met Barrido en Escobillas. Laatst ontving ik een buitengewoon illustratief bezoekje van beide heren, in gezelschap van een advocaat met een doortastend voorkomen. Maar vermoedelijk maakt dat niet uit, vijf jaar is een lange tijd en als er iéts duidelijk voor me is, dan is het wel dat ik geen tijd heb.'

'Maakt u zich geen zorgen over advocaten. De mijne hebben nog een veel doortastender voorkomen dan die van dat stel etterpuisten, en ze verliezen nooit een zaak. Laat u de wettelijke details en de procesvoering aan mij over.' Zijn lachje bij deze woorden maakte me duidelijk dat ik maar liever nooit een onderhoud met de juridische adviseurs van Éditions de la Lumière moest hebben. Ik geloof u. Dan rest de vraag wat de andere details van uw aanbod zijn, de wezenlijke.'

'Een eenvoudig antwoord daarop is er niet, dus ik zal er niet verder omheen draaien.' 'Alstublieft.' Corelli boog voorover en keek me strak aan. 'Martín, ik wil dat u een religie voor me creëert.' Lange tijd staarde ik hem stom aan. 'U houdt me voor de gek.' Hij schudde zijn hoofd en nipte genietend van zijn wijn. 'Ik wil dat u een jaar lang met hart en ziel en met al uw talent aan het grootste verhaal werkt dat u ooit zult scheppen: een religie.' Ik kon niet anders dan in lachen uitbarsten.

'U bent volkomen gestoord. Dat is uw aanbod? Dat is het boek dat ik voor u moet schrijven?' Corelli knikte kalm. 'U heeft zich in de schrijver vergist. Ik weet niets van religie.' 'Breekt u zich daar het hoofd niet over. Daar zorg ik voor. Ik zoek geen theoloog. Ik zoek een verteller. Weet u wat een religie is, vriend Martín?' 'Ik herinner me met moeite het Onze Vader.' 'Een wonderbaarlijk, kunstig gebed. Afgezien van poëzie, komt een religie neer op een morele code die zich uitdrukt in legendes, mythen of andere literaire vormen, teneinde een net van waarden en normen te spannen waarmee een cultuur of een gemeenschap bij elkaar wordt gehouden en gereguleerd.' 'Amen,' antwoordde ik. 'Zoals in de literatuur of in elke andere vorm van communicatie is het de vorm die voor het effect zorgt en niet de inhoud,' vervolgde Corelli. 'U wilt mij dus zeggen dat een doctrine uiteindelijk een verhaal is.' 'Alles is een verhaal, Martín. Wat we geloven, wat we weten, wat we ons herinneren en zelfs wat we dromen. Alles is een vertelling, een geschiedenis, een opeenvolging van gebeurtenissen en personen, die het hart wil raken. Een daad van geloof is een daad van aanvaarding - wij aanvaarden een verhaal dat ons wordt verteld. En we aanvaarden slechts als waar wat verteld kan worden. Zegt u niet dat het geen aanlokkelijk idee is.' 'Nee.' 'Prikkelt het u niet om een geschiedenis te creëren waarvoor mensen in staat zijn te leven en te sterven, waarvoor ze in staat zijn te doden en zich te laten doden, waarvoor ze zich opofferen en tot de hel gedoemd zijn en hun ziel willen uitleveren? Bestaat er voor een schrijver een grotere uitdaging dan het scheppen van zo'n machtige geschiedenis die de fictie overstijgt en verandert in een geopenbaarde waarheid?' We keken elkaar enkele seconden zwijgend aan. 'Ik denk dat u al weet wat mijn antwoord is,' zei ik ten slotte. Corelli glimlachte. 'Ik wel. Degene die het geloof ik nog niet weet, bent u.'

'Dank voor uw gezelschap, meneer Corelli. En voor de wijn en de uiteenzetting. Heel provocerend. Weest u voorzichtig met wanneer en voor wie u deze houdt. Ik hoop dat u uw man vindt en dat zijn pamflet een succes wordt.' Ik stond op en maakte me gereed om te vertrekken. 'Wordt u ergens verwacht, vriend Martín?' Ik antwoordde niet, maar bleef staan. 'Maakt het een mens niet woedend als hij weet dat er zo veel dingen zijn die het waard zijn om voor te leven, als hij gezond is en vermogend, en geen belemmeringen ervaart?' zei Corelli achter me. 'Maakt het een mens niet woedend als ze hem uit handen worden gerukt?' Langzaam draaide ik me om. 'Wat is een jaar werk in het licht van de mogelijkheid dat alles wat een mens wenst, bewaarheid wordt? Wat is een jaar werk in het licht van de belofte van een lang, vervuld bestaan?' Niets, dacht ik ongewild. Niets. 'Is dat uw belofte?'

'Noem uw prijs. Wilt u de wereld in brand steken en mee branden? Laten we dat dan samen doen. U bepaalt de prijs. Ik ben bereid om u te geven wat u het liefst wilt hebben.' 'Ik weet niet wat ik het liefst wil.' 'Ik denk dat u dat heel goed weet.' De uitgever glimlachte en knipoogde naar me. Hij stond op en liep naar een secretaire waar een gaslamp op stond. Hij trok de bovenste lade open, haalde er een perkamenten envelop uit en reikte me die aan, maar ik pakte hem niet. Hij legde hem op de tafel en ging weer zitten, zonder een woord te zeggen. De envelop was open en ik meende meerdere bundels bankbiljetten van honderd francs te kunnen onderscheiden. Een fortuin. 'U bewaart al dat geld in een lade en laat de deur openstaan?' vroeg ik. 'U kunt het natellen. Als het u onvoldoende lijkt, noemt u dan een bedrag. Ik heb u al gezegd dat ik met u niet over geld ga twisten.' Een hele tijd keek ik naar het geweldige vermogen en schudde uiteindelijk mijn hoofd. In elk geval had ik het gezien.

Het was echt. Het aanbod, evenals de ijdelheid die zich tijdens dit moment van ellende en wanhoop van me meester maakte, was echt. 'Ik kan het niet accepteren,' zei ik. 'Denkt u dat het bezoedeld geld is?' 'Alle geld is bezoedeld. Als het schoon was, zou niemand het willen. Dat is het probleem niet.' 'Maar?' 'Ik kan het niet accepteren omdat ik uw aanbod niet kan accepteren. Ik zou het niet kunnen, al zou ik het willen.' Corelli woog mijn woorden. 'Mag ik u vragen waarom?' 'Omdat ik zeer spoedig zal sterven, meneer Corelli. Omdat me nog slechts weken resten, misschien dagen. Omdat ik niets te bieden heb.' Corelli keek naar beneden en hulde zich in een lang stilzwijgen.

Ik hoorde de wind aan de ramen krabbelen en over het huis vegen. 'Vertelt u me niet dat u het niet wist,' voegde ik eraan toe. 'Ik vermoedde het.' Hij bleef zitten, zonder me aan te kijken. 'Er zijn vele andere auteurs die dat boek voor u kunnen schrijven, meneer Corelli. Ik dank u voor uw aanbod. Meer dan u zich kunt voorstellen. Goedenavond.' Ik zette een paar stappen in de richting van de uitgang. 'Laten we zeggen dat ik u zou kunnen helpen om uw ziekte te overwinnen,' zei hij. Ik bleef halverwege de gang staan en draaide me om. Corelli stond nauwelijks twee handbreedtes van me af en keek me strak aan. Hij kwam me veel groter voor dan eerder op de avond, en ook zijn ogen leken groter en donkerder. In zijn pupillen kon ik mijn spiegelbeeld kleiner zien worden naarmate ze zich verwijdden.

'Verontrust mijn uiterlijk u, vriend Martín?' Ik slikte. 'Ja,' bekende ik. 'Komt u alstublieft terug naar de salon en gaat u zitten. Geeft u mij de mogelijkheid om nog wat meer zaken uit te leggen. Wat heeft u te verliezen?' 'Niets, veronderstel ik.' Zacht legde hij een hand op mijn arm. Hij had lange, bleke vingers. 'U heeft niets van mij te vrezen, Martín. Ik ben uw vriend.' Zijn aanraking was troostrijk. Ik liet me weer naar de salon leiden en ging gedwee zitten, als een kleine jongen die de woorden van een volwassene afwacht. Corelli knielde naast mijn stoel en liet zijn blik op me rusten. Hij nam mijn hand en drukte hem krachtig.

'Wilt u leven?' Ik wilde antwoorden, maar vond de woorden niet. Ik had een brok in mijn keel en mijn ogen vulden zich met tranen. Tot dat moment was me niet duidelijk geweest hoezeer ik wilde blijven ademhalen, elke ochtend mijn ogen wilde opendoen, de straat op wilde gaan en op de keien staan en de hemel zien, en vooral, hoezeer ik wilde blijven herinneren. Ik knikte. Ik ga u helpen, mijn beste Martín. Ik vraag u slechts vertrouwen in me te hebben. Neemt u mijn aanbod aan. Laat me u helpen. Laat me u geven wat u het liefst wenst. Dat is mijn belofte.' Weer knikte ik. 'Ik aanvaard het. 'Corelli glimlachte en boog zich voorover om mijn wang te kussen. Zijn lippen waren koud als ijs. 'U en ik, mijn vriend, wij gaan grootse dingen doen samen. Dat zult u zien,' fluisterde hij. Hij gaf me een zakdoek om mijn tranen mee te drogen. Ik deed dat zonder de stille schaamte te voelen waarmee men voor een vreemde huilt, iets wat ik sinds de dood van mijn vader niet meer had gedaan.

'U bent uitgeput, Martín. Blijft u deze nacht toch hier. Er zijn meer dan genoeg kamers in dit huis. Ik verzeker u dat u zich morgen beter zult voelen en de dingen duidelijker zult zien.' Ik haalde mijn schouders op, hoewel ik besefte dat Corelli gelijk had. Ik viel bijna om van moeheid en had slechts één wens: slapen. Ik was niet eens meer in staat uit deze stoel op te staan, de meest comfortabele, meest knusse stoel van de wereld. 'Als u het niet erg vindt, blijf ik liever hier. 'toe en draaide de gaslamp uit. De salon werd ondergedompeld in een blauw schemerduister. Mijn oogleden vielen dicht en een gevoel van dronkenschap spoelde door mijn hoofd, maar ik slaagde er nog net in te zien hoe Corelli door de salon liep en in de schaduw verdween. Ik sloot mijn ogen en luisterde naar de fluistering van de wind achter de ruiten.


Beschrijving en bestellen: