De tijd rond Pasen

01. Palmzondag.
1 Toen ze dicht bij Jeruzalem waren, bij Betfage en Betanië, tegen de Olijfberg aan, stuurde Hij twee van zijn leerlingen erop uit 2 met de opdracht: ‘Ga naar het dorp daar vlak voor je. Meteen als je er binnenkomt, zul je een veulen vinden dat vastgebonden staat en waarop nog geen mens gezeten heeft. Maak het los en neem het mee. 3 Als iemand tegen jullie zegt: "Wat doen jullie daar?” zeg dan: "De Heer heeft het nodig; Hij stuurt het meteen weer terug.” ’ 4 Ze gingen weg en vonden een veulen, vastgebonden bij een deur, buiten aan de straat, en ze maakten het los. 5 Sommige omstanders zeiden tegen hen: ‘Wat doen jullie daar, waarom maken jullie dat veulen los?’ 6 Ze antwoordden hun zoals Jezus gezegd had. En ze lieten hen hun gang gaan. 7 Ze namen het veulen mee naar Jezus, wierpen er hun kleren overheen, en Hij ging erop zitten. 8 Velen spreidden hun kleren uit op de weg, anderen deden hetzelfde met twijgen die ze op het veld gesneden hadden. 9 Zowel de mensen die voorop gingen als die volgden, schreeuwden:

‘Hosanna!
Gezegend is Hij die komt
in de naam van de Heer.
10 Gezegend het koninkrijk
dat komen gaat,
van onze vader David.
Hosanna in de hoogste hemel!

11 Hij trok Jeruzalem binnen en ging naar de tempel. Toen Hij alles in ogenschouw genomen had, ging Hij, omdat het al laat was, samen met de twaalf naar Betanië.

Marcus 11 - Willibrordvertaling
 

02. Maandag
Maandag in de Goede Week - Lucas 21:5-19
(Willibrordvertaling)


5 Het gesprek kwam op de tempel. Men zei dat die met fraaie stenen en wijgeschenken was versierd. Maar Hij zei: 6 ‘Er zal een tijd komen dat van alles wat u daar ziet geen ste...en op de andere zal blijven; ze worden allemaal neergehaald.’ 7 Daarop vroegen ze Hem: ‘Meester, wanneer zal dat plaatsvinden? En wat zal het teken zijn dat dit gaat gebeuren?’ 8 ‘Kijk uit’, zei Hij, ‘dat u niet op een dwaalspoor wordt gebracht. Want velen zullen optreden in mijn naam en zeggen: "Ik ben het”, of: "De tijd is gekomen.” Loop niet achter hen aan. 9 Wanneer u hoort van oorlogen en onlusten, wees dan niet verontrust. Want dat moet eerst gebeuren, maar het is niet meteen het einde.’ 10 Toen zei Hij hun: ‘Het ene volk zal opstaan tegen het andere en het ene koninkrijk tegen het andere. 11 Er zullen zware aardbevingen zijn en op verscheidene plaatsen hongersnood en pest; en er zullen zich schrikwekkende en grote tekenen voordoen aan de hemel. 12 Maar voordat dit allemaal gebeurt zal men u oppakken en vervolgen, u uitleveren aan de synagogen en u gevangenzetten. U wordt voorgeleid aan koningen en gouverneurs omwille van mijn naam; 13 dat geeft u de gelegenheid om te getuigen. 14 Neem u heilig voor om u er van tevoren geen zorgen over te maken hoe u zich zult verdedigen. 15 Want Ik zal u wijze woorden in de mond leggen, zodat geen van uw tegenstanders u zal kunnen weerstaan of tegenspreken. 16 U zult zelfs door uw ouders, uw broers en zusters, uw familie en vrienden worden uitgeleverd en sommigen van u zal men ter dood brengen; 17 u zult door iedereen gehaat worden vanwege mijn naam. 18 Maar geen haar van uw hoofd zal gekrenkt worden. 19 Als u volhardt, zult u uw leven winnen.
03. Dinsdag
Dinsdag in de Goede Week
Johannes 12:20-36 - Willibrordvertaling


20 Nu was er ook een aantal Grieken naar het feest gekomen om God te aanbidden. 21 Zij gingen naar Filippus uit Betsaïda in Galilea, en vroegen hem of ze Jezus konden ontmoe...ten. 22 Filippus ging dat tegen Andreas zeggen en samen gingen ze naar Jezus. 23 Jezus zei: ‘De tijd is gekomen dat de Mensenzoon tot majesteit wordt verheven. 24 Waarachtig, ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht. 25 Wie zijn leven liefheeft verliest het, maar wie in deze wereld zijn leven haat, behoudt het voor het eeuwige leven. 26 Wie mij dient moet mij volgen: waar ik ben zal ook mijn dienaar zijn, en wie mij dient zal door de Vader geëerd worden.

27 Nu ben ik doodsbang. Wat moet ik zeggen? Vader, laat dit ogenblik aan mij voorbijgaan? Maar hiervoor ben ik juist gekomen. 28 Laat nu zien hoe groot uw naam is, Vader.’ Toen klonk er een stem uit de hemel: ‘Ik heb mijn grootheid getoond en ik zal mijn grootheid weer tonen.’ 29 De mensen die daar stonden en dit hoorden, zeiden: ‘Een donderslag!’ Maar er waren er ook die zeiden dat het een engel was die tegen hem gesproken had. 30 Jezus zei: ‘Die stem heeft niet voor mij gesproken, maar voor u. 31 Nu wordt het oordeel over deze wereld geveld, nu zal de heerser van deze wereld uitgebannen worden. 32 Wanneer ik van de aarde omhooggeheven word, zal ik iedereen naar mij toe halen.’ 33 Daarmee bedoelde hij de wijze waarop hij zou sterven. 34 ‘Maar wij hebben uit de wet begrepen dat de messias eeuwig blijft leven,’ zeiden de mensen, ‘waarom zegt u dan dat de Mensenzoon omhooggeheven moet worden? Wie is die Mensenzoon?’ 35 ‘Nog een korte tijd is het licht bij u,’ antwoordde Jezus. ‘Ga uw weg zolang het licht is en laat de duisternis u niet overvallen; wie in het donker loopt weet niet waar hij heen gaat. 36 Geloof in het licht zolang u het licht bij u hebt, dan bent u kinderen van het licht.’ Na deze woorden ging Jezus weg en hij hield zich voor hen schuil.

04. Woensdag
Woensdag in de Goede Week
Marcus 14:1-11 - Willibrordvertaling
1 Twee dagen later zou het Pasen zijn, het feest van de ongedesemde broden. De hogepriesters en schriftgeleerden zochten een gelegenheid om Hem met een list in handen te krijgen en ter dood te brengen. 2 Want ze zeiden: ‘Niet op het feest, er moet geen opschudding onder het volk ontstaan.’
 
3 Toen Hij in Betanië was, in het huis van Simon de melaatse, en daar aanlag, kwam een vrouw met een albasten flesje echte, kostbare nardusbalsem. Ze brak het flesje en goot het leeg over zijn hoofd. 4 Sommigen zeiden verontwaardigd tegen elkaar: ‘Waar was de verspilling van die balsem nu goed voor? 5 Want die had voor meer dan driehonderd denariën verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden.’ Ze voeren tegen haar uit. 6 Maar Jezus zei: ‘Laat haar. Wat maken jullie het haar toch lastig? Ze heeft een goed werk gedaan aan Mij. 7 Want de armen heb je altijd bij je, en zo vaak je wilt kun je hun goed doen, maar Mij heb je niet altijd bij je. 8 Ze heeft gedaan wat zij kon. Bij voorbaat heeft ze mijn lichaam gezalfd met het oog op mijn begrafenis. 9 Ik verzeker jullie, waar ook ter wereld de goede boodschap verkondigd wordt, daar zal ook ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.’
 
10 Judas Iskariot, een van de twaalf, ging naar de hogepriesters om Hem over te leveren. 11 Toen ze dat hoorden, waren ze daarmee ingenomen en ze beloofden hem geld te geven. Hij zocht naar een goede gelegenheid om Hem over te leveren.
05. Witte Donderdag
Donderdag in de Goede Week
Johannes 13:1-38- Willibrordvertaling

1 Het paasfeest was ophanden. Jezus wist dat zijn uur gekomen was: nu zou Hij de wereld verlaten om naar de Vader te gaan. Voorheen hield Hij al van degenen die Hem in de wereld toebehoorden, maar nu zou Hij hun zijn liefde betonen tot het uiterste.
 
2 Het gebeurde tijdens een maaltijd. De duivel had inmiddels iemand ertoe aangezet Hem over te leveren: Judas, de zoon van Simon Iskariot. 3 Jezus, die wist dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God gekomen was en naar God zou teruggaan, 4 stond van tafel op, legde zijn bovenkleren af en bond een linnen schort om zijn middel. 5 Daarna goot Hij water in een waskom en begon Hij de voeten van zijn leerlingen te wassen. Hij droogde ze af met de schort om zijn middel. 6 Zo kwam Hij bij Simon Petrus. ‘Heer,’ zei deze, ‘gaat U mij de voeten wassen?’ 7 Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Wat Ik doe, daar heb je nu geen begrip van; later zul je het begrijpen.’ 8 Petrus hield vol: ‘Nooit in der eeuwigheid zult U mij de voeten wassen!’ Maar Jezus zei: ‘Als Ik je voeten niet mag wassen, hoor je niet bij Mij.’ 9 ‘Heer,’ zei Simon Petrus toen, ‘dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd.’ 10 Maar Jezus antwoordde: ‘Wie in bad is geweest, is helemaal gezuiverd; buiten de voeten hoeft hij niets meer te wassen. Zo zijn ook jullie gezuiverd – hoewel niet allemaal.’ 11 Hij wist namelijk wie Hem zou overleveren; daarom zei Hij: ‘Jullie zijn niet allemaal gezuiverd.’ 12 Toen Hij hun voeten had gewassen en zijn bovenkleren had aangetrokken, nam Hij weer aan tafel plaats en zei: ‘Begrijpen jullie wat Ik gedaan heb? 13 Jullie noemen Mij meester en Heer, en terecht, want dat ben Ik. 14 Welnu, als Ik, jullie Heer en meester, jullie voeten heb gewassen, dan behoren jullie ook elkaar de voeten te wassen. 15 Ik heb jullie het voorbeeld gegeven: je moet doen zoals Ik voor jullie heb gedaan. 16 Waarachtig, Ik verzeker jullie: een knecht is niet meer dan zijn meester, en een gezant niet meer dan degene die hem zendt. 17 Nu je dat weet: gelukkig ben je als je er ook naar handelt.
 
18 Ik kan dit niet van jullie allemaal zeggen: Ik weet wat voor mensen Ik heb uitgekozen. Maar de Schrift moet in vervulling gaan: Hij die mijn brood eet, heeft zich tegen Mij gekeerd. 19 Ik zeg het jullie dus nu al, voordat het zover is, dan zul je, als het zover is, geloven dat Ik het ben. 20 Waarachtig, Ik verzeker jullie: wie iemand opneemt die Ik gezonden heb, neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt Hem op die Mij gezonden heeft.’
21 Bij deze woorden werd Jezus diep bewogen en plechtig verklaarde Hij: ‘Waarachtig, Ik verzeker jullie: een van jullie zal Mij overleveren.’ 22 De leerlingen keken elkaar niet begrijpend aan en vroegen zich af wie Hij bedoelde. 23 Een van zijn leerlingen, zijn naaste tafelgenoot, rustte aan het hart van Jezus: het was de leerling van wie Jezus hield. 24 Simon Petrus wenkte hem dat hij moest vragen wie Hij toch kon bedoelen. 25 Hij keerde zich toen vertrouwelijk naar Jezus toe en vroeg: ‘Wie is het, Heer?’ 26 Jezus antwoordde: ‘Degene voor wie Ik dit stuk brood ga indopen en aan wie Ik het dan zal geven.’ Toen doopte Hij het stuk brood in en gaf het aan Judas, de zoon van Simon Iskariot. 27 Nauwelijks had deze het brood aangenomen of de satan voer in hem. Jezus zei tegen hem: ‘Doe maar meteen wat je te doen hebt.’ 28 Geen van de tafelgenoten begreep echter waar dit op sloeg. 29 Omdat Judas de kas beheerde, meenden sommigen dat Jezus hem opdroeg: ‘Ga de nodige inkopen doen voor het feest’ of dat hij iets aan de armen moest gaan geven. 30 Meteen nadat hij het stuk brood had aangenomen ging hij weg. Het was nacht.
 
31 Toen hij was weggegaan zei Jezus: ‘Nu wordt de Mensenzoon verheerlijkt, en in Hem wordt God verheerlijkt. 32 En als God wordt verheerlijkt in Hem, verheerlijkt God ook Hem bij zichzelf; ja, nu gaat Hij Hem verheerlijken. 33 Kinderen, nog maar kort zal Ik bij jullie zijn. Dan zullen jullie Mij zoeken, maar Ik heb tegen de Joden gezegd: "Waar Ik heen ga, daar kunt u niet komen”, en dat zeg Ik nu tegen jullie.
 
34 Ik geef jullie een nieuw gebod: dat je elkaar liefhebt. Met de liefde die Ik jullie heb toegedragen, moeten jullie ook elkaar liefhebben. 35 Daaraan zal iedereen kunnen zien dat jullie leerlingen van Mij zijn: als jullie onder elkaar de liefde bewaren.’
 
36 Simon Petrus zei tegen Hem: ‘Waar gaat U dan heen, Heer?’ Jezus antwoordde: ‘Waar Ik heen ga, kun je Mij nu nog niet volgen. Later zul je Mij volgen.’ 37 Maar Petrus hield vol: ‘Waarom kan Ik U nu niet volgen, Heer? Ik ben bereid zelfs mijn leven voor U te geven!’ 38 Jezus antwoordde: ‘Zo? Je bent bereid je leven voor Mij te geven? Waarachtig, Ik verzeker je: wanneer de haan kraait, zul je Me driemaal verloochend hebben.

Goede Vrijdag
Luc 22:66-71- Willibrordvertaling

66 Toen het dag werd, kwam de raad van oudsten van het volk bijeen, hogepriesters en schriftgeleerden. Men bracht Jezus voor hun Sanhedrin. 67 Zij zeiden: ‘Als U de Messias bent, zeg ons dat dan.’ Maar Hij zei hun: ‘Als Ik het u zeg, zult u Me niet geloven; 68 als Ik u wat vraag, zult u Me geen antwoord geven. 69 Van nu af aan zal de Mensenzoon zitten aan Gods machtige rechterhand.’ 70 Toen zei iedereen: ‘U bent dus de Zoon van God?’ Hij sprak tot hen: ‘U zegt zelf dat Ik het ben.’ 71 Toen zeiden zij: ‘Waarvoor hebben wij nog een getuigenis nodig? Wij hebben het zelf uit zijn mond gehoord.’

Luc 23:26-49- Willibrordvertaling

26 Toen ze Hem wegvoerden hielden ze een zekere Simon uit Cyrene aan, die van zijn akker kwam; hem lieten ze het kruis achter Jezus aan dragen. 27 Een grote massa mensen volgde Hem; er waren vrouwen bij, die om Hem rouwden en treurden. 28 Jezus draaide zich om en zei tegen hen: ‘Vrouwen van Jeruzalem, huil niet om Mij, huil liever om uzelf en uw kinderen. 29 Want er komen dagen dat men zal zeggen: "Gelukkig de onvruchtbare vrouwen, de schoot die niet heeft gebaard en de borsten die niet hebben gezoogd.” 30 Dan zal men zeggen tegen de bergen: "Val op ons”, en tegen de heuvels: "Bedek ons.”31 Want als ze dit doen met het groene hout, wat moet er dan gebeuren met het dorre?’

32 Er werden ook nog twee misdadigers weggevoerd om samen met Hem ter dood te worden gebracht. 33 Toen ze op het zogeheten Schedelveld kwamen, sloegen ze Hem daar aan het kruis, en ook die twee misdadigers, de een rechts en de ander links van Hem. 34 Jezus sprak: ‘Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.’ Ze verdobbelden zijn kleren. 35 Het volk stond toe te kijken. De leiders lachten Hem uit en zeiden: ‘Anderen heeft Hij gered; laat Hij nu zichzelf redden als Hij de Messias van God is, de uitverkorene!’ 36 Ook de soldaten dreven de spot met Hem; ze kwamen Hem wijn brengen 37 en zeiden: ‘Ben jij de koning van de Joden? Red dan jezelf!’ 38 Boven zijn hoofd hing het opschrift: Dit is de koning van de Joden. 39 Eén van de misdadigers die daar hingen zei smalend tegen Hem: ‘Ben jij de Messias? Red dan jezelf en ons erbij!’ 40 Maar de ander wees hem terecht: ‘Heb zelfs jij geen ontzag voor God, nu jij ook deze straf ondergaat? 41 In ons geval is dat terecht, want wij krijgen ons verdiende loon. Maar Hij heeft niets verkeerds gedaan.’ 42 Daarop zei hij: ‘Jezus, vergeet mij niet wanneer U in uw koninkrijk komt.’ 43 Hij zei tegen hem: ‘Ik beloof je, vandaag nog zul je bij Mij zijn in het paradijs.’

44 Al rond het zesde uur werd het donker in heel het land, tot het negende uur. 45 Er was een zonsverduistering. Het voorhangsel in de tempel scheurde middendoor. 46 Toen riep Jezus luidkeels: ‘Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.’ Na deze woorden stierf Hij. 47 De centurio, die zag wat er gebeurde, verheerlijkte God en zei: ‘Waarachtig, die man was een rechtvaardige.’ 48 Alle mensen die voor dit schouwspel waren samengestroomd, gingen naar huis; ze sloegen zich van rouw op de borst om wat ze hadden gezien. 49 Al zijn vrienden bleven uit de verte staan toekijken, ook de vrouwen die Hem vanuit Galilea waren gevolgd en dit gadesloegen.

Johannes 19:31-37- Willibrordvertaling

31 Omdat het voorbereidingsdag was en de Joden niet wilden dat er op sabbat lijken aan het kruis zouden hangen – het was nog wel een heel bijzondere sabbat – vroegen ze aan Pilatus of men hun de benen mocht breken en hen weghalen. 32 Daarop kwamen de soldaten de benen breken van zowel de eerste als de tweede die met Hem gekruisigd was. 33 Maar toen ze bij Jezus kwamen en zagen dat Hij al dood was, braken ze zijn benen niet. 34 Wel doorstak een van de soldaten met een lans zijn zijde, en meteen kwam er bloed uit en water. 35 Hiervan getuigt iemand die het gezien heeft – zijn getuigenis is betrouwbaar en hij is er zeker van dat hij de waarheid spreekt – opdat ook u zult geloven. 36 Want dit alles is geschied omdat het schriftwoord in vervulling moest gaan: Geen been van Hem zal worden verbrijzeld, 37 terwijl nog een ander schriftwoord zegt: Ze zullen opzien naar Hem die ze hebben doorstoken.

Stille Zaterdag

Het is sabbat. Verslagen en bang zijn de overgebleven elf leerlingen van Jezus bij elkaar en houden zich schuil. Het Kwaad lijkt te hebben overwonnen.
In de katholieke traditie is er in de paasnacht een Paaswake. Buiten, of in het voorportaal van de kerk, wordt na middernacht het paasvuur ontstoken: symbool van het Licht van Christus dat doorbreekt in de duisternis. Met het paasvuur wordt de paaskaars aangestoken - met daarop een kruis en de Alpha en de Omega – en het Licht wordt de donkere kerk in gedragen. De kerkgangers steken hun kaars aan met de vlam van de paaskaars, geven het licht door en de kerk wordt licht. Ze begroeten elkaar: ,,Christus is verrezen!'', en de ander antwoordt: ,,De Heer is waarlijk opgestaan!''

Luc 23:50-56- Willibrordvertaling

50 Nu was daar een zekere Jozef, een lid van de raad, een goed en rechtvaardig man, 51 die niet had ingestemd met hun plannen en praktijken. Hij was afkomstig uit de Joodse stad Arimatea en leefde in de verwachting van het koninkrijk van God. 52 Hij vervoegde zich bij Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. 53 Hij haalde het van het kruis, wikkelde het in linnen en legde Hem in een graf dat in de rotsen was uitgehouwen, en waarin nog niemand lag. 54 Het was voorbereidingsdag en de sabbat zou zo aanbreken. 55 De vrouwen die met Hem uit Galilea waren meegekomen, waren Jozef gevolgd en zagen het graf en hoe zijn lichaam erin werd neergelegd. 56 Toen gingen ze naar huis en maakten kruiden en balsem klaar. Op sabbat namen ze de voorgeschreven rust in acht

Math. 27:62-66- Willibrordvertaling

62 De volgende dag, dat wil zeggen na de voorbereidingsdag, gingen de hogepriesters en de farizeeën samen naar Pilatus 63 en zeiden: ‘Heer, wij moesten eraan denken dat die misleider tijdens zijn leven gezegd heeft: "Na drie dagen zal Ik tot leven gewekt worden.” 64 Geef dus het bevel om het graf te beveiligen tot de derde dag. Want anders komen zijn leerlingen Hem stelen en zeggen ze tegen het volk: "Hij is opgewekt uit de doden.” Die laatste misleiding zou erger zijn dan de eerste.’ 65 Pilatus zei tegen hen: ‘U krijgt een wacht. Ga veiligheidsmaatregelen treffen zoals u nodig acht.’ 66 Ze gingen weg en na de steen verzegeld te hebben, beveiligden ze het graf met de wacht.
 

Zondag van Pasen

Johannes 20:1-18 - willibrordvertaling

1 Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. 2 Ze liep snel ter...ug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.’ 3 Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. 4 Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. 5 Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. 6 Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, 7 en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek. 8 Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde. 9 Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest opstaan. 10 De leerlingen gingen terug naar huis.

11 Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, 12 en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. 13 ‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.’ 14 Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. 15 ‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’ Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’ 16 Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent ‘meester’.) 17 ‘Houd me niet vast,’ zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ 18 Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had.