Maak kennis met enkele boeken van deze vroeggestorven auteur

Karel Glastra van Loon ( 24 december 1962 - 1 juli 2005)

Karel Glastra van Loon wordt sinds zijn dood op 1 juli 2005 herinnerd als een bijzonder mens met een enorme sociale betrokkenheid - en als een van de meest geliefde schrijvers van Nederland. Zijn debuutroman (1999): de Passievrucht, is het meest vertaalde boek uit de Nederlandse literatuur en werd ook verfilmd

Vertaalrechten voor de bestseller van Karel Glastra van Loon, die in 1999 werd bekroond met de AKO-literatuurprijs, zijn inmiddels verkocht aan 33 landen in 30 verschillende talen, waaronder behalve het IJslands onder meer het Russisch, Chinees, Afrikaans, Albanees en Hebreeuws. De Passievrucht is daarmee de meest vertaalde Nederlandse roman

Omslagtekst:
Wat gebeurt er als je als vader van een dertienjarige zoon ontdekt dat je al je hele leven onvruchtbaar bent?
Die vraag is het intrigerende beginpunt van De passievrucht, de debuutroman van Karel Glastra van Loon.

Op zijn zoektocht naar de biologische vader ('de dader') neemt de verteller de lezer mee op een reis door zijn verleden. Confrontaties met de 'verdachten' worden afgewisseld met ontroerende beschrijvingen van de onalledaagse opvoeding van Bo, en met pijnlijk eerlijke herinneringen aan de inmiddels overleden vrouw die Bo het leven schonk. Alles wat hij al die jaren over zichzelf en zijn leven heeft geloofd moet hij heroverwegen. En hij zal antwoorden moeten geven op vragen die hij liever nooit had gesteld. Wat weet je eigenlijk van degenen die je liefhebt? Hoe goed ken je hen die je het meest na zijn?

De passievrucht werd bekroond met de Generale Bank Literatuurprijs 1999.
Uit dit boek wil ik graag een fragment met jullie delen, een fragment dat mij toestond om een blik te werpen in de denkwereld van deze bijzondere mens.

Fragment:
Er staat een tekst in het apocriefe bijbelboek Het Evangelie van Philippus waaraan ik de laatste tijd vaak moet denken."De kinderen die een vrouw gaat baren lijken op degene die ze liefheeft. Als dat haar man is, lijken ze op haar man. Als dat echter een echtbreker is, dan lijken ze op die echtbreker.”

Ooit, het moet nu een jaar of zes geleden zijn, heb ik die tekst voorgelezen aan Bo. We zaten aan de houten tafel in de keuken, met grote vellen tekenpapier en geslepen potloden in een piramide van licht. Ik tekende voor Bo het Huis van het Weten. Eerst de plattegrond, daarna een voor- en een zijaanzicht.

"De voorkamer van het Huis van het Weten,” zei ik tegen Bo, "is de Kamer van de Feitelijke Kennis. Daarin vind je alle dingen die je nu weet. Daarachter ligt een veel grotere kamer: de Kamer van het Mogelijke, van alle dingen die je nog te weten kunt komen als je tijd van leven hebt en nieuwsgierig blijft.”
Bo rolde een potlood over het tafelblad. 

Naast de voor- en achterkamer lag een ruimte waarvan ik de buitenmuur niet had ingetekend.

"Dat is de Donkere Kamer van God,” zei ik. "Niemand weet hoe groot die kamer is. Elk licht dat je er binnen brengt, wordt onmiddellijk gedoofd. Je ziet er alleen iets als je de tijd neemt om aan het donker te wennen. Dan word je soms, heel even, dingen gewaar die je niet voor mogelijk had gehouden.”

"Er zijn mensen,” zei ik, "die zo schrikken van wat ze daar zien, dat ze de deur gauw weer dichtgooien en er niet meer terugkeren. En er zijn mensen die eraan verslaafd raken en zelden of nooit meer naar buiten komen. De Donkere Kamer van God is de mooiste maar ook de gevaarlijkste kamer van het huis.”

Het Huis van het Weten had een grote zolder, de Rommelzolder van de Kennis noemde ik die. "Daar vind je de raarste dingen. Grappige en onbruikbare dingen, zoals de Theorie van de Platte Aarde en de Tien Gulden Regels voor Burgermeisjes. Maar ook prachtige en nuttige dingen, zoals de Heilige Geometrie en het Evangelie van Philippus.”

"Wat staat daar in?” had Bo gevraagd. En ik was naar de boekenkast gelopen en had het dunne boekje, dat vol stond met potloodstrepen en uitroeptekens, van de plank gehaald. Ik had zomaar, willekeurig, een aangestreepte passage uitgezocht en aan Bo voorgelezen. Het was de tekst over de echtbreker.

"Wat is een echtbreker?” vroeg Bo.

"Dat is een inbreker, maar dan in de echt,” zei ik.

"Wat is dat, de echt?”

Ik deed of ik hem niet had gehoord. De simpelste vragen zijn vaak het moeilijkst te beantwoorden. Ik tekende nog een laatste vertrek: een piepklein kamertje in een dode hoek van de plattegrond.

"Het is een kamer zonder ramen,” zei ik, "verlicht door een kale gloeilamp die van het plafond omlaag hangt. Het is de kamer van de dingen die je beter niet had kunnen weten. Ik noem hem de Martelkamer.”
En Bo had zich over de tafel gebogen om beter te kunnen zien.

"Kom je daar weleens?”

"Ja,” zei ik. "Daar kom ik weleens.”

Wie is de echtbreker op wie Bo lijkt? De enige van wie ik zeker weet dat ze die vraag had kunnen beantwoorden is Monika. Monika is al tien jaar dood.

Ik had nog een kamer moeten toevoegen aan de plattegrond van het Huis van het Weten, denk ik nu: de Kamer zonder Hoop.

"Wat is daar te vinden, in die kamer?” had Bo dan kunnen vragen. En ik zou geantwoord hebben: "Niets en dat is het hem juist. Het is een kamer uit een kwade droom, waar je een leven lang kunt zoeken naar iets waarvan je weet dat het er moet zijn, maar dat je steeds ontglipt op het moment dat je het gevonden denkt te hebben. Het is de kamer waar alle kennis ligt opgeslagen waarover je zou willen beschikken, maar die om de een of andere reden onmogelijk meer te achterhalen is.”

Wil ik Bo meenemen naar die kamer?

Bron: De Passievrucht - Karel Glastra van Loon - pagina's 6, 7 en 8