Gustav Meyrink en zijn boeken

Gustav Meyrink (1868-1932)
 
 
 

Satyrisch schrijver, maar ook ‘magisch-suggestief’ levenskunstenaar.

De  auteur werd op 19 januari 1868 te Wenen geboren als Gustav Meyer, onwettige zoon van de jonge actrice Maria Meyer en baron Varnbüler von und zu Hemmingen, toentertijd een reeds op leeftijd zijnde, gehuwde minister te Würtemberg. Tot aan zijn dood in 1932 bestond zijn leven uit een aaneenschakeling van opvallende, mysterieuze en soms zelfs turbulente gebeurtenissen. Niet alleen, zoals uit talloze publicaties blijkt, voer voor psychologen, wetenschappelijke onderzoekers en andere soortgelijk geďnteresseerden, maar ook voor de serieuze zoekers naar waarheid en bevrijding.

Lees verder bij De Rozekruispers    De boeken van Meyrink zijn hier te koop, en ook bij de betere boekhandel.
 
 

Zijn boeken behoren tot de meest waardevolle vrienden uit mijn boekenkast en ik wil ze hier graag aan u voorstellen:

 

 

De Engel van het Westelijk Venster

 

 

Roman, gebaseerd op de zeer avontuurlijke levensloop van Sir John Dee of Gladhill, groot Engels geleerde en alchemist, gunsteling van Koningin Elisabeth. De schrijver toont het principiële verschil aan tussen de voor ons onzichtbare gebieden van de natuurorde en het oorspronkelijke, goddelijke levensveld. De wet tot het goddelijke levensveld is pas mogelijk na het verwerven van het inzicht omtrent de twee natuurorden, en de daarop aansluitende 'kennis die van God is', zoals de gnostici door alle eeuwen heen hebben verklaard. Meyrink beschrijft op fascinerende wijze de worsteling van John Dee om tot dit bevrijdende inzicht te komen.

 

De laatste nazaat van John Dee, beroemd alchemist ten tijde van Elisabeth I, krijgt diens dagboek in zijn bezit, waarin Dees levenslange worsteling om tot de waarheid te komen, wordt beschreven. Al lezende beleeft de erfgenaam die strijd opnieuw, maar nu gloort aan het einde de bekroning ervan, namelijk de bewuste binding met de straling van de karbonkel met twaalf vlakken uit de droom van de Hoel Dhats. Gustav Meyrink schetst hier dat er nauwelijks een verbinding is, enook niet kan bestaan, tussen enerzijds de mens zoals hij in deze wereld leeft en werkt, en anderzijds het oorspronkelijke en pure leven, dat het eigenlijke domein is van de innerlijke mens. Doordat dit inzicht vaak aan de zoekende mens ontbreekt, meent hij een engel Gods te zien en meent hij het antwoord op zijn vurig bidden en verlangen te vernemen, terwijl hij in feite een groene engel van duisternis oproept, ofwel een projectie van alles wat in hemzelf leeft. Zo scheppen we illusies, engelen van het westelijk venster, waaraan we zelf te gronde gaan, en brengen bovendien God het kwaad ten laste dat we zelf creëren. Gustav Meyrink schildert de fouten en de daaruit voortkomende rampzalige gevolgen die ons als zoekers maar al te vaak teisteren, zolang er gebrek aan inzicht is en ware kennis ontbreekt. Maar wie na het gaan van een lange ervaringsweg, zoals de hoofdpersoon in het boek, bewust de binding vasthoudt met de straling van het juweel met de twaalf vlakken " dat prachtige beeld uit de droom van Hoel Dhat -, ziet hoe als bekroning van zijn zoekend streven, de domeinen van het oorspronkelijk leven zich voor hem openen.

Uittreksel: over bidden.

 

De gestalte van de rabbi is gebogen. Het is niet te zeggen of zijn hoge leeftijd, die zijn haren sneeuwwit heeft gemaakt, hem neerdrukt, dan wel het gewicht van de lage, uit zwart gerookte houten balken vervaardigde zoldering van zijn wo­ning. Hij schijnt een reusachtig grote man te zijn. Zijn gele, met een wirwar van rimpels doorploegde roofvogelkop doet aan die van de keizer denken. Zijn hoofd is alleen nog veel kleiner, zijn profiel veel scherper besneden dan dat van een valk. Verwarde haarslierten, waarvan niet te zeggen valt of ze als hoofdhaar dan wel als baard uit hals en wangen groeien, wapperen om dit profetengezicht, dat nauwelijks groter dan een vuist lijkt te zijn. Kleine, diepliggende, bijna humoristisch stralende ogen onder zware, borstelige wenkbrauwen. Het veel te grote, griezelig smalle lichaam van de rabbi is in een schone en goed verzorgde zwartzijden kaftan gehuld. Zijn schouders zijn hoog opgetrokken. Zijn armen en voeten spreken voort­durend mee, naar de gewoonte van oosterlingen uit Jeruzalem.

Wij spreken over de inspanning van onwetende mensen om de geheimen Gods en de zin van het aardse leven te ont­raadselen.

«Men moet de hemel dwingen», zeg ik en verwijs de rabbi naar de strijd van Jacob met de engel.

De rabbi antwoordt: «U hebt gelijk. God wordt gedwongen door gebed.»

«Ik ben een christen; ik bid met mijn gehele hart en met alle kracht van mijn ziel.»

«En waarom?»

«Om de steen[1]

Langzaam, melancholisch wiegt de rabbi zijn hoofd heen en weer als een Egyptische moerasreiger: «Bidden moet geleerd worden.»

«Wat wilt u daarmee zeggen, rabbi?»

«U bidt om de steen. U hebt gelijk. De steen is een goed ding. Hoofdzaak is alleen of uw gebed Gods oor bereikt.»

«Waarom zou het dat niet?», roep ik uit. «Ik bid toch niet zonder geloof?»

«Geloof?», roept de rabbi uit, «welk nut heeft voor mij het geloof zonder het weten?»

«U bent een jood, rabbi», laat ik mij ontvallen.

De rabbi kijkt mij met fonkelende ogen aan: «Een jood. Ja, dat is waar, mijn waarde. Waarom vraagt u dan een jood naar de... geheimenissen? Het ware bidden, mijn waarde, is overal in de wereld slechts één en dezelfde kunst.»

«Daar hebt u een grote waarheid uitgesproken, rabbi», zeg ik en maak een buiging, want ik heb berouw over mijn ver­vloekte christenhoogmoed.

De rabbi lacht slechts met zijn ogen: «Jullie, gojim, kunnen schieten met geweer en met pijl en boog. Merkwaardig zo goed als jullie aanleggen en treffen. Een kunst, zoals jullie schieten. Maar kunnen jullie ook bidden? Merkwaardig, zo verkeerd jullie dan aanleggen en zo zelden jullie dan treffen.»

«Rabbi, een gebed is toch geen kogel uit een geweer?»

«Waarom niet, mijn waarde? Een gebed is een pijl in Gods oor. Als de pijl treft, dan is het gebed verhoord. Ieder gebed wordt verhoord - móét verhoord worden, want het gebed is onweerstaanbaar... als het treft.»

«En als het niet treft?»

«Dan valt het gebed als een verloren pijl weer naar beneden, treft menigmaal nog iets verkeerds, valt op de aarde als de kracht van Onan[2] - of - het wordt opgevangen door de 'ander' en zijn dienaren. Die verhoren dan het gebed – op hun manier.»

«Door welke 'andere'?» vraag ik met angst in het hart.

«Door welke 'andere'?» zegt de rabbi mij na. «Door hem die altijd tussen boven en beneden de wacht houdt. Door de engel Metatron, de Heer van de duizend aangezichten.»

Ik begrijp en huiver: «En als ik... verkeerd bid?»

De rabbi let niet op mij. Zijn blik dwaalt ergens ver weg. Hij gaat voort: «Men moet niet bidden om de steen, als men niet weet wat deze betekent.»

«De steen betekent de waarheid!», werp ik tegen.

«De waarheid?», spot de rabbi, evenals de keizer. Ik dacht dat ik hem verder zou horen zeggen: «Ben ik Pilatus?» Maar de hoge adept zegt niets.

«Wat betekent de steen dan anders?», dring ik met een bang hart aan.

«Dat moet u van binnenuit weten en niet met het verstand», zegt de rabbi.

«Ik weet wel dat de steen innerlijk gevonden moet worden, maar hij wordt toch ook naar de uiterlijke vorm bereid en heet dan: het elixer.»

«Wees voorzichtig, mijn zoon», fluistert de rabbi, terwijl hij plotseling de toon van zijn stem verandert, zodat het mij door merg en been gaat. «Wees voorzichtig als je om de steen bidt en vraagt. Let op de pijl, op het doel en op het schot. Dat je niet de verkeerde steen verkrijgt, de verkeerde steen op het ver­keerde schot. Het gebed kan tot iets verschrikkelijks worden.»

«Is het dan zo moeilijk om goed te bidden?»

«Buitengewoon moeilijk, mijn waarde. U hebt gelijk. Het is geweldig moeilijk God in zijn oor te treffen.»

«Hoe leert men op de juiste wijze bidden?»

«Op de juiste wijze bidden... dat kan slechts hij die bij zijn geboorte geofferd is en geofferd heeft. Iemand die niet slechts besneden is, doch ook weet dát hij besneden is en die de ene naam kent, van voren naar achteren en van achteren naar voren.»

Ergernis welt in mij op: de joodse hoogmoed schemert door de woorden van de rabbi. Ik val uit:

«Ik zal u zeggen, rabbi, dat ik te oud ben en te diep in de leringen van de wijzen der wereld doorgedrongen ben om mij nog te laten besnijden.»

Uit de onbegrijpelijke diepte van zijn ogen glimlacht de adept: «u wilt zich niet laten besnijden? Dat is het nu juist. De wilde appelboom wil zich niet laten besnijden. Wat draagt hij dan? Zure appels.»

Ik bespeur de dubbele betekenis in de woorden van de rabbi. Vaag vermoed ik dat mij hier een sleutel gereikt wordt; ik be­hoef hem slechts te grijpen.

 



[1] De steen der wijzen

[2]Zinspeling op Genesis 38:9.