Zinvolle verhalen

 
 
 

‘En de duisternis heeft het niet begrepen’
Willem Brandt
 


 
Eigenlijk is dit geen Kerstverhaal. Het is niet eens een verhaal; het is een verslag, een doodgewoon verslag van iets dat ergens gebeurde. En dan mist het zelfs nog de actualiteit die een verslag gewoonlijk kenmerkt, want het is al meer dan vijftig jaar geleden gebeurd. Wie bekommert zich daar nu nog om? Maar het kerstverhaal, het echte kerstverhaal, was tenslotte ook niet zomaar een verhaal. Ook dát is oud nieuws, van zo’n tweeduizend jaar geleden. Wat doen dus die paar decennia ertoe? Overigens bestaat er nóg een eigenaardige overeenkomst, al zult u die misschien wat vergezocht vinden. Het oude kerstverhaal speelde zich af in een stal. Dat van ruim vijftig jaar geleden gebeurde ook in een stal. Nu ja, geen echte stal, maar het leek er wel veel op. Het was een sombere loods, waarin een vrijwel permanente duisternis heerste. Maar daarbuiten straalde het licht fel en glorieus, zowel overdag als ’s nachts. Die loods stond namelijk in een tropisch gebied, onder een gloeiende, brandende zon, maar ook onder een fantastische sterrenhemel. En een maan, die veel groter leek dan men ooit in Europa ziet.

 

Er woonden mensen in die loods, hoewel ‘wonen’ een beetje te sterk is uitgedrukt. Ze waren er opgeborgen. Want iets verder, daarbuiten, liet de zon of de maan kleine vonkjes glinsteren vanaf het prikkeldraad, voorzover dat in de loop van de jaren niet al was verroest. Want het duurde nu al jaren – of waren het misschien eeuwen? Je kon het zo niet zeggen – je was te moe en te ziek en te zwak om zelfs de uren en de dagen bij te houden. Dat deed je in het begin. Nu was dat allang voorbij. Je werd meer met de eeuwigheid geconfronteerd dan met de dag of het uur. Want er stierven er zoveel, naast je en overal om je heen, door honger, dysenterie, andere tropische ziekten – of alleen maar omdat ze niet meer wilden leven. Hun laatste sprankje hoop was uitgedoofd.

Niettemin probeerden we het nog een beetje te rekken in dat concentratiekamp. Waarom, ach dat wist je eigenlijk niet meer. Aan het einde van de oorlog, aan bevrijding kon je allang niet meer geloven. Je leefde verder uit een soort routine, in een verdoofde toestand, afgestompt, en met nog maar één drift, die zo nu en dan als een wild beest naar je keel sprong: eten, eten, maakt niet uit wat. Maar er was niets, we werden systematisch uitgehongerd. Zo nu en dan ving iemand wel eens een slang, of een ander dier, een rat bijvoorbeeld. Besteed er maar geen aandacht aan, niemand die het overleefd heeft praat daar nog graag over. Er was één man in dat kamp, die nog iets eetbaars bezat. Een kaars. Een gewone waskaars. Natuurlijk had hij die destijds niet meegenomen of bewaard om op te eten. Een normaal mens eet geen kaarsvet, hoewel ze zeggen dat de Kozakken er vroeger gek op waren. Hoe dan ook: het is vet, dat moet je niet onderschatten wanneer je alleen maar uitgeteerde geraamten om je heen ziet – waarin je ook jezelf herkent.

Als de marteling van de honger helemaal niet meer was uit te houden nam hij die kaars – die hij goed had verborgen in een verfomfaaid koffertje en hij kloof eraan. Maar hem opeten deed hij niet. Hij beschouwde die kaars als zijn laatste redding. Op een keer toen iedereen krankzinnig werd van de honger (en dat zou nu niet zo lang meer duren) zou hij die kaars opeten. Ik hoop niet dat u het gek of weerzinwekkend vindt. Ik, die zijn kameraad was, vond het heel gewoon in die tijd. Hij had mij trouwens een klein stukje van die kaars beloofd. Het werd mijn levenstaak, mijn voortdurende zorg, erop te letten dat hij de kaars achteraf toch niet helemaal alleen opat. Ik beloerde en bespioneerde hem en zijn koffertje dag en nacht. Misschien bleef ik wel in leven, omdat ik zo’n belangrijke taak te vervullen had.

Op een dag ontdekten we dat het Kerstmis was. Heel toevallig was iemand daarachter gekomen, na langdurige berekeningen aan de hand van kleine streepjes en inkervingen in een balk. Hij vertelde het aan iedereen. ‘Volgend jaar Kerstmis zijn we thuis’, voegde hij er nogal mat en emotieloos aan toe.

We knikten, of reageerden helemaal niet. Dat hadden we nu al een paar jaar gehoord. Toch waren er nog wel een paar die zich daaraan vastklampten. Je kon immers nooit weten.

Dat was heel vreemd om te zeggen. Het klonk als een zwak, nauwelijks hoorbaar geluid uit een onafzienbare verte, iets volkomen onwerkelijks uit een ver, ver verleden.

Toen zei iemand – misschien zonder enige bedoeling, maar misschien ook wel, daar ben ik nooit achter gekomen – ‘Met Kerstmis branden de kaarsen en luiden de klokken’.

Nu moet ik zeggen dat die opmerking langs de meesten van ons heenging. Ze interesseerde ons niet, ze sprak over iets dat geheel buiten ons bestaan viel – maar toch had ze de wonderlijkste en meest onverwachte gevolgen.

Toen het al laat in de avond was geworden, en iedereen daar zo’n beetje op de planken lag, met zijn eigen gedachten, of eigenlijk helemaal zonder gedachten, werd mijn vriend onrustig. Hij schoof naar zijn koffertje en haalde de kaars tevoorschijn. Ik kon het heel goed zien in het donker, die witte kaars. Hij eet hem op, dacht ik – als hij nu maar aan mij denkt. En ik loerde naar hem, door mijn oogharen. Hij legde de kaars op zijn brits en ik zag hem naar buiten verdwijnen waar een klein vuurtje smeulde. Hij keerde terug met een brandende spaander. Als een spook dwaalde dat kleine vlammetje door de loods tot het zijn plaats weer bereikte, vlak bij mij. Toen gebeurde er iets vreemds; mijn vriend nam die spaander, dat vuur, en stak zijn kaars aan.

De kaars stond op zijn brits en brandde.

Ik weet niet hoe iedereen dat zo onmiddellijk ontdekte, maar het duurde niet lang of de ene schaduw na de andere schoof nabij, halfnaakte kerels, waarvan je de ribben kon tellen, met holle kaken en brandende honger-ogen. Zwijgend vormden die een kring om de brandende kaars.

Eén voor één kwamen ze naar voren, die naakte mannen, ook de dominee en de pastoor. Je kon niet zien dat ze dominee of pastoor waren, want ze waren ook maar een stuk uitgemergelde ribbenkast, maar we wisten het toevallig.

De pastoor zei met een hese stem: ‘Het is Kerstmis. Het Licht schijnt in de duisternis.’

En toen zei de dominee: ‘En de duisternis heeft het niet begrepen.’

Het is, als ik mij niet vergis, uit het Evangelie volgens Johannes. Je kunt het in de bijbel vinden, maar die nacht, om deze kaars, was het geen geschreven Woord van eeuwen geleden. Het was een levende werkelijkheid, een boodschap voor dit uur en voor ons, voor ieder van ons.

Want het Licht scheen in de duisternis. En de duisternis begreep het niet. Op dat moment beredeneerde je het niet zo, maar dat was wat we voelden, zwijgend rond dat Kerstlicht, die witte kaars, die spitse vlam.

Daar was iets heel bijzonders mee. Die kaars was witter en slanker dan ik daarna ooit heb gezien. En die vlam – het was een kaarsvlam die tot de hemel reikte waarin we dingen zagen die niet van deze wereld zijn. Ik zal nooit in staat zijn om daarover te vertellen – niemand van ons trouwens, die nu nog leeft. Dat was een geheim. Een geheim tussen het Kerstkind en ons. Want we wisten toen zeker dat Het bestond, dat Het leefde onder ons en voor ons. We zongen in stilte, we baden zonder een woord, en ook heb ik gehoord dat de klokken begonnen te luiden en dat een engelenkoor liederen aanhief. Ja, dat weet ik heel zeker en ik heb wel honderd getuigen, waarvan de meesten niet meer kunnen spreken. Ze zijn niet meer hier, maar dat betekent niet dat ze het niet meer zouden weten.

Daarginds, diep in de moerassen en de jungle, zongen ijle engelachtige stemmen kerstliederen voor ons en galmde het brons van duizend klokken.

Waar dit alles vandaan kwam, dat blijft ook een geheim. Die kaars brandde hoger en hoger, spitser en spitser, tot aan het uiterste nokje van die hoge donkere loods en toen daardoorheen, tot aan de sterren, en alles werd wit van licht. Zoveel licht heeft later nooit meer iemand gezien. En we voelden ons vrij en opgeheven, en kenden geen honger meer. Die kaars had niet alleen mijn vriend en mij gevoed, die kaars had ons allemaal gevoed en sterker gemaakt.

Er kwam geen einde aan het licht. En toen iemand zacht zei: ‘Volgend jaar Kerstmis thuis’, geloofden we dat deze keer onvoorwaardelijk. Want het licht had ons zelf die boodschap meegedeeld, het stond in vurige letters in die kerstvlam geschreven; u kunt mij geloven of niet, ik heb het zelf gezien.

De hele nacht heeft de kaars gebrand. Er is geen kaars ter wereld die zo lang en zo hoog kan branden. Toen het ochtend was waren er een paar, die zongen. Dat was in geen jaren gebeurd. Die kaars heeft velen van ons het leven gered, want toen wisten we dat het nog de moeite waard was om verder te gaan, dat er ergens aan het eind op ieder van ons een thuis wachtte.

En dat was ook zo.

Sommigen zijn naar Nederland teruggekeerd, vóór het weer Kerstmis was. Ze vinden de kaarsjes aan onze kerstbomen maar klein, veel te klein. Ze hebben een groter licht gezien, dat nog altijd brandt. De meeste anderen zijn ook thuis gekomen vóór het weer Kerstmis was, ik heb zelf meegeholpen hen neer te leggen in de aarde achter ons kamp, op een droog plekje tussen het moeras. Maar toen ze stierven waren hun ogen minder dof dan vroeger. Dat was het licht van die vreemde kaars. Het Licht dat de duisternis niet had begrepen.
 
bron

 

 

AARDE
Kahlil Gibran

 

HOE PRACHTIG BEN JE, aarde, en hoe verheven!

Hoe volmaakt is je gehoorzaamheid aan het licht en

Hoe nobel is je overgave aan de zon!

 

Hoe liefelijk ben je, gehuld in schaduw, en hoe

Charmant is je gelaat, gemaskerd met duisternis!

 

Hoe rustgevend is het lied van de

Morgen en hoe

Wrang zijn de lofzangen van het avondrood!

Hoe volmaakt ben je, aarde, en hoe machtig!

 

Ik heb gewandeld over je vlakten en

Je stenen bergen

Beklommen; ik ben afgedaald in je valleien;

Ik ben je grotten binnengegaan.

In de vlakten vond ik je droom. Op de berg

Vond ik je trots. In de vallei was ik getuige van je

Rust. In de rotsen zag ik je vastberadenheid, in de

Grotten je geheimzinnigheid.

 

Je bent zwak en machtig en nederig en hooghartig.

Je bent volgzaam en onbuigzaam,

Helder en mysterieus.

Ik heb over je zeeën gevaren en je rivieren verkend en

Je beekjes gevolgd.

Ik hoorde eeuwigheid spreken in eb en vloed,

En de eeuwen weerkaatsten je liederen tussen de heu­vels.

Ik luisterde naar leven dat naar leven riep in jouw val­leien en langs je hellingen.

Je bent de mond en de lippen van de eeuwigheid,

De snaren en de vingers

Van de tijd,

Het mysterie en de oplossing

Van het leven.

Je lente heeft me gewekt en me naar je velden geleid

Waar je geurende adem opstijgt

Als wierook.

Ik heb de vruchten gezien van je zomerarbeid.

In de herfst, in je wijngaarden, zag ik je

Bloed vloeien als wijn.

Je winter droeg me in je bed, waar de sneeuw getuig­de van je zuiverheid.

In je lente ben je een geurende olie; in je zomer ben je vrijgevig;

In je herfst ben je een bron van over­vloed.

 

Op een kalme en heldere nacht

Opende ik de ramen en deuren

Van mijn ziel en ging

Naar buiten om je te ontmoeten,

Mijn hart gespannen met lust.

Ik zag je staren naar de sterren die naar jou lachen.

Zo wierp ik mijn boeien weg, want ik

Ontdekte dat de woonplaats van de ziel in jou is.

Haar verlangen groeit in jouw verlangen; haar

Vrede rust in jouw vrede; en haar geluk is in het

Goudstof dat de sterren uitstrooien boven jouw Lichaam.

 

Op een nacht, toen de lucht grijs werd, en mijn ziel

Vol verdriet was, ging ik naar je toe.

En je verscheen voor me als een reus, gewapend met

Woedende stormen, het verleden bevechtend

Met het heden,

Het oude vervangend door het nieuwe, terwijl je

et sterke het zwakke liet verstrooien.

 

Zo leerde ik dat de wet van de mensen

Jouw wet is.

Ik leerde dat wie droge takken niet laat breken

In de storm, vermoeid zal sterven.

En wie de revolutie niet gebruikt om de

Droge bladeren te verwijderen, langzaam zal vergaan.

Hoe vrijgevig ben je, aarde, en hoe sterk is jouw

Verlangen naar je kinderen, die verdwaald zijn tussen

Wat ze hebben verworven en dat wat ze niet konden verwerven.

Wij klagen en jij lacht; wij fladderen weg

Maar jij blijft!

 

Wij lasteren de naam van God en jij zegent.

Wij ontheiligen en jij heiligt.

Wij slapen zonder dromen, maar jij

Droomt in je eeuwige waaktoestand.

 

Wij doorboren je boezem met zwaarden en speren,

En jij kleedt onze wonden met olie en balsem.

Wij beplanten je velden met schedels en beenderen,

En jij verbouwt cipressen

En wilgen.

 

Wij legen ons afval in je schoot, en jij vult

Onze voorraadschuren met tarweschoven

En onze wijnpers met druiven.

 

Wij maken van je grondstoffen bommen

En kanonnen, maar jij schept uit dezelfde stoffen

Lelies en rozen.

 

Hoe geduldig ben je, aarde, en hoe barmhartig!

Ben je een atoom van stof, dat opwaait

Door de voeten van God toen Hij reisde van het oosten

Naar het westen van het universum?

Of een vuurvonk uit de oven

Van de eeuwigheid?

Ben je een zaad dat in de velden is geworpen

Van het firmament om Gods boom te worden

Die uitreikt boven de hemelen met zijn hemelse tak­ken?

Of ben je een druppel bloed in de aderen van de

Reus der reuzen, of een druppel zweet op zijn

Voorhoofd?

 

Ben je een vrucht die gerijpt is in de zon?

Groei je aan de boom van absolute

Kennis, waarvan de wortels zich uitstrekken door de

Eeuwigheid en waarvan de takken door het

Oneindige zweven?

 

Ben je een juweel geplaatst door de God van de tijd in de

Palm van de God van de ruimte?

 

Wie ben je, aarde, en wat ben je?

Jij bent mij, aarde!

 

Jij bent mijn blik en mijn onderscheidingsvermogen.

Jij bent mijn kennis en mijn droom.

Jij bent mijn honger en dorst.

Jij bent mijn vreugde en verdriet.

Jij bent mijn onachtzaamheid en mijn waakzaamheid.

Jij bent de schoonheid die in mijn ogen leeft,

Het verlangen in mijn hart,

Het eeuwige leven in mijn ziel.

 

Jij bent mij, aarde.

Als het niet voor mijn wezen was geweest,

Dan zou jij niet hebben bestaan.

 

Uit Kahlil Gibran – De Dromer

 

 

de kluizenaar en de jonge man

 

Eens zond God een aartsengel, Narada genaamd, naar de aarde met de opdracht na te gaan welke gelovigen hem het meest waren toegedaan, omdat Hij zich, zoals Hij wel meer deed, aan hen wilde vertonen.

Narada verscheen op aarde, vermomd als asceet. Hij trok door wouden en dalen en over bergen op zoek naar mensen, die zich geheel op God concentreerden en al hun handelingen aan Hem opdroegen.

Op een dag zag hij in een dicht bos een oude kluizenaar die bezig was met lichaamsoefeningen en boetedoening in de schaduw van een grote tamarindeboom. Narada, die net deed of hij een toevallige voorbijganger was, vroeg hem wat hij aan het doen was. "Ik ben Bhadraka", zei de oude man, "en ik heb hier gedurende meer dan 80 jaar de allermoeilijkste oefeningen gedaan. Maar", voegde hij er mistroostig aan toe, "tot nu toe zonder veel resultaat". Narada stelde zich zelf voor: "Ik ben een boodschapper van de Heer en heb de opdracht ware gelovigen te zoeken".

 

Bhadraka, die zijn kans nu gekomen zag, zei heel gewichtig: "Zeer geachte afgezant, aanschouw hier degene op aarde, die God het meest is toegewijd. Stelt u voor: tachtig jaar lang, in regen en wind, heb ik de zwaarste, de kwellendste lichamelijke en mentale oefeningen gedaan om kennis te verkrijgen en om in de ogen van de Heer waardering te vinden".

 

Narada was onder de indruk gekomen. "Hoewel ik uit hogere sferen kom, waar, zoals u zult begrijpen, nog héél andere dingen mogelijk zijn, ben ik toch ten zeerste getroffen door uw volharding". Bhadraka, die vol was van zijn grieven en maar half had geluisterd, zei boos: "Als u dan altijd zo dicht bij de Heer bent, probeert u dan eens uit te vinden waarom Hij zo lang is weggebleven. Vraag Hem waarom Hij nog nooit heeft gereageerd op alle oefeningen die ik altijd doe. Wilt u me dat beloven?"

 

Narada beloofde het en ging verder. Onderweg hield hij stil om naar een jonge man te kijken, die aan de weg bezig was een schutting te bouwen. Helaas was hij stomdronken en probeerde hij tevergeefs een paal in een der daarvoor gegraven gaten te plaatsen. Eerst vond Narada het gestuntel van de man, die soms al struikelend in een der gaten dreigde te vallen, wel grappig, maar hij begon toch wel zijn wenkbrauwen te fronsen toen de man eerst God begon aan te roepen en, toen dit niet hielp, Hem zelfs begon te vervloeken. "Hé, jij luie lelijke God, waar blijf je? Een mooie vriend ben je! Kom hier en help me die paal in de grond zetten. Anders steek ik je dat ding midden in je harde hart". Toen zag zijn wazige blik ineens Narada.

 

"Wat sta jij me aan te gapen?" Narada, die even uit het veld geslagen was, zei heel kleintjes: "Zal ik u even helpen met die paal?" "Neen", gromde de jonge man, "alleen mijn Goddelijke vriend mag me helpen. Maar die laat zich weer niet zien. Die verbergt zich achter die wolken". "Dronken dwaas", zei Narada berispend, "ben je niet bang om de alomtegenwoordige God zo te vervloeken?" "Oh neen, Hij begrijpt mij beter dan jij", zei de jonge man, die heen en weer stond te zwaaien en probeerde om Narada aan te kijken. "Wie ben jij eigenlijk?" Hoewel hij er vrijwel zeker van was dat zijn antwoord alleen maar woede of spot zou opwekken, zei Narada : "Ik ben een afgezant van de almachtige God en ben op zoek naar gelovigen op aarde". "Zo bent u daarvoor hier", riep de jongeman uit en hij voegde er haastig aan toe: "Doet u een goed woordje voor mij als U Hem ziet. Al doe ik af en toe ook verkeerde dingen en misbruik ik de krachten wel eens, die Hij mij heeft gegeven, zou ik u toch willen vragen mijn naam te noemen. Wilt u Hem dan ook vragen waarom Hij nog nooit gekomen is. Ik heb al zo lang gewacht. Ik reken er helemaal op dat Hij komt".

 

Narada had een beetje medelijden met die arme kerel en, hoewel eigenlijk tegen zijn zin, beloofde hij God over hem te spreken, al was hij er voor zich zelf wel zeker van, dat die dronkaard al heel weinig kans had om ooit God te aanschouwen.

Narada reisde door heel India en noteerde de namen van velen die de Heer waren toegewijd. Maar opeens voelde hij zich zo eenzaam en verlangde hij zo naar Gods liefdevolle glimlach, dat hij zich van zijn aardse lichaam ontdeed en zo snel als zijn gedachten hem konden dragen hemelwaarts ging.

 

"Welkom, Narada", zei God vriendelijk en het licht uit zijn lotusogen deed de laatste resten van aardse spanningen smelten. "Vertel mij eens over je reis". Narada bracht verslag uit en eindigde met te verhalen over de 2 mannen, die zijns inziens ieder aan het einde van de schaal der deugd stonden: de vrome kluizenaar en de dronken man met de paal. "Heer, ik moet u zeggen, dat ik U soms moeilijk te behagen, ja, soms zelfs wreed vind.

 

Bedenkt U eens hoe u Bhadraka, die oude kluizenaar onder de tamarindeboom die al 80 jaar op u wacht, behandeld hebt. U weet toch wie ik bedoel?" God dacht een ogenblik na en scheen te zoeken in zijn alles registrerend hart. "Neen", zei Hij, ik kan me hem niet herinneren".

 

"Hoe is dat nu mogelijk", zei Narada verwonderd, "Hij heeft 80 jaar lang de zwaarste oefeningen gedaan, alleen om Uw aandacht te trekken". Maar God haalde onverschillig zijn schouders op. "Wat die kluizenaar ook heeft gedaan, hij heeft mijn hart nog niet geraakt. . . Nu, en verder?" "Ja", zei Narada aarzelend, "dan heb ik aan de kant van de weg. . . " ,,0, ja", viel God hem in de rede, "je hebt die dronken jonge man ontmoet". Narada, stomverbaasd nu, zei een tikkeltje ironisch: "Hoe komt het dat u zich hem wel herinnert? Zeker omdat die dronken heiligschenner u met zijn paal wilde doorboren!"

 

De Heer lachte hartelijk en scheen toen met zijn gedachten een ogenblik bij die jonge dwaas te verwijlen. Daarna wendde Hij zich vol liefde tot Zijn aartsengel, die nog ontstemd voor zich uitkeek en zei: ,,0, mijn Narada, wees niet boos en sarcastisch. Ik zal je bewijzen wie van de twee mij het meest is toegewijd. Het is heel eenvoudig. Ga terug naar de aarde en vertel aan beide mannen dat je de boodschap hebt overgebracht, maar dat God nu bezig is een miljoen olifanten door een naald te halen. Als Hij klaar is zal Hij komen.

 

Hoewel Narada niet veel begreep van deze instructies, had hij reeds lang geleerd opdrachten van de Heer stipt en in het volste vertrouwen uit te voeren. En zo dacht hij zich op aarde en stond onder de tamarindeboom bij de kluizenaar, die vol verwachting naar hem opkeek. Maar toen Narada zijn vreemde boodschap had overgebracht schoot de oude man woedend overeind. "Verdwijn", schreeuwde hij. "ga maar naar die leugenachtige God van je. Wie heeft ooit gehoord van olifanten door een naald halen! Dat betekent dat Hij nooit komt. Misschien bestaat Hij wel helemaal niet". Hij was nu door het dolle heen en zwaaide met zijn stok. "Ik heb mijn leven verknoeid. Tachtig jaar oefenen. . . en alles voor niets! Maar ik ben nu van mijn waan genezen, ik zal nu nog wat van het leven genieten zolang ik kan". En met grote stappen verdween hij in het bos.

 

Narada kon van schrik geen woord uitbrengen en dus vertrok hij maar. Hij moest echter het tweede deel van zijn opdracht nog uitvoeren. Een beetje aarzelend liep hij de weg af waar hij de jongeman had ontmoet. De kerel was er nog en zo mogelijk dronkener dan ooit. Hij was nog steeds met zijn palen bezig. Maar toen hij Narada zag, scheen de dronkenschap van hem af te vallen en kwam er een glans van vreugde in zijn ogen. Hij rende naar Narada toe: Heb je mijn boodschap aan de Heer overgebracht? Wat zei Hij? Wanneer komt Hij?

 

Toen Narada hem vertelde wat God hem had opgedragen was de jongeman helemaal niet ontmoedigd. Integendeel, hij begon van vreugde te dansen en half zingend riep hij: "Hij, die werelden door het oog van een naald kan laten gaan, moet al klaar zijn met het doorhalen van die olifanten. Hij kan elk ogenblik hier zijn. En als Hij mij aanraakt, zal ik veranderen. Al mijn slechte gewoonten en daden zullen worden opgelost in mijn grote liefde voor Hem".

 

In vervoering danste de jonge man verder, tranen van Goddelijke vreugde stroomden uit zijn ogen. Aangegrepen door deze vreugde begon Narada mee te dansen.

En even later zagen zij dat God zich lachende bij hen had gevoegd.

 

Bron: Yoga Kroniek 1971

 

 

 

 

 Over de Liefde

 
 

Kan er een grootser doel zijn dan God, de volmaaktheid zelf? Wij kunnen ons geen groter genot voorstellen dan liefde. Werkelijke liefde echter is heel wat anders dan de gewone zelfzuchtige wereldse liefde; dat liefde te noe­men is de liefde belasteren. Liefde voor vrouw en kinderen is louter dierlijke liefde; alleen volkomen onzelfzuchtige liefde kan waarlijk Liefde worden genoemd, en dat is de liefde tot God. Het is heel moeilijk om daartoe te geraken. Wij gaan door al de verschillende vormen van liefde heen en oefe­nen zoo het vermogen om lief te hebben. Maar meestal leren wij er niets uit en blijven wij ge­bonden aan enkele personen en dingen.

Soms ech­ter stijgt een enkeling er boven uit, nadat hem een harde slag heeft getroffen, waardoor hem dui­delijk wordt, wat deze wereld in werkelijkheid is. Alleen God kunnen we waarlijk liefhebben. Liefde voor mensen en dingen heeft geen diepe grond. De vrouw zegt haar man lief te hebben en zij kust hem; maar nauwelijks is hij dood, of haar gedach­ten gaan naar de bankrekening, en hoe zij haar leven nu zal inrichten. De echtgenoot heeft zijn vrouw lief, maar wanneer zij ziek wordt en haar schoonheid verliest, of veroudert, of een misstap begaat, verwelkt zijn liefde. Alle wereldse liefde is huichelachtig en leeg.

Wat eindig is kan niet waarlijk liefhebben, noch blijvend liefde verwekken. Waar het voorwerp van menselijke liefde immer vergaat, en het menselijk brein immer aan verandering onderhevig is, wat voor durende liefde kan men dan in deze wereld verwachten? Alleen in God is ware liefde mogelijk. Maar waartoe dan dit liefdesspel? Een kracht in ons zet ons aan om lief te hebben; maar we zijn onbekend met bet ware doel van die kracht; niettemin stuwt zij ons immer voort naar dat doel. Telkens weer bemerken wij ons in het doel vergist te hebben. Wij grijpen naar iets, het glipt ons door de vingers, en dan grijpen we weer naar wat anders.

Zo gaat het door, totdat we tot helder inzicht komen. Dan wenden wc ons tot God, de Eene die waarlijk liefheeft. Zijn liefde is onver­anderlijk en immer bereid ons te omvatten. Hoe lang zou een Uwer mij verdragen, indien ik U beledigde? Maar Hij kan het, in wiens geest geen boosheid, haat of afgunst is, die nimmer oneven­wichtig is, nooit sterft of geboren wordt - en wie is dat anders dan God. Maar het is een lange weg naar God, en een moeilijke; weinigen slechts weten Hem te bereiken. Miljoenen maken een handeltje van den Godsdienst der Liefde. Iedereen praat er over, maar weinigen bereiken het doel; in iedere eeuw zijn er een paar die slagen, en de omgeving wordt er in wijden kring door gezegend en ver­licht, evenals de opgaande zon de duisternis ver­drijft. Waar een zoon van God opstaat, wordt een geheel land gezegend en gelouterd.

Hoe zeldzaam ook het slagen, laat ons allen streven naar die Goddelijke Liefde. Wie weet, misschien zal het ge­lukken. Laat ons er daarom voor strijden.

Wij zeggen dat een vrouw haar man liefheeft. Zij is er van overtuigd, dat haar hele ziel naar hem uitgaat; een kindje wordt geboren, en veel van haar liefde gaat nu uit naar dat kind. Zelf zal zij gevoelen dat in de liefde voor haar man verandering is gekomen. Zo ook met den vader. Steeds weer bemerken wij dat een nieuwe liefde de oude doet verflauwen. Op school dachten wij dat sommige van onze schoolmakkers, of vader of moeder, de dierbaarste wezens op aarde waren. Dan trouwen wij, en de oude gevoelens maken plaats voor nieuwe.

Een ster verschijnt, dan een meer schitterende en nog een meer schitterende, en ten slotte de zon, die al het andere doet verbleken. Die zon is God. De sterren zijn onze aardse gelieven. Wanneer die Zon opgaat, worden we wat Emerson noemt "een van God dronken mens" . Uiteindelijk verliest de mens zich in God, alles stroomt uit in die ene oceaan van liefde

 

Liefde is religie. Ware Godsdienst is niet voor de menigte. In elk land zijn er maar een paar honderd, die werkelijk godsdienstig zijn. De overige niet, omdat zij niet wakker gemaakt willen worden uit hun droom. Waar het op aan komt is, dat wij behoefte hebben aan God, maar meestal hebben wij behoefte aan alles behalve God, omdat onze hele belangstelling gericht is op de uiterlijke wereld; alleen wanneer onze verlangens niet meer naar de dingen dezer wereld uitgaan, wanneer we genoeg van deze wereld hebben, voelen wij be­hoefte aan iets onzegbaars dat van binnen uit moet komen. En alleen indien werkelijk de behoefte bestaat, wordt er in voorzien.

 

Bron: De godsdienst der Liefde – Swami Vivekananda. 

Uittreksel uit De Storm - Kahlil Gibran

'Nee, ik zocht de eenzaamheid niet om te bidden en het leven van een kluizenaar te leiden, want gebed - het lied van het hart bereikt de oren van God zelfs te midden van het geschreeuw en geroep van duizenden stemmen. Door het leven van een kluizenaar te leiden kwel je het lichaam en de ziel en dood je het instinct. Dat staat me tegen, want God heeft het lichaam opgericht als een tempel voor de geest en wij zijn geroepen om het vertrouwen dat God in ons stelt te verdienen en gaande te houden.

'Nee, mijn broeder, ik zocht de eenzaamheid niet om godsdienstige redenen, maar enkel en alleen om de mensen en hun wetten, leerstellingen en tradities, ideeën, rumoer en geweeklaag te mijden.

'Ik zocht de eenzaamheid om niet langer de gezichten van de mensen te hoeven zien, die zichzelf verkopen en kopen met dezelfde prijs, die lager ligt dan wat ze in geestelijk en materieel opzicht waard zijn.

'Ik zocht de eenzaamheid om niet de vrouwen te hoeven tegenkomen die pralend rondlopen met duizend en één glimlachjes op hun gezicht, terwijl ze in de diepte van hun duizend harten slechts één doel hebben.

'Ik zocht de eenzaamheid om mijzelf te verbergen voor de zelfvoldane individuen die in hun dromen het spook der kennis zien en dan denken dat ze hun doel hebben bereikt.

'Ik ontvluchtte de maatschappij om hen te mijden die slechts het spook der waarheid zien in hun ontwaken en dan de wereld toeroepen dat ze de essentie van de waarheid volledig hebben doorgrond.

'Ik verliet de wereld en zocht de eenzaamheid omdat ik het beu was hoffelijk te zijn jegens de horden die denken dat nederigheid zwakte, genade lafheid en snobisme kracht is.

'Ik zocht de eenzaamheid omdat mijn ziel de omgang beu was met hen die oprecht geloven dat de zon, de maan en de sterren uit hun geldkisten op- en in hun tuin ondergaan.

'Ik rende weg van de baantjesjagers die het aardse lot van de mensen verbrijzelen door hen goudstof in de ogen te strooien en hun oren te vullen met zinloos geleuter.

'Ik scheidde van de dominees die niet leven volgens wat ze preken en die van de mensen eisen wat ze niet van zichzelf vragen.

'Ik zocht de eenzaamheid omdat ik van geen enkele menselijke ziel genegenheid ondervond, tenzij ik de volle prijs betaalde met mijn hart.

'Ik zocht de eenzaamheid omdat ik dat grote, verschrikkelijke instituut haat dat men beschaving noemt, die symmetrische monstruositeit, opgericht op de voortdurende ellende van de mensheid.

'Ik zocht de eenzaamheid, want daarin is volheid van leven voor geest, hart en lichaam. Ik vond de eindeloze grasvlakten waarop het licht van de zon rust, waar de bloemen hun zoete geur uitademen in de ruimte en de stromen zingend hun weg zoeken naar zee. Ik ontdekte de bergen waar ik het fris ontwaken van de lente, het kleurig verlangen van de zomer, de rijke liederen van de herfst en het schone geheim van de winter aantrof. Ik kwam naar deze uithoek van Gods domein omdat ik ernaar haakte de geheimen van het heelal te leren kennen en Gods troon dicht te naderen.'

 

 

Bron: De Storm – Kahlil Gibran

 

 

 
 

Hoe belangrijk zijn katten bij het mediteren.


Een groot zenmeester die aan het hoofd stond van het klooster van Mayu Kagi, had een kat, die de liefde van zijn leven was.
Om zo veel mogelijk van zijn gezelschap te kunnen ge­nieten, hield hij de kat tijdens het meditatieonderricht bij zich.
Op zekere ochtend bleek de meester - hij was niet meer een van de jongsten - gestorven te zijn. Zijn beste leerling nam zijn plaats in.

'Wat doen we met de kat?' vroegen de andere monniken. Bij wijze van eerbetoon aan zijn vroegere leermeester be­sloot zijn opvolger dat het beestje bij de meditatielessen aan­wezig zou blijven.
Op een dag deden leerlingen van elders, die veel door de streek reisden, het klooster aan en zagen de kat. Zo begon het verhaal de ronde te doen dat in een van de beroemdste tempels van die streek een kat deelnam aan de meditatie.

Vele jaren gingen voorbij. De kat ging dood, maar de leerlingen van het klooster waren zo gewend geraakt aan zijn aanwezigheid, dat ze een nieuwe kat namen. De andere kloosters begonnen ook katten te gebruiken bij de meditatie: ze meenden dat de kat de oorzaak was van de faam en de kwaliteit van het onderricht in Mayu Kagi en vergaten dat de vroegere zenmeester een uitstekend onderwijzer was ge­weest.

Een nieuwe generatie diende zich aan en er verschenen verhandelingen over de waarde van de kat in de zenmeditatie. Een professor kwam met de theorie (die in de academi­sche wereld wijd en zijd ingang zou vinden) dat de aanwezigheid van een katachtige bijdraagt aan een betere concentra­tie bij de mens en bovendien de ontwikkeling van negatieve energie voorkomt.

En zo gold de kat decennialang als een essentieel onderdeel van de zenmeditatie - en de studie ervan - in die streek.
Tot er een zenmeester kwam die allergisch was voor huisdieren en die daarom besloot geen katten meer toe te laten bij de dagelijkse oefeningen met zijn leerlingen.
De reacties waren bijzonder negatief, maar de meester volhardde in zijn besluit. Hij was een uitmuntende leraar en zijn leerlingen behaalden uitstekende resultaten, ofschoon bij zijn lessen geen kat aanwezig was.

Een voor een begonnen de kloosters - steeds op zoek naar nieuwe inzichten en het eigenlijk beu om zoveel katten te moeten voeren - de dieren uit de leslokaaltjes te verwijderen. In de twintig jaren die volgden werden er revolutionaire theorieën ontwikkeld en verschenen er nieuwe verhandelingen met titels als Mediteren zonder kat of Een evenwichtig zen­universum door de kracht van de geest en zonder de hulp van dieren.

Er ging een eeuw voorbij waarin de kat volledig uit de meditatierituelen van die streek verdween. Maar het duurde twee hele eeuwen voordat alles weer normaal was en niemand zich nog afvroeg waar de kat was wanneer hij met zijn meditatie begon.

Bron: Als een rivier - Paulo Coelho

 

De drie zeven.

Socrates, de Griekse wijsgeer, liep eens door de straten van Athene. Plotseling komt een man opgewonden naar hem toe.
"Socrates! Ik moet je iets vertellen over je vriend die..."
"Ho eens even", onderbreekt Socrates hem. "Voordat je verder gaat. Heb je het verhaal dat je mij wilt vertellen gezeefd door de drie zeven?"
"De drie zeven? Welke drie zeven", vraagt de man verbaasd. "Laten we het proberen", stelt Socrates voor.
"De eerste zeef is de zeef van de waarheid. Heb je onderzocht of het waar is wat je mij vertellen wilt?" "Nee, ik hoorde het vertellen en..."
"Ah juist! Dan is het toch zeker wel door de tweede zeef gegaan? De zeef van het goede? Is het iets goeds wat je over mijn vriend wilt vertellen?" Aarzelend antwoordt de man: "Eh nee, dat niet. Integendeel..."
"Hm", zegt de wijsgeer. "Laten we dan de derde zeef gebruiken. Is het noodzakelijk om mij te vertellen wat jou zo opwindt?"
"Nee, niet direct noodzakelijk", antwoordde de man.
"Welnu", zegt Socrates glimlachend. "Als het verhaal dat je vertellen wilt, niet waar is, niet goed is en niet noodzakelijk is, vergeet het dan en belast mij er niet mee."

 

Twee wolven.

Een oude Cherokee indiaan geeft zijn kleinzoon onderricht over het leven. "Binnen in me is een gevecht gaande", zegt hij tegen de jongen.
"Het is een afschuwelijk gevecht tussen twee wolven. De ene wolf is slecht - hij bestaat uit woede, jaloezie, verdriet, spijt, hebzucht, verwaandheid, zelfmedelijden, schuldgevoelens, wrok, minderwaardigheid, leugens, valse trots, superioriteit en ego.

De andere wolf is goed - hij is vreugde, vrede, liefde, hoop, kalmte, nederigheid, vriendelijkheid, welwillendheid, medegevoel, vrijgevigheid, waarheid, compassie en geloof. Binnen in jou woedt dezelfde strijd - en datzelfde geldt voor ieder mens."

De kleinzoon denkt daar enkele ogenblikken over na en vraagt dan aan zijn grootvader: "Welke wolf zal het gevecht winnen?"

De oude Cherokee glimlacht en antwoordt eenvoudig: "Degene die ik voed."


 

De Slang.

Er was eens een heilige man die een dorp bezocht. De dorpelingen waarschuwden hem een bepaald pad niet in te slaan omdat daar een giftige slang huisde, die reeds vele mensen gedood had. "Hij zal mij niet deren”, sprak de heilige en hij vervolgde zijn weg. Zoals te verwachten viel, kwam de slang op hem af en hief al sissend de kop omhoog om aan te vallen; maar toen de slang de heilige man zag, legde hij zich nederig aan zijn voeten neer. De wijze leerde de slang de gedachte aan bijten en doden te laten varen.

Geheel in overeenstemming met de instructie die de slang had ontvangen van de wijze en nadat hij door middel van een heilige naam van God was ingewijd in geestelijk leven, kroop de slang weer terug in zijn hol, en de heilige vervolgde zijn weg.

Weldra ontdekten de dorpsjongens dat de slang van aard veranderd was. Omdat zij wisten dat de slang nu niet meer gevaarlijk was, sloegen zij hem met stokken telkens wanneer hij uit zijn hol te voorschijn kwam, maar de slang beet nooit terug. Na verloop van tijd werd de slang zo zwak vanwege de vele verwondingen die hij had opgelopen, dat hij zich ternauwernood kon voortbewegen. Heel zelden, en dan nog alleen maar ’s nachts, kwam hij uit zijn hol op zoek naar voedsel.

Toen de heilige de volgende keer weer langs het dorp kwam, werd hem gezegd dat de slang dood was. Maar de wijze antwoordde dat dit onmogelijk was. "Hij kan niet doodgaan voordat hij de vrucht van het heilige woord waarmee hij is ingewijd, ontvangen heeft.” Daarop ging de heilige naar het hol van de slang en riep hem naar buiten. Bij het horen van de stem van zijn leermeester, kroop de slang, verminkt en verschrikkelijk vermagerd, omdat hij niet meer voldoende voedsel kreeg, naar buiten.

De heilige vroeg hem naar de reden van zijn erbarmelijke toestand.

"Eerwaarde heer”, antwoordde de slang, "Gij hebt mij opgedragen om geen schepsel meer te kwetsen. Ik heb geleefd van bladeren en vruchten. Dat is wellicht de reden waarom ik zo mager ben.” De slang had inmiddels de deugd van vergevensgezindheid verworven en was vergeten dat de dorpsjongens hem bijna hadden doodgeslagen. De wijze antwoordde echter dat voedselgebrek niet de oorzaak van zijn conditie kon zijn, en vroeg de slang nog eens goed na te denken.

Toen herinnerde de slang zich dat de dorpsjongens hem geslagen hadden en dat hij hen niet had willen bijten, zodat hij hen stil had laten begaan en hun stokslagen lijdzaam onderging. De slang verwachtte woorden van lof vanwege zijn lijdzaamheid.

Maar tot zijn grote verwondering werd de heilige heel boos: "Ge zijt een dwaas!” zo riep hij uit. "Ik zei u niet te bijten. Maar heb ik u ook opgedragen niet te sissen?”

Bron: de bergreden in het licht van de vedanta-leer


 



Een oud boeddhistisch verhaal

De enige zoon van een moeder stierf. In haar verdriet en wanhoop zocht ze de Boeddha op, om te vragen of hij misschien haar zoon weer tot leven kon brengen. De Boeddha ging niet in op haar verzoek, maar zei: "Brengt u mij een mosterdzaadje uit een huis dat nooit verdriet heeft gekend. Dat kunnen we gebruiken om het verdriet uit uw leven te verdrijven."

De vrouw ging direct op pad om zo'n magisch zaadje te ontdekken. Maar welk huis ze ook binnen ging om haar vraag te stellen, steeds opnieuw bleek dat ieder huis wel zijn eigen verdriet kende of had gekend. De verhalen van de inwoners, of het nu vorsten waren of bedelaars, raakten de vrouw zodanig in haar hart dat ze een tijdje bleef om hen te troosten. Ze dacht bij zichzelf: "Wie is beter in staat om deze arme, ongelukkige mensen te helpen dan ik, die zelf ongelukkig ben?"

Ongemerkt begon ze in de loop der tijd door deze betrokkenheid bij anderen haar eigen verdriet te vergeten. Ze vergat het magische mosterdzaadje, zonder te beseffen dat dit inderdaad het verdriet uit haar leven verdreven had.


 
 
 

De Goddelijkheid van de mens


Er was eens een tijd heel lang geleden,
dat alle mensen Goden waren.
Ze beschikten allen over een geweldige macht,
maar zij maakten daar misbruik van.
Brahma, de God der goden, besloot daar iets aan te doen.
Hij wilde de goddelijkheid van de mens verbergen.
Hij riep alle mindere Goden bijeen en vroeg hen
waar hij het beste met die grootheid kon blijven.

Een van de Goden zei:
"Laat ons die grootheid maar begraven in het diepst van de aarde."
Waarop de Brahma antwoordde:
"Nee, want eens komt de dag dat de mens
zo diep zal graven dat hij zijn grootheid terug zal vinden.

Een andere God zei toen:
"Gooi het in het diepst van de oceaan."
Maar opnieuw antwoordde Brahma:
"Nee, want eens komt de dag dat de mens
het diepst van de oceaan zal ontdekken."

Een derde zei:
"Verstop het op de allerhoogste berg."
Maar ook hierop antwoordde Brahma:
"Nee, want eens komt de dag dat de mens die bergtop zal beklimmen."
Ten einde raad gaven de mindere goden het op.

Toen zei Brahma de God der goden:
"Op aarde is maar één plaats,
waar de grote goddelijkheid van de mens
afdoende kan worden opgeborgen.
Een plaats waar hij zeker nooit zal zoeken.
En dat is: In het diepst van hemzelf."

En sindsdien heeft de mens gegraven, gedoken en geklommen
op zoek naar datgene wat diep in hemzelf verborgen ligt….

Een Hindoe legende.

 

Luisteren

Als ik je vraag naar mij te luisteren en jij begint mij adviezen te geven, dan doe je niet wat ik vraag.
Als ik je vraag naar mij te luisteren en jij begint mij te vertellen, waarom ik iets niet zo moet voelen als ik voel, dan neem jij mijn gevoelens niet serieus.
Als ik je vraag naar mij te luisteren en jij denkt dat jij iets moet doen om mijn probleem op te lossen, dan laat je mij in de steek, hoe vreemd dat ook mag lijken.

Dus alsjeblieft, luister alleen maar naar me en probeer me te begrijpen. En als je wilt praten, wacht dan even en ik beloof je, dat ik op mijn beurt naar jou zal luisteren.

Bron: Happinez / Leo Buscaglia

 

De halsketting

Op de bodem van een kristalhelder meer lag een prachtige halsketting.
Iedereen kon haar zien en velen doken het water in om de ketting te pakken te krijgen.
Maar het lukte niemand. Zo gauw iemand de bodem bereikte was de ketting verdwenen. En toch was het sieraad vanaf de oever van het meer heel duidelijk te zien.

Op een dag kwam de meester langs en men vroeg hem om raad.
Hij keek het water in en zei: "De ketting ligt niet op de bodem van het meer; wat jullie zien is alleen maar een weerspiegeling ervan."

De mensen schudden hun hoofden en keken de meester twijfelend aan.
Maar deze wees met zijn arm naar een boom die op de rand van het meer stond, met zijn takken boven het water. Aan één van de takken hing de schitterende ketting.
Een vogel had haar gevonden en hier laten hangen. Niemand had haar gezien, niemand had ooit naar boven gekeken

En de meester zei: "Omdat jullie je blik niet verheffen zien jullie alleen de weerspiegeling. De werkelijkheid is heel dichtbij, je kunt haar zo grijpen; laat je niet misleiden door haar weerspiegelingen in de materie, die zijn maar schijn.
Open je ogen en wordt wakker.”

uit: 'Taal van de stilte'

 



De droom van de koning

De koning droomde dat hij al zijn tanden en kiezen had verloren. Meteen de volgende ochtend vroeg hij een droomuitlegger naar de betekenis van de droom.
"Ach, wat een ongeluk, heer!" riep de droomuitlegger. "Elke verloren tand betekent de dood van één van uw familieleden!"

"Wat!", riep de koning, rood van woede. "En dat durft jij tegen mij te zeggen! Maak dat je wegkomt!"

En de koning gaf het bevel de droomuitlegger vijftig stokslagen te geven.
Terwijl de arme man zijn straf onderging werd een andere droomuitlegger voor de koning geleid, die intussen omgeven was door zijn gehele hofhouding.

Nadat de tweede droomuitlegger de droom had gehoord hief hij als in vervoering zijn handen ten hemel en verkondigde: "0, welk een geluk, mijn koning! U bent voorwaar gezegend! U zult al uw verwanten overleven!”

Het gezicht van de koning klaarde onmiddellijk op en vriendelijk zei hij:
"Ik dank je, mijn vriend voor deze heldere uitleg. Ga dadelijk naar mijn schatbewaarder en laat je vijftig goudstukken geven. Je hebt ze verdiend.

Toen de droomuitlegger het paleis verliet, fluisterde een hovelingen hem in het oor:
"Zeg, je hebt tegen de koning toch eigenlijk niets anders gezegd dan de eerste droomuitlegger?"
Met een glimlach antwoordde de slimme man: "Zo zie je, je kunt alles zeggen, het hangt er alleen van af hoe je het zegt!"

Bron : Er was eens... van Ramesh Balsekar.

 

De wandeling.

Lao Tse maakte elke ochtend een wandeling in de pure stilte die het begin van de dag heeft. En hij wilde nooit gezelschap hebben, want hij wist dat mensen niet stil kunnen zijn en dat zou zijn wandeling en de beleving van de stilte verstoren.
Maar de buurman van Lao Tse waagde het toch een keer om een verzoek aan hem te doen voor een vriend van hem. Hij zei: "Laat hem eens met u meegaan tijdens uw ochtendwandeling. Het lijkt hem zo'n heerlijke belevenis. En hij heeft beloofd om absoluut stil te zijn.

Lao Tse stemde voor deze ene keer toe. Dus de vriend ging mee op weg.

Ze wandelden naast elkaar voort zonder ook maar één woord te spreken.
En ze drongen dieper in de bossen door.

Toen kwamen ze bij een meer dat omringd werd door hoge bomen, die zich in het water weerspiegelden. Door de bomen heen scheen het zonlicht en dat viel in patronen op het water. Het was een schitterend gezicht. De mond van de vriend viel open en hij riep ontroerd: "Oh, wat mooi!" Toen sloeg hij zijn hand voor zijn mond omdat hem te binnen schoot wat hij beloofd had. Hij zou immers geen woord zeggen!
Lao Tse reageerde niet en ze keerden zwijgend terug naar huis.
Thuisgekomen zei Lao Tse tegen zijn buurman: "Dit was eens maar nooit weer! Vraag me niet nog eens om je vriend mee te nemen tijdens mijn wandeling. Hij praat teveel!"

Bron: www.zinnigeverhalen.nl

 

De man op de heuvel.

 
Er was eens een man die boven op een hoge heuvel stond. Drie reizigers die in de verte voorbij kwamen, merkten hem op en begonnen over hem te argumenteren.
De ene zei: "Hij is vast zijn hond kwijtgeraakt.”
Een ander zei: "Nee, hij zoekt waarschijnlijk zijn vriend.”
De derde zei: "Ik denk dat hij alleen daarboven is om van de frisse lucht te genieten.”
De drie reizigers konden het niet eens worden en het argumenteren ging door tot het moment dat ze de top van de heuvel hadden bereikt.

Toen vroeg de ene: "Meneer kan ik u misschien helpen, bent u uw hond kwijtgeraakt?”
"Nee dank u, ik ben mijn hond niet kwijt.”
De ander vroeg: "Bent u dan soms uw vriend aan het zoeken?”
"Nee meneer, ik ben ook mijn vriend niet aan het zoeken.”
Tenslotte vroeg de derde reiziger: "Bent u hier om van de frisse lucht te genieten?”
"Nee, meneer.”
"Maar…, wat doet u hier dan, ” vroegen de drie reizigers bijna tegelijk.
De man op de heuvel antwoordde: "Ik sta hier gewoon.”

Verhaal uit: Het geluk van TAO
Bron: www.zinnigeverhalen.nl


 

Hemel en Hel

Er bestaat een verhaal,  een verhaal over de hemel en de hel, dat vroeger door ouders aan hun kinde­ren verteld werd, tegenwoordig is het vergeten. Een man, zijn paard en zijn hond lopen over een weg. Wanneer ze vlak bij een enorme boom zijn, slaat de bliksem in en ze zijn op slag dood. Maar de man heeft niet in de gaten dat ze de wereld al verlaten hebben en trekt gewoon verder met zijn twee dieren. Soms duurt het even voor de doden zich van hun nieuwe situatie be­wust zijn...'

'De tocht duurt en duurt, het gaat bergop en de zon brandt, ze zijn drijfnat van het zweet en vergaan van de dorst. Als de weg een bocht maakt, zien ze een prachtige poort, helemaal van marmer. Ze geeft toegang tot een plein dat met gouden stenen geplaveid is. In het midden staat een fontein waar kris­talhelder water uit spuit. De man richt zich tot de wachter bij de ingang.

"Goeie morgen."
"Goeie morgen," antwoordt de poortwachter.
"Mooi is het hier, maar hoe heet het hier?"
"Dit is de hemel."
"Komt dat goed uit dat we bij de hemel zijn, we vergaan van de dorst."
"U kunt naar binnen gaan en water drinken zoveel u belieft, meneer. "
En de wachter wijst naar de fontein.
"Mijn paard en mijn hond hebben ook dorst."
"Het spijt me zeer," zegt de wachter, "maar dieren mogen hier niet naar binnen."

De man is zeer teleurgesteld want hij heeft erge dorst, maar als enige drinken doet hij niet; hij bedankt de wachter en gaat verder
Na nog een lange weg, steeds bergop, komen ze uitge­put aan bij een oud poortje waarachter een zanderig laantje be­gint. In de schaduw van een boom ligt een man met zijn hoed over zijn gezicht geschoven, mogelijk in slaap.

"Goeie morgen," zegt de reiziger. De man onder de boom knikt.
"Mijn paard, mijn hond en ik vergaan van de dorst." "Tussen die stenen daar is een bron," zegt de man, terwijl hij naar de plek wijst. "Drink zoveel als jullie willen."
Man, paard en hond gaan naar de bron en lessen hun dorst.
De reiziger gaat terug om te bedanken.
"Kom terug wanneer je maar wilt," antwoordt de man.
"Wat ik wilde vragen, hoe heet het hier?"
"Hemel. "
"Hemel? Maar de wachter bij de grote marmeren poort zei dat daar de hemel was!"
"Dat is niet de hemel daar, dat is de hel"

De reiziger is stomverbaasd: "Jullie moeten hen verbieden jullie naam te gebruiken! Ze misleiden de mensen, dat zal toch wel de nodige verwarring veroorzaken?"
"Integendeel, ze bewijzen ons feitelijk een grote dienst. Want al degenen die er geen been in zien om hun beste vrienden in de steek te laten, blijven daar achter...”

Bron: De Duivel en het meisje – Paulo Coelho

 

Legende van de kleuren.
Wijsheid van de Sioux, de Mohawk en de Lakota



De kleuren van de wereld waren eens aan het discussiëren. Zij stelden allemaal dat zij de beste waren, de meest belangrijke, de meest nuttige en de favoriet.

GROEN zei:
"Het is duidelijk dat ik de meest belangrijke ben. Ik sta gelijk aan het leven en de hoop. Ik ben gekozen voor het gras, de bomen en de bladeren. Zonder mij zouden alle dieren dood gaan. Kijk maar op het platteland en je zal zien dat ik in de meerderheid ben."

BLAUW onderbrak:
"Jij denkt alleen maar aan de aarde, maar denk eens aan de lucht en de zee. Het is het water dat de basis is van het leven en de wolken die voortkomen uit de diepe zee. De lucht geeft ruimte en vrede en serenity. Zonder vrede, zijn jullie niets."

GEEL mompelde:
"Jullie zijn allemaal zo serieus. Ik breng glimlachen, vrolijkheid en warmte in de wereld. De zon is geel, de maan is geel, de sterren zijn geel. Elke keer als je naar een zonnebloem kijkt, begint de hele wereld te glimlachen. Zonder mij zou er geen lol aan zijn."

ORANJE begon toen haar uiteenzetting:
"Ik ben de kleur van gezondheid en kracht. Ik mag dan schaars zijn, maar ik ben wel Precious omdat ik voorzie in de benodigdheden van de mensheid. Ik draag de meest belangrijke vitamine. Denk aan wortels, pompoenen, sinaasappels en mango's.
Ik hang er niet altijd maar, als ik de hemel vul tijdens de zonsopkomst op zonsondergang, dan is mijn schoonheid zo schitterend dat niemand meer aan andere kleuren denkt."

ROOD hield het niet langer uit en hij schreeuwde:
"Ik ben de heerser van jullie allemaal - ik ben bloed - levensbloed! Ik ben de kleur van het gevaar en/of heldendom. Ik ben bereid te vechten voor een doel. Ik breng vuur in het bloed. Zonder mij zou de aarde zo leeg zijn als de maan. Ik ben de kleur van passie en van liefde, de rode roos, de kerstroos en de klaproos."

PAARS rekte zich uit tot zijn volle lengte. Hij was erg groot en sprak met veel pracht:
"Ik ben de kleur van koninklijk en macht. Koningen, chiefs en bisschoppen hebben altijd mij gekozen omdat ik sta voor autoriteit en wijsheid. Mensen twijfelen niet aan mij - zij luisteren en gehoorzamen."

INDIGO sprak tenslotte; veel rustiger dan alle anderen, maar met net zoveel vastberadenheid:
"Denk aan mij. Ik ben de kleur van de stilte. Ik val haast niet op, maar zonder mij zouden allemaal superficial zijn. Ik sta voor gedachte en reflectie, twilight en diep water. Je hebt mij nodig voor balans en contrast, voor gebeden en innerlijke rust."

De kleuren gingen maar door, elk overtuigd van zijn of haar superioriteit. Hun discussie werd steeds heftiger en heftiger.
Plotseling kwam er een enorm heldere bliksemschicht en de donder rolde en bulderde. Er volgde een enorme stortbui. De kleuren krompen ineen uit angst en zochten veiligheid dicht bij elkaar.

Midden in dit geweld begon de regen te spreken: "Jullie, domme kleuren, vechtend onderling, elk proberend te domineren over de anderen. Weet je dan niet dat jullie stuk voor stuk gemaakt zijn voor een speciale reden, uniek en verschillend? Sla de handen ineen en kom naar mij toe."

Zij deden wat ze gevraagd werden en de kleuren kwamen bijeen en sloegen de handen ineen.

De regen ging door: "Vanaf nu, elke keer als het regent, zal elk van jullie zich uitstrekken naar de hemel in een grote boog van kleuren als een herinnering aan het feit dat je kan samenleven in vrede. De regenboog is een teken van hoop voor morgen."
En zo, iedere keer als er een flinke regenbui de wereld schoon wast en een regenboog in de lucht verschijnt, denk er dan aan dat je elkaar waardeert.

 
 
 
De Waarheid
 

Er was eens, zo gaat het verhaal, lang, heel lang geleden, in een land heel ver van hier, een oude wijze meester. Zijn leven was zeer gevuld, ondanks zijn eerbiedwaardige leeftijd. Want elke dag stond hij ten dienste van al wie hem nodig had. Hij gaf raad, heelde en velde een oordeel als een rechtvaardige rechter in kleine onderlinge geschillen, telkens als de dorpelingen uit de wijde omgeving hem daarom verzochten.

Zijn avonden waren volledig gewijd aan zelfstudie en meditatie.

Maar het mooiste moment van de dag was voor hem, die in alle nederigheid en eenvoud zijn taak vervulde, toch altijd weer de morgen. Want bij het rijzen van de zon wekte hij, volgens een bepaald ritueel, zijn zeven favoriete leerlingen, die in de omstaande hutten verbleven.

Ze wasten zich en genoten van een kop boterthee, vrijwel hun enige luxe. Daarna trokken ze dan samen de bergen in. En al wandelend onderwees de meester hen en wijdde hen in in de geheime natuurwetten en de kosmische patronen. Hij probeerde hen inzicht te geven in zichzelf en in hun medemens. Op die manier bereidde hij hen langzaamaan voor op het onvermijdelijke ogenblik waarop zij de taak van hem zouden moeten overnemen.

En op één van die tochten vroeg iemand van de leerlingen hem: 'Meester, wat is de waarheid? Leer ons de waarheid kennen.'

En de meester antwoordde met een wedervraag... Hij schaarde hen alle zeven rondom een mooie bloemenstruik. Hij wees hen op een grote dauwdruppel die schitterde in de vroege zon, en vroeg: 'Zeg me allen naar waarheid: welk is de kleur van deze waterdruppel?'

Even stilte. Dan klonk het door elkaar heen... 'Rood,' zei de één. 'Oranje', zei een tweede. 'Nee, geel!' riep een derde haast boos. 'Groen, meester,' zei een vierde verbaasd. 'Blauw! Paars! Violet!'... En ze kregen voor het eerst in die lange tijd dat ze samen waren, écht ruzie met elkaar. Overtuigd als ze waren, elk van het eigen gelijk.

De meester glimlachte een beetje triest. 'Kijk' zei hij, 'dat gebeurt er nu altijd met de waarheid... Jullie hebben allemaal de waarheid gesproken, elk vanuit zijn eigen ervaring, vanuit zijn eigen gezichtsveld. Alleen vergeet je daarbij dat, van welke hoek je het ook bekijkt, je altijd slechts een deel van de waarheid kunt zien. Daarom kun je pas een idee van de grote universele waarheid krijgen wanneer je bereid bent te luisteren naar de visie van anderen en tegelijk jouw eigen stukje informatie bij die andere te voegen. Alleen dan wordt de waarheid "de Waarheid": evenwichtig en totaal.
 
uit: 'Een cirkel van liefde' - Rosa Wouters
 



Aan het Volk van de Aarde.


Er zijn geen problemen op Aarde
De Aarde is schoon, in vreugde, kosmisch, eeuwig.
De Wereld is het ongelukkige bouwwerk dat de mens met geweld op Aarde heeft gezet.
De Wereld bestaat uit de problemen van de mens.

Zowel Aarde als Wereld bevinden zich in jou. Wat je om je heen ziet en wat er met je gebeurt, is zuiver de weerspiegeling van dat wat er in je is. Zie je en voel je schoonheid in je leven, dan is dat de Aarde, het leven in je dat je waarneemt. Zie je de problemen en voel je onvrede in je leven, dan kijk je naar de Wereld.
Om de onsterfelijkheid te bereiken van het leven op Aarde in je, moet je je gehechtheid aan de Wereld oplossen. Die hechting is duivels subtiel. Alle mentale of emotionele pijn die je ooit in je voelt, is die hechting.

Dit moet je zien zonder het te vergoelijken of uitzonderingen en excuses te verzinnen, wat de Wereld in jou zal proberen. Je moet de pijn in jezelf, de Wereld in jezelf onder ogen zien zonder je eruit te praten. Er bestaat geen rechtvaardiging voor ongelukkig zijn, geen enkele. Om alle grond voor twijfel of mogelijkheden tot interpretaties in je weg te nemen, zal ik deze fundamentele waarheid herhalen: alle mentale of emotionele pijn die je ooit in je leven voelt, wat de oorzaak er ook van moge zijn, is te wijten aan de Wereld in je. Je hebt de Aarde verlaten en concentreert je op de Wereld.

Je moet door jezelf heen kijken en inzien dat je pijn of verwarring je liefde voor de Wereld is. Je moet door de Wereld heen kijken en hem zien voor wat hij is, inzien wat hij je heeft aangedaan en wat hij met je doet. Hoe groter je liefde voor de Wereld, des te meer zal die Wereld een probleem voor je zijn;

Stil en moedig moet je afdalen naar de bodem van de Wereld in je. En dan moet je door die bodem heen. Dat is de hel, een tijd lang. Maar het is jouw hel, niet die van een ander; de hel die je zo graag voor jezelf gemaakt hebt op Aarde door te geloven in de Wereld en jezelf te hechten aan de waarden en wegen van de Wereld en de dingen en personen erin. Dingen en personen die je trouwens allemaal eens zullen verlaten of ontglippen. Alles wat je lief hebt in de Wereld, zal je pijn doen; die pijn is de hel waar je doorheen moet: ofwel nu, ofwel in het proces van je lichamelijke dood.

Ga op de verkeerde manier door de hel en je draait rond in kringetjes, je maakt meer problemen, meer Wereld zonder einde, meer hel voor jezelf. Ga op de rechte weg door de hel en je wordt verenigd met de onveranderlijke schoonheid en vreugde van de Aarde in jezelf als jezelf. En al je Wereldse angsten en vrezen ten spijt verlies je niets. Want alleen de angst sterft

Uit: Sterven om te leven" (Barry Long)



De drie Poorten van de Wijsheid
Charles Brulhart, januari 2004


 
Een koning had als enig kind een jonge, dappere, edelmoedige en intelligente zoon.
Om de vorming van de Prins met betrekking tot het Leven te vervolmaken, stuurde de koning hem naar een Oude Wijze.

‘’Verlicht en verklaar mij de Weg van het Leven’’, verzocht de Prins.
‘’Mijn woorden zullen vervagen, zoals de sporen van je voetstappen in het  zand’’, antwoordde de Wijze.
‘’Toch wil ik je wel enkele aanwijzingen geven. Op je weg zul je drie poorten tegenkomen. Lees het voorschrift dat boven elke poort staat geschreven.   Een onweerstaanbare drang zal ervoor zorgen dat je ze zult opvolgen.  Tracht niet om je ervan af te wenden, want dan je zou veroordeeld worden om onophoudelijk dat te herbeleven wat je zou hebben proberen te  ontvluchten.

Meer kan ik je er niet over zeggen.  Je moet dat allemaal in je vlees en je bloed ondervinden. Ga nu. Volg die weg, recht voor je.’’

De Oude Wijze verdween en de Prins sloeg de Weg van het Leven in. Al spoedig bevond hij zich voor een grote poort, waarop men kon lezen:  ‘’Verander de Wereld.’’
‘’Dat was nou net wat ik van plan was’’, dacht de Prins, ‘’want sommige dingen bevallen me in deze wereld, maar andere staan me niet aan.’’

En hij begon aan zijn eerste strijd. Zijn idealisme, zijn vuur en zijn kracht dreven hem ertoe zich tegenover de wereld te stellen, te ondernemen, te veroveren, de werkelijkheid te kneden naar zijn wensen. Hij vond er het plezier en de dronkenschap van de overwinnaar, maar geen zielsrust. Hij slaagde erin om sommige dingen te veranderen, maar veel andere dingen boden hem weerstand.

Heel wat jaren gingen voorbij.

Op een dag kwam hij de Oude Wijze tegen die hem vroeg: ‘’Wat heb je geleerd op je weg?’’
‘’Ik heb geleerd,’’ antwoordde de Prins, ‘’om te onderscheiden wat er in mijn macht ligt en wat er buiten mijn bereik  ligt, wat er van mijzelf afhangt en wat er niet van mij afhangt.’’

‘’Dat is wel gezegd’’, zei de Oude Man.‘’Gebruik je krachten voor dingen die binnen je bereik liggen. Houd je niet  hardnekkig vast aan dingen waar je geen vat op hebt.’’ En hij verdween.

Kort daarna kwam de Prins voor een tweede Poort aan. Daarop kon men lezen : ‘’Verander de Anderen’’

‘’Dat was nou net wat ik van plan was’’, dacht de Prins. ‘’De anderen kunnen een bron van vreugde, plezier en genoegen zijn, maar ook van pijn, verbittering en frustratie.’’

En hij verzette zich tegen alles wat hem kon storen of ergeren van zijns gelijken. Hij trachtte hun karakter om te buigen en hun gebreken uit te roeien. Dat was zijn tweede strijd.

Heel wat jaren gingen voorbij.  

Op een dag, terwijl hij aan het peinzen was over de nutteloosheid van zijn pogingen om de anderen te willen veranderen, kruiste zijn pad weer dat van de Oude Wijze, die hem vroeg: ‘’Wat heb je geleerd op je weg?’’

‘’Ik heb geleerd,’’ antwoordde de Prins, ‘’dat de handelingen van de anderen niet de oorzaak zijn van mijn vreugde en  mijn verdriet, van mijn voldoening en mijn teleurstellingen. Zij zijn slechts  de aanleiding ertoe of de onthullers ervan. Al die dingen wortelen in   mijzelf.’’

‘’Je hebt gelijk,’’ zei de Wijze.‘‘Wat in jou ontwaakt als je bij anderen bent, dat onthult iets over jezelf.  Wees erkentelijk tegenover hen in wiens gezelschap je jezelf voelt trillen  van vreugde of plezier.  Wees het ook terwijl in hun aanwezigheid frustratie   of lijden opduikt, want daar doorheen toont het Leven je waar je staat en  de weg die je nog af te leggen hebt.’’

En de Oude Man verdween. Kort daarna, kwam de Prins voor een Poort aan waarop deze woorden afgebeeld stonden: ‘’Verander Jezelf’’

‘’Als ik zélf de bron van mijn problemen ben, dan is dat precies wat me overblijft om te doen,’’ zei hij tegen zichzelf. En hij ondernam zijn derde strijd. Hij probeerde zijn karakter om te buigen, zijn onvolmaaktheden te bestrijden, zijn gebreken uit de weg te ruimen, kortom alles in hem te veranderen dat hem niet beviel of dat niet overeenkwam met zijn ideaalbeeld

Na heel wat jaren van deze strijd waarin hij enkele successen kende maar ook talrijke teleurstellingen, ontmoette de Prins de Wijze die hem vroeg: ‘’Wat heb je geleerd op je weg?’’

‘’Ik heb geleerd,’’ antwoordde de Prins, ‘’dat er in ons dingen zijn die je kunt verbeteren en andere die ons weerstaan   en waarvan het je niet lukt om ze teniet te doen.’’

‘’Dat is wel gezegd,’’ zei de Wijze

‘’Ja,’’ vervolgde de Prins, ‘’maar ik begin moe te worden om te strijden, tegen alles, tegen allen, tegen mezelf. Houdt dat dan nooit op? Wanneer zal ik eens rust vinden? Ik heb  behoefte om de strijd te staken, om op te geven, om los te laten.

‘’Dat is precies je volgende leerproces,’’ zei de Oude Wijze. ‘’Maar keer je om voordat je verder gaat, en beschouw de afgelegde weg.’’

En hij verdween.

Terwijl de Prins naar achteren keek, zag hij in de verte de derde poort en werd hij gewaar dat er op de achterkant een inscriptie stond die zei : ‘’Accepteer Jezelf’’

De Prins verbaasde zich dat hij die inscriptie helemaal niet gezien had, terwijl hij de poort de eerste keer doorging, in de tegengestelde richting.

‘’Als men strijdt, wordt men blind,’’ zei hij tegen zichzelf

Hij zag ook, op de grond, verspreid om hem heen, alles wat hij in zichzelf verworpen en bestreden had: zijn gebreken, zijn schaduwen, zijn angsten, zijn beperkingen, al zijn oude demonen. Hij leerde toen om ze te erkennen, om ze te accepteren, om van ze te houden. Hij leerde om van zichzelf te houden zonder zichzelf te vergelijken, te veroordelen, af te keuren.

Hij ontmoette de Oude Wijze die hem vroeg: ‘’Wat heb je geleerd op je weg?’’

‘’Ik heb geleerd,’’ antwoordde de Prins, ‘’dat wanneer ik een hekel heb aan een deel van mezelf of wanneer ik een deel van mezelf afwijs, dat ik mezelf er dan toe veroordeel om nooit in harmonie met mezelf te komen. Ik heb geleerd om mezelf volledig en  onvoorwaardelijk te accepteren.’’

‘’Dat is goed,’’ zei de Oude Man,‘’dat is de eerste Wijsheid. Nu kun je de derde poort weer doorgaan.‘’

Nauwelijks was hij aan de andere kant aangekomen, of hij zag in de verte de achterkant van de tweede poort en hij las daarop:

‘’Accepteer de Anderen’’

Rondom hem heen herkende hij de personen die met wie hij in zijn leven om was gegaan. Degenen waar hij van had gehouden en degenen waar hij een hekel aan had gehad. Degenen die hij gesteund had en degenen die hij bestreden had.

Maar tot zijn grote verrassing was hij nu niet meer in staat om hun onvolkomenheden te zien, hun gebreken, die hem vroeger zo geërgerd hadden en waartegen hij gevochten had.

Toen kwam hij de Oude Wijze tegen.‘’Wat heb je geleerd op je weg?’’ vroeg deze laatste.

‘’Ik heb geleerd,’’ antwoordde de Prins, ‘’dat ik, toen ik in harmonie met mezelf was, de anderen niks meer te  verwijten had, dat ik niks meer van ze te vrezen had. Ik heb geleerd om de anderen volledig en onvoorwaardelijk te accepteren en volledig en  onvoorwaardelijk van ze te houden.’’

‘’Dat is wel gezegd,’’ zei de Oude Wijze,‘’dat is de tweede Wijsheid. Nu kun je de tweede poort weer doorgaan.‘’

Toen hij aan de andere kant was aangekomen, zag de Prins de achterkant van de eerste poort en hij las daarop: ‘’Accepteer de Wereld’’

‘’Vreemd,’’ zei hij bij zichzelf, ‘’dat ik die inscriptie de eerste keer niet gezien heb. Hij keek om zich heen en herkende die wereld die hij getracht had te veroveren, om te vormen, te veranderen. Hij werd getroffen door de pracht en de schoonheid van elk ding. Door hun Perfectie. Toch was het dezelfde wereld als vroeger. Was het de wereld die veranderd was of zijn blik?

Hij kwam de Oude Wijze tegen die hem vroeg: ‘’Wat heb je geleerd op je weg?’’

‘’Ik heb geleerd,’’ zei de Prins, ‘’dat de wereld de spiegel is van mijn ziel. Dat mijn ziel de wereld niet ziet,  zij ziet zichzelf in de wereld. Wanneer ze opgewekt is, lijkt de wereld haar vrolijk. Wanneer ze bedrukt is, lijkt de wereld haar triest. De wereld zelf is noch triest noch vrolijk. Hij is er gewoon, hij bestaat, dat is alles. Het was  niet de wereld die me dwarszat, maar de opvatting die ik erover had. Ik heb geleerd om hem te accepteren zonder hem te veroordelen, totaal en onvoorwaardelijk.

‘’Dat is de derde Wijsheid,’’ zei de Oude Man.‘’Daar sta je dan nu, in harmonie met jezelf, met de anderen en met de wereld.’’

Een diep gevoel van vrede, van rust, van volledigheid kwam over de Prins. De stilte vervulde hem.

‘’Je bent nu klaar om de laatste drempel over te gaan,’’ zei de Oude Wijze, ‘’de drempel van de Stilte van de Volledigheid naar de Volledigheid van de Stilte.’’

En de oude man verdween.

U mag dit document vrijelijk gebruiken op voorwaarde dat u het niet wijzigt en mits u de bron vermeld: www.metafora.ch  - evenals de auteur: Charles Brulhart
 

 

Van het treurende oude vrouwtje

 
Er was eens een oud vrouwtje dat in een grote stad woonde en ’s avonds alleen in haar kamer zat. Dan dacht ze na over het verleden en haar gedachten waren bij haar man en haar beide kinderen, die de dood haar had ontnomen, of bij haar familieleden die alle waren gestorven, en bij het heengaan van haar laatste vriend, die ze op aarde had bezeten. Dan zat ze treurend terneer, omdat ze zo alleen en eenzaam was achtergebleven.

Bovenal treurde zij over het verlies van haar beide zoons. Telkens als zij aan hen dacht, werd zij door haar droefheid overweldigd; dan vloeiden haar tranen zonder ophouden, en in haar smart klaagde zij God aan en vroeg, waarom Hij de grootste vreugde uit haar leven had weggenomen.

Eens op een late avond, toen zij zich wederom aan haar smart had overgegeven, hoorde ze plotseling de kerkklok luiden. Daar zij dat heel ongewoon vond, stond zij op en verliet haar woning. Tegen middernacht bereikte zij de kerk. Daar gekomen stond zij als aan de grond genageld, want de kerk was geheel verlicht (hoewel er ditmaal geen enkele kaars was ontstoken). Voorts bevond zij, dat de kerk vol mensen was en alle plaatsen bezet waren.

Toen het vrouwtje bij de stoelenrij der weduwen kwam, waar zij zich gewoon was neder te zetten om de verkondiging van Gods woord aan te horen, bevond zij dat daar ook reeds alle plaatsen waren ingenomen, ja dat er zelfs veel meer vrouwen dan het gewone aantal waren gezeten.

En toen zij de mensen dáár en om zich heen aankeek, zag zij dat allen gestorven familieleden en vrienden van haar waren, die daar gezeten waren in hun ouder­wetse dracht, doch met fletse ogen en bleke aangezichten. Zij zwegen allen en geen hunner zong, maar daar ging een zacht gegons, als van duizenden bijen in de bijenkorf, door de kerk.

Toen ging een oude tante van het vrouwtje opstaan, liep naar haar toe en sprak tot haar:
"Kijk naar het altaar, daar zul je je beide zoons zien."
Het oude vrouwtje keek naar het altaar, en waarlijk, daar zag zij haar beide zoons, de een hing aan de galg, de ander was aan een rad vastgebonden. En de oude tante vervolgde:

"Zie je, dàt was er van hen geworden wanneer ze in het leven waren gebleven en God hen niet als onschuldige kinderen tot zich had genomen."

Het oude vrouwtje kwam met trillende leden thuis, maar toen ze op haar kamer was gekomen, dankte zij God op de knieën, dat Hij haar lot en dat der haren beter had bestierd dan zij in haar zwakheid en geringheid had kunnen begrijpen.

En drie dagen nadat zij de innerlijke vrede had gevonden en zich eens en voorgoed over haar verlies getroost wist, legde zij zich ter ruste en blies de laatste adem uit.

Bron: Friese volkssprookjes, verzameld door Jan Spies

 

De Goudklomp

Op een dag gingen vier monniken op zakenreis terwijl ze ter bescherming vuurwapens meenamen. Zij ontmoetten onderweg een Mahatma. Hij waarschuwde hen die weg niet te nemen, omdat er gevaar dreigde, maar de mannen luisterden niet naar de waarschuwing en zeiden dat zij goed uitgerust waren om elk gevaar te trotseren. Toen zij verder gingen, zagen zij op de grond een goudklomp liggen. Verheugd over hun vondst verpakten zij de klomp in een stuk doek met het idee hem later onderling te verdelen.

Toen de nacht viel gingen twee van hen naar een naburig dorp om wat voedsel te halen en de andere twee bleven achter. Toen zij weg waren, kwamen de achterblijvers in de verleiding de klomp goud zelf te houden en zij beraamden het plan de andere twee, wanneer deze terugkwamen, dood te schieten.

Zij die naar het dorp waren gegaan, nuttigden een stevige maaltijd. Terwijl ze met het eten voor de andere twee terugkeerden, bezweken ook zij voor de verleiding de klomp voor zichzelf te behouden en zij smeedden het plan hun metgezellen uit de weg te ruimen. Zo mengden zij vergif in het voedsel dat zij voor hen meebrachten.

Toen zij met het voedsel terugkwamen, schoten de andere twee hen dood. Maar ze hadden honger. Dus begonnen zij onmiddellijk het voedsel dat voor hen meegebracht was, te verorberen. Ze vielen in slaap en werden nooit meer wakker.

De volgende morgen kwam dezelfde Mahatma voorbij op weg naar de rivier voor zijn dagelijkse bad. Hij trof de vier lijken aan, zag ook de goudklomp bij hen liggen en wierp deze, om niet nog meer onheil te veroorzaken, vér in de rivier. .

Uit: Goed Gezelschap, Sri Shantananda Sarasvati    www.arsfloreat.nl

 

HET C.D.R.


De regenwormen hadden een congres bijeengeroepen. Het was een modern congres. Daarom heette het niet: het congres der regenwormen, maar het C.D.R.

Het C.D.R.vergaderde in de tuin op een zeer stoffige plek. Er werden slechts vragen van bodemcultuur behandeld. Verder reikt de horizon der regenwormen niet. Zij kruipen op de aarde en eten aarde. Het zijn arme bescheiden lieden, maar zij zijn nuttig en nodig. De aarde zou zonder hen niet gedijen. Hun werk moet gedaan worden.

Het was avond. Schemering hing over de wegen, waarop het C.D.R. bijeen gekropen was.

Een lange oude regenworm had zich met het voorzitter­schap belast. Hij besprak vraagstukken van plaatselijke aard, de bodemverhoudingen van de tuin, waarin men werkte. De resultaten waren verblijdend.

"Wij zijn al zeer diep in de aarde binnengedrongen," zei de voorzitter van het C.D.R. "Wij hebben vele aardlagen aan de oppervlakte gebracht, waar niemand vroeger iets van wist. Wij hebben ze ontleed en verbrokkeld. Maar de aarde schijnt nog meer te bevatten, dan wij omhooggewerkt hebben. Wij moeten vlijtig overal verder rondkruipen en aarde eten.

Het is een grootse taak. Hiermede sluit ik het C.D.R."
Hij kronkelde zich minzaam.

Het officiële gedeelte van het C.D.R.was afgelopen. Men vormde ongedwongen groepjes met buren en vrienden en sprak over de praktijk van de vorming der geledingen.
Allen wensten lang te worden. Daarin zag men de vooruit­gang. Nieuwe methoden hiervoor waren steeds van belang.

"De allernieuwste methode om lang te worden," zei een jonge regenworm, "is: kronkel je om een strohalm. Dat versterkt de spieren en rekt de ledematen. Ziet ge. . . zo!"

Hij greep een strohalm en demonstreerde energiek en met overtuiging de nieuwe methode. Daarbij stootte hij tegen iets. Hij voelde, dat het ruw en harig was

"Komaan, wat is dat nu? Dat heeft haar en beweegt zich!" Hij kronkelde zich angstig los van de strohalm.

"Neemt u mij niet kwalijk, ik was zo moe. Toen ben ik op de strohalm gaan zitten," zei het Iets met de haren.

"Wie bent u dan?" vroeg de regenworm en kroop voor­zichtig weer wat naderbij.

"Ik ben rups van beroep. Ik zou zeker niet op de strohalm zijn gaan zitten, maar ik ben zo vreselijk moe. Ik heb zo'n lange weg achter de rug. Ik heb steeds door het stof gekropen. Slechts zelden vind ik iets groens. Ik ben wat zwak, van kind af aan al. Het is ook zo vermoeiend, bij elke stap de rug te krommen. Nu kan ik niet meer. Ik ben tè moe. Doodmoe." De rups zat geheel onder 't stof en was uitgeput. Haar been­stompjes trilden.

Het gehele C.D.R.kroop deelnemend nader.
"U moet zich versterken," zei een regenworm vriendelijk.
"U moet wat aarde gebruiken."
"Neen, dank u," zei de rups, "ik ben te moe om te eten.
Ik voel mij helemaal zo vreemd. Ik wil niet meer op de aarde kruipen."

"Maar houd mij ten goede," zei de voorzitter van het C.D.R. "Dat is het leven, dat men op de aarde kruipt en aarde eet. Als men dat niet meer kan, sterft men. Men moet echter leven en heel lang worden. Ik kan u verschillende methoden aanbevelen. Het is macrobiotiek."

Ik geloof niet, dat men sterft," zei de rups. "Als men te moe is en niet meer op de aarde kan kruipen, verpopt men zich en naderhand wordt men een bonte vlinder. Men vliegt in het zonlicht en hoort de klokjes luiden. Ik weet alleen maar niet, hoe je dat doet. Ik ben ook veel te moe, om erover na te denken."

De regenwormen kronkelden opgewonden en radeloos door elkaar.

Vliegen? . . . Zonlicht? . . . Wat betekent dat? . . . Zoiets bestaat toch in 't geheel niet! . . . U bent zeker ziek?"

"U gebruikt zulke eigenaardige vreemde woorden," zei de voorzitter van het C.D.R."U bent bepaald niet we!!"

De rups antwoordde niet meer. Zij was te moe. Doodmoe.
Zij klemde zich vast aan de strohalm.
Toen werd het duister om haar heen.
Uit haar echter sponnen zich fijne draden naar buiten, en sponnen het bestoven doodmoede lichaam in.

"Maar dat is een verschrikkelijke ziekte," zeiden de regenwormen.
"Het is een fenomeen," zei de voorzitter van het C.D.R.
"Wij zullen het bestuderen."
Enige autoriteiten knikten toestemmend met hun kopringen.

Weken verliepen. De voorzitter van het C.D.R.en de autoriteiten kropen dagelijks naar het fenomeen en betastten het. Het fenomeen was wit. Het was geheel ingesponnen en lag roerloos op de grond.

Eindelijk op een vroege morgen, bewoog het ingesponnen ding. Een kleine bonte vlinder kwam naar buiten en zag met verbaasde ogen om zich heen. Hij hield de vleugels gevouwen en begreep niet, wat hij daarmee beginnen moest. Want hij was vergeten, dat hij een rups geweest was en hij was vergeten, wat hij als rups geloofd en gehoopt had . . . en hoe moe hij geweest was, doodmoe. . .

De vleugels echter groeiden in het zonlicht. Zij werden sterk en kleurig.
Toen breidde de vlinder de vleugels uit en vloog ver boven de aarde het zonlicht tegemoet.
De klokjes luidden.

Beneden in het stof vergaderde het C.D.R.
Men had het lege omhulsel gevonden en alle autoriteiten waren bijeen gekropen.
"Het is maar een omhulsel," zei de eerste autoriteit teleurgesteld.
"Alleen de ziekte is achtergebleven," zei de tweede autoriteit.
"Het omhulsel was juist de ziekte," zei de derde autoriteit.
Hoog boven hun blinde koppen dartelde de vlinder in de blauwe, zonnige lucht.
"Nu is hij helemaal dood," zeiden de regenwormen.
"Resurrexit!" zongen duizend stemmen in het licht.

Bron: Manfred Kyber – Dierenverhalen vol wijsheid en symboliek

 

Nog nooit een kabouter gezien? !


Wat zeg je? Nog nooit een kabouter gezien??? Nu ja, kabouters zie je ook niet op drukke autosnelwegen, kabouters vrezen snelheid, lawaai. Wil je rechtlijnig en snel de top bereiken, heb je enkel oog voor de appel waar je net niet bij kan, dan zal de kabouter zich voor jou blijven verbergen.

Natuurlijk ben je rijk, en groot, en zag je reuzen, vele tientallen. Reuze  hopen geld, reuze  plezier, reuze villa 's.

Toch is wat een kabouter je kan geven misschien nog rijker, want hij balt samen in zijn kleine vuistjes: tevredenheid. Zijn oogjes weerspiegelen dankbaarheid en zijn hartje klopt van liefde. Ik weet, zijn kasteel is er een van lucht, maar vlucht jij dan nooit in luchtkastelen ?

Heb jij je nooit neergevlijd in het hoge gras bij de vijver, kijkend naar een televisie van rust, met wolkenbeelden ? Daar zal hij te voorschijn komen.

Geen tijd, zeg je, files, je komt doodmoe thuis en dan wil je wel eens echte televisie en een flinke portie amusement, echte ontspanning. Ik begrijp je.

Je gelooft er niet meer in. Er is geen fysische verklaring voor, geen chemische reactie, geen rationele berekening. Dus bestaan ze niet ?

Ach, maar ik vergeef je. Je weet niet wat je mist. Je weet misschien niet eens waarom je dit nu zegt. Een intens medelijden bekruipt me bij het zien van zo veel blindheid, maar er zijn geen winkels waar ze jou de bril der kindertijd, de bril der eenvoud en natuur, de bril der tevredenheid, dankbaarheid en geluk kunnen verkopen.

Luister, luister goed, ik zal jou vertellen over kabouters tot je rustig slaapt, want ik heb zo'n medelijden....

Lisa Meuleman



Oorzaak en gevolg

Hij was een arme schotse boer en terwijl hij op het land van zijn baas aan het werken was hoorde hij een kind angstig gillen.

Hij ging kijken en zag dat het kind aan het verdrinken was in het drijfzand.
De boer riskeerde zijn leven door het kind te redden.
's Avonds klopte de vader van het geredde kind op de deur van de hut van de arme boer.

De vader van dat kind, die van adel is, komt de man bedanken en biedt aan om de zoon van de boer te laten studeren op zijn kosten.

De boerenzoon krijgt de beste scholing van het United Kingdom en wordt medicus. Hij wordt zelfs beroemd. Zijn naam is Alexander Fleming, de uitvinder van de penicilline.

Na een tijd krijgt de zoon van de edelman longontsteking, en wordt gered door de penicilline. Déze jongeman heet Winston Churchill, de man die naderhand Hitler tegen zal houden bij zijn oorlog tegen Europa.
                                                        ------------------------------
Deze geschiedenis is echt gebeurd. Die arme schotse boer heeft door één goede daad twee maal de wereld gered.
Natuurlijk kon hij dat niet weten. Dikwijls weten we niet wat de consequenties zijn van onze daden. We hoeven dat ook niet te weten, het is alleen belangrijk dat we ons deel bijdragen aan het scheppen van een goede wereld en een kleine goede daad kan héél grote gevolgen hebben...

Niets geeft een mens meer voldoening dan deuren te openen voor zijn medemens, niet om iets van die mens te krijgen, maar om iets te geven.
Iedereen heeft veel te geven. Een glimlach, een goed woord, een hand om iemand te helpen en tegenwoordig is het belangrijk om een goed oor te hebben.

Met dank aan Ger