Gedichten over vader, moeder en andere familiebanden

 
 

 Vader

05. Onder vreemden -  06. Geschenk van mijn vader - 16. De akker -
 
 Moeder

 
 Familie

01. Opa -
 
 
 
 01. Opa

Opa keek vaak in onze tuin
naar die zeven sprietjes gras,
en daar zag opa dan een koe
die er helemaal niet was.

En later, in het ziekenhuis,
kon hij verwonderd vragen
waarom ze toch de buitenmuur
uit zijn kamer hadden geslagen.

Voor opa was het doodgaan
dus niet zoiets als nacht:
het was de steeds grotere ruimte
die hij voor zichzelf had bedacht.

Willem Wilmink
 
 
 
 02. Dag Mam

Daar zit mijn moeder in het zonnetje te soezen
Haar rimpelhandjes stil gevouwen in haar schoot
Op 't tafelzeiltje staan gezellig de tompoezen 'Straks
komt de koffie', heeft de zuster ons beloofd
Ik zeg ik hou van je mama en streel haar handen
En zie de tranen in haar ogen branden
Mijn moeder knikkebolt en mompelt dat is lief
Ik laat haar drinken en voer kleine hapjes eten
Het een na 't andre stuk verdween uit haar archief
Maar ik wil niet geloven dat ze mij ook is vergeten

Daar zit mijn moeder in het zonnetje te dromen
Zo af en toe knikt ze me vriendlijk toe
Ze vindt het aardig dat die vreemde langs wil komen
Maar wil vandaag niet met me praten, ze is moe
Ze dwaalde urenlang door eindeloze gangen
Op zoek naar antwoord op een onbestemd verlangen
Meneer De Goede gilt en krijst, hij moet in bad
Mevrouw Van Dalen vloekt op zusters die passeren
Maar mam zit stil van pijn, haar schouderblad
Brak door een duw van een der dames of meneren

Daar zit mijn moeder in het zonnetje te zweten
Ze krijgt haar rolstoel echt geen meter meer opzij
Mevrouw De Bruin zit naast haar tulpen op te vreten
Meneer Vermeulen ontsteekt net in razernij
Hij gooit zijn schoenen naar haar hoofd. Mam kan niet bukken
De Bruin mept terug, die heeft gelukkig nog haar krukken
Mams hoofd doet zeer, haar rechterwang wordt langzaam blauw
Ze streelt met lege ogen woordeloos mijn handen
Ik fluister in haar oor dag mam, ik hou van jou
En voel de tranen in mijn eigen ogen branden

Daar ligt mijn moeder in het zonnetje te wachten
Waarop precies dat is haar zelf niet goed bekend
Ze is verdwaald in haar gedachten
Mijn moeder is dement
Daar ligt mijn moeder in het zonnetje te wachten
Misschien wel op het toverwoord waarvan ik wou
Dat het verdwalen zou in haar gedachten
Dag mam. Ik hou van jou

Copyright 2008 Marjan van den Berg
 
Geplaatst met toestemming van Marjan van den Berg
 
 
 
 03. Dwalen

Als de geest van je moeder gaat dwalen
Door de spinragen van de tijd
Het spoor bijster raakt in de verhalen
Berust dan niet met spijt
Dat je haar nog zo slecht kan bereiken
Ze je kinderen soms niet meer herkent
Wees bedacht op dat vluchtige wonder
Wanneer je even dicht bij haar bent

Ze streelt je en zegt: ha, daar ben je
Zeg, wat heb ik je lang niet gezien
Leven zonder pa, daaraan wen je
Maar hier blijven, mij niet gezien

Ze noemt je mijn kind en ze vraagt
Hoe het toch gaat met je werk
En was je ook nog geslaagd
En ga je nog naar de kerk

En je hoopt dat ze dan snel vergeet
Dat haar bed in dit kamertje staat
En je ziet haar luisteren en staren
Terwijl je alles met haar bepraat
Je bent bedacht op dat vluchtige wonder
Nu je even dicht bij haar bent
Nu haar hele wezen alert is
En jouw boodschap gaaf overzendt

Je houdt van haar
Ik hou van haar
Hou van haar

 
van de Cd Wonderen   - Lord's Moor Singers               
 
 
 04. Moeder? Waar zijdt gij?
 
Moeder, waar zijdt gij? Gij hadt
altijd antwoord op mijn vragen,
gij wist waarom dit en dat,
 
waarom als wij samenlagen
in bed en naar boven zagen,
de kabouter vleugels had.
 
Waarom winter, waarom zomer,
waarom honger, waarom kou,
waarom appelen op de bomen
 
en de kinderen waarvandaan
schreiend zij op de aarde komen.
Ik heb het nooit goed verstaan.
 
Maar nu moet gij mij vertellen,
sprookjesmoeder, lieve vrouw,
kittelend mijn orelellen,
waar die kindren henengaan.
 
     Hubert van Herreweghen
       (Gedichten II, 1961)

   
 
 
05. Onder vreemden    

Het speelt het liefste ver weg op het strand,
het kind dat nooit zijn eigen vader ziet,
die overzee is in dat andere land.
Het woont bij vreemden en het went er niet.
Zij fluisteren erover met elkaar.

Heimwee huist in zijn kleren en zijn haar.
En altijd denkt het dat hij komen zal:
Vandaag niet meer; maar morgen, onverwacht,
en droomt van hem en roept hem in de nacht.
Ik wacht u, Vader van de overwal.

Ida Gerhardt
 
 
 
 06. Geschenk van mijn vader  

Wij zaten samen, zwijgend, bij het vuur;
mijn lieve vader
en ik.
Bij elk klokgetik
kwam zijn stervensuur
nader en nader.

Hij was rustig en goed;
lijk de moeder
die haar kindje heeft gedekt tot de kin,
en die heengaat met lichte voet,
stil en verblijd,
zo wist hij zijn denken en daden bedolven
onder Gods warme barmhartigheid.

Hij stond langzaam uit zijn zetel op,
zacht en sterk, lijk hij had geleefd.
Zijn fijne hand
heeft gebeefd
op mijn hand:
een nevel over ontwakend land.

Toen heeft hij zijn laatste daad gedaan:
hij gaf me zijn uurwerk,
eenvoudig, zonder één woord,
en monklend is hij te rust gegaan.

Maar, toen ik hem zacht naar bed geleidde, wist ik,
hoe een Engel, zingend, aanschreed achter ons beide.
Want moedig had mijn vader
in mijn handen
afstand van daad en tijd gedaan.
Trots en wenend ben ik van hem heengegaan.

Marnix Gijsen
Uit:  HET HUIS 1925 

 
 
 
 07. In memoriam matris

Ze was al heel erg oud. Daar riep een meisje:
'Kijk, oma, het is winter!' En zij zei:
'Ik zou zo graag gaan spelen, weer spelen
in de sneeuw.' De lente kwam, een lente
later zou ze sterven. Maar ze zei:
'Ik zou zo graag gaan lopen, lopen door
de regen, al die druppels op mijn gezicht.'
 
De zomer was voorbij, voorbij. Ze zei:
'Die appeltjes rook ik zo graag, vooral
wat in het gras lag, in de grote tuin van
mijn pa. Dat rook zo goed, zo goed.' Haar rimpels
betoveren haar glimlach, het verleden
staat op een kier. Heel even kijkt een meisje
naar een oud meisje in een hof van Eden.
 
Geert Van Istendael      
Uit: "Het geduld van de dingen"
 
 
 
 
 
08. Mijn moeder

Mijn moeder was een heilige vrouw.
O daar ligt blijdschap in die rouw.
Mijn moeder was heilig, en rein, en zoet.
Als de melk van haar borst...
O mijn moeder was goed!

En schoon, schoon oud! Niet één groef in haar wang,
Haar ogen al ziel en haar woorden al zang!
Gij hoordet, gij zaagt haar, en vroegt, mijn vriend:
Ach, jongen waar hebt ge zo'n moeder verdiend!

En toch, gij wist nog niet half wat ze deed
Uit verborgen zorgen: hoe hard zij streed
In de nederigheid van haar weduwsmart,
Met een roos op 't gelaat en een doorn in 't hart!

Haar kinderen schonk zij het brood uit haar mond,
Tot het laatste bloed uit haar warme wond...
Mijn moeder!... Zoete gedachtenis,
Beheers wat er goeds in mijn leven is!

Uit de bundel: toortsen  René de Clercq
 
 
 
 09. Moeder
 
Ik kom terug naar huis.
 
Ik loop traag de trappen op
en adem in...Ik wil opnieuw
het dunne wolkje ruiken
van de soep, bereid voor mij.
Ik wil aanbellen en horen
hoe jij naar de deur gelopen komt,
zien hoe die opengaat en voor mij
de ogen stralen van een heilige.
Ik wil je gouden tand zien blinken
wanneer je lachend uitroept :
- Kom binnen meisje!
 
Mijn lieve, mijn prachtige moeder!
 
Vandaag heeft de bruine aarde
jouw bruine ogen uitgewist.
En de spin van de grote leegte
heeft in jouw haar zijn web geweven.
 
Ik word alleen verwelkomd
door een jaren oud verdriet.
 
Jij wacht op mij op de heuvel
je ogen zijn donkere viooltjes,
je armen - dun, groen, uitgestrekt
om mij te omhelzen...
 
Maja Panajotova
Bulgaarse dichteres die al vele jaren in België woont. Geboren op 1mei 1951 in Aleksandrovo (Bulgarije)
Uit: Noord & Zuid - Poëten in het Vlaams parlement (Lannoo, 2004)
 
 
 
 
10. Reserve

Nu ik mijn oude moeder weer aanschouw
wordt het mij week en wonderlijk te moede;
hoe woest de wind door zoveel jaren woedde,
ik blijf het kind ontwaren in de vrouw.

Zij keerde waar zij kon het kwaad ten goede,
een halve eeuw was zij mijn vader trouw,
en als het even in haar macht lag zou
zij hem ook voor het heengaan nog behoeden.

Al klaagt ze soms (vindt zich opeens te dik
en poogt verwoed haar snoeplust in te tomen):
zij put uit raadselachtige reserve.

Misschien dat zelfs mijn moeder ooit zal sterven,
maar in haar blauwe ogen blijft die blik
alsof het allermooiste nog moet komen.

Jean Pierre Rawie - uit: De Tweede Ronde
 
 
 
 
 
 
 11. Geen kind meer

Je leeft je eigen leven,
wat zij er ook van vindt,
je bent allang geen kind meer.
Je wilt erover praten,
maar niet op die manier,
je zult haar best verdriet doen,
maar niet voor je plezier.
Wat moet je nog met haar en
met haar ouderlijk gezag?
En dan opeens, dan is-ie er, die dag…

De dag waarop je moeder sterft,
de dag die je dagen
van dan af aan wat grijzer verft,
al hou je niks te klagen:
je hebt je goede vrienden nog,
die staan je ook dichtbij
en als je soms een minnaar zoekt,
dan staan ze in de rij.

Maar niemand zal meer weten
hoe je met je pop kon spelen
en niemand zal nog ooit
je vroegste vroeger met je delen.
De dag waarna je nooit meer
kwetsbaar wezen mag en klein,
de dag waarna je nooit meer kind zult zijn.

Wat al die jaren fout ging
komt dan niet meer terecht
en wat je nog wou zeggen
blijft eeuwig ongezegd:
de machteloze frasen
van je genegenheid
en dat het niet haar schuld was
en ook dat het je spijt.
De dingen die je lang niet zeggen kon
en zeggen wou
en dan zo graag nog één keer zeggen zou…

De dag waarop je moeder sterft,
dat jij wordt losgelaten
en al haar eigenschappen erft,
die jij zo in haar haatte:
de scherpe tong, de bokkenpruik,
deze zure schooljuffrouw,
die zullen ze dan binnenkort
herkennen gaan in jou.

En hoop´lijk ook de and´re kant:
de aardige, de zachte,
maar of je die hebt meegeërfd
valt nog maar af te wachten.
De dag waarna de rest
een kwestie wordt van tijd en pijn,
de dag waarna je nooit meer kind zult zijn.

Jan Boerstoel - mei 1993


 
 
12. De moeder het water

Ik ging naar moeder om haar terug te zien.
Ik zag een vreemde vrouw. Haar blik was wijd en
leeg, als keek zij naar de verre overzijde
van een water, niet naar mij. Ik dacht: misschien

- toen ik daar stond op het gazon, pils gedronken
in de kantine van het verpleegtehuis, de tijd
ging langzaam in die godvergeten eenzaamheid -
misschien zou 't goed zijn als nu Psalmen klonken.

Het was mijn moeder, het lijfje dat daar roer-
loos stond in 't gras, alleen haar dunne haren
bewogen nog een beetje in de wind, als voer

zij over stille waatren naar een oneindig daar en
later, haar God. Er is geen God, maar ik bezwoer
Hem Zijn beloften na te komen, haar te bewaren.

Rutger Kopland
uit: 'Tot het ons loslaat', 1997



 

13. Wasdag

Mijn moeder zingt. Zij is alleen
en hangt de was op lange lijnen.
Achter de schuur zit ik. Steeds weer verschijnen
haar handen om de waslijn heen.

God is mijn licht, ik wandel op zijn pad
zingt zij. De lijnen raken vol.
De zon legt om haar hoofd een aureool
van goud dat zij nooit eerder had.

Dan is ze weg. Ik hoor de achterdeur
eerst opengaan en daarna dicht.
Achter de schuur zit ik, en mijn gezicht
is vol van tranen en van wasgoedgeur.

Johanna Kruit  Uit: 'Omtrent het getij', 1985.


 

14. De moeder, de vrouw

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd -
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

uit: Nieuwe Gedichten van Martinus Nijhoff (1894-1953)



 

15. Ballade over moederverdriet

Het schip voer weg, zij oogd’ het na
Het zonlicht ging met hem
Nog hoort zij het laatste woord
dier jonge diepe stem

Tot weerziens moeder en kus, en zijn kus
Die op haar lippen brandt
Zijn blik die lang de hare zocht
Het wuiven van zijn hand

Zij bergt het alles in haar hart
Geen dag, geen nacht gaat om
Of voor haar ogen rijst het beeld:
houd moed; "ik kom weerom”

nooit dof is 't oog , nooit bleek haar wang
als zij zijn brieven leest;
die liggen voor haar neer
Zij leest de laatste ‘t meest,

en prest haar lippen op zijn naam
en op zijn jubelkreet:
"Ik kom terug! Mijn laatste brief”
"Houd huis en hart gereed!”

Een kille lichteloze nacht nacht,
Was ‘t leven zonder hem;
Hij keert! de nacht heeft uit! Weldra
Hoort zij zijn lach, zijn stem..

En drukt zij hem in arm en voelt
zijn kus en strijkt zijn haar
zijn donk’re lokken van ‘t gelaat
Veranderd- niet voor haar!

Zij zit en staaroogt uren lang..
Daar staat het reuzegroot:
"Ik kom weerom!” Wordt nimmer waar
Men zei:” Uw zoon is dood;”

Hij stierf op zee en nog veel meer,
Zij heeft het niet verstaan,
"Ik kom weerom”, zo fluisterd’ zij,
en kijkt u lachend aan.

En iedere morgen wacht zij hem
Dan gaat zij naar de ree
en doolt de schepen langs, en tuurt
Naar de eindeloze zee.

En iedere middag wacht zij hem
en zet zijn stoel gereed;
Er toeft een glimlach op ‘t gelaat
In ‘t feestlijk zondagskleed.

En iedre avond wacht zij hem
en strookt zijn peluw glad
en luistert tot het laatst geluid
Gestorven is in stad

en als zij ‘t oog voor altijd sluit
dan is ‘t schoon bleek en stom,
als murmelden haar lippen nog,
"Houd moed ik kom weerom”

Nu drukt zij hem in d’ arm en voelt
zijn kus en strijkt zijn haar
Zijn donkre lokken voor t’ gelaat
Zijn niet vergrijst voor haar.

Marie Agathe Boddaert
 
 
 
 16. De akker

Ik zal die zondagmiddag met mijn vader
op wandel door het land niet licht vergeten
al is het vijftig jaar en méér geleden,
zo dicht bij hem als bijna nooit meer later.

Wij kwamen bij een akkerstuk, door bossen
die aan vier kanten stonden, ingesloten, –
door varens een verwoestend spoor gestoten
dan verend verder over vedermossen.

Wij vonden er een hof. Het hoge koren
met ritselingen rijpgestookt van boven
stond in de palle juli onbewogen
tegen mijn open ogen en mijn oren.

Ik zág niets anders, hóórde niets dan droge
verdorde zoemgeluiden van insecten
onzichtbaar kevertjes en rode plekken
papavers door veel bijen aangevlogen.

Een wereld die bestond en aan den lijve
ervaarbaar vaderlijk, een nieuwe aarde
met ademing en aanvangen van klaarte
waarin ik wilde blijven en verblijven.

Anton van Wilderode
Uit: Daar is maar één land dat mijn land kan zijn