Kinderen

Een kinderspiegel

'Als ik oud word neem ik blonde krullen
ik neem geen spataders, geen onderkin,
en als ik rimpels krijg omdat ik vijftig ben
dan neem ik vrolijke, niet van die lange om mijn mond
alleen wat kraaiepootjes om mijn ogen.

Ik ga nooit liegen of bedriegen, waarom zou ik
en niemand gaat ooit liegen tegen mij.
Ik neem niet van die vieze vette
grijze pieken en ik ga zeker ook niet
stinken uit mijn mond.

Ik neem een hond, drie poezen en een geit
die binnen mag, dat is gezellig,
de keutels kunnen mij niet schelen.
De poezen mogen in mijn bed
de hond gaat op het kleedje.

Ik neem ook hele leuke planten met veel bloemen
niet van die saaie sprieten en geen luis, of zoiets raars.
Ik neem een hele lieve man die tamelijk beroemd is
de hele dag en ook de hele nacht
blijven wij alsmaar bij elkaar.'

Judith Herzberg
Uit: Beemdgras, 1968 - Uitgever: Van Oorschot, Amsterdam

De kinderen

Voor Anne de Vries

Zij komen uit een rijk voorbij dit leven
en gaan langs wegen waar geen mensch van weet
een verren onbekenden einder tegen,
de zoom strijkt langs ons van hun wapprend kleed.
 
Hoe houden zij zoo licht en bijna blij geheven
den beker van 't oneindig bittre leed?
hoe ligt voor elk een argelooze zegen
in 't teere hunkren van hun hart gereed?

Maar Die zegt: ‘Laat de kindren tot mij komen!’
spreekt daarmee over ons een streng gericht,
want wij staan tusschen hen en hunne droomen
vaak als een muur van angsten opgericht.

Roel Houwink

Marietje was bang voor water en zeep

Marietje van Dalen uit Kreukelendamme,
die hield niet van wassen en hield niet van kammen,
zij hield niet van zeep en zij hield niet van water
en stelde het wassen maar uit tot later.

Van nageltjes knippen was zij nog banger
en haar nageltjes werden hoe langer hoe langer.
O, grutjes, wat was die Marietje vies,
ze leek wel een varken, maar dan ook precies.

En als haar moeder des morgens kwam
met zeep en met water en ook met een kam,
dan ging zij tekeer en begon te gillen
of iemand haar levend wilde villen.

Haar moeder werd boos van al dat gehuil
en riep: Dan blijf je maar altijd vuil!
Maar ga dan maar weg en kom nooit weer,
dan ben jij mijn kleine meisje niet meer.

Die smerige kleine Marietje van Dalen
die ging ervandoor en begon te dwalen
langs alle straten en langs alle wegen,
zij zat vol modder en vieze vegen
en vuile vlekken op iedere wang,
haar kleren leken wel struikgewas
en in haar halsje daar groeide het gras,
het groeide ook op haar ene been
en eindelijk helemaal over haar heen,
en je kon niet meer zien, door al dat gras
dat Marietje van Dalen een meisje was.

En eindelijk groeide ze vast in de grond
waar ze net als een boom op het weiland stond.
De vogeltjes bouwden een nest in haar haren
en langzamerhand kreeg ze takken en blaren.

Het is waar, al lijkt het een nare droom:
Marietje van Dalen is nu een boom.
Dus…meisjes die bang zijn voor zeep en voor water,
die worden allemaal bomen...
later.


Annie M.G. Schmidt

 
 
 
 
 
 
 
 

De heks van Sier-kon-fleks


Dit is de heks van Sier-kon-fleks,
ze woont in Kopenhagen.
Iedere dag doet zij wat geks
en alle mensen klagen:
O, wat een heks,
wat een akelige heks,
hoe lang moet dat nog duren?
Wie wil de heks van Sier-kon-fleks
voorgoed het bos in sturen?

Op zondag neemt zij de kolonel
en tovert hem om in een mokka-stel.

Op maandag doet zij niet zoveel,
dan jakkert zij op haar bezemsteel.

Op dinsdag eet zij een schooljuffrouw
en laat het verder maar blauw-blauw.

Op woensdag neemt zij het mokka-stel
en tovert het om in een kolonel.
(De vreugd is maar van korte duur:
hij zit nog onder het glazuur. )

Op donderdag neemt zij het dameskoor
en schuift het onder de voordeur door.

Op vrijdag bijt zij de griffier
en wikkelt hem in vloeipapier.

Op zaterdag gaat zij in ‘t bad,
zodat het in de rondte spat,
en verder speelt zij met haar kat
het spelletje van ‘wie doet me wat’.

Dit is de heks van Sier-kon-fleks,
zij woont in Kopenhagen.
Alle mensen staan perpleks
zoals die heks kan plagen.
O, wat een heks,
wat een griezelige heks,
‘t is niet om te verdragen.
Wie wil de heks van Sier-kon-fleks
voorgoed het bos in jagen?


Annie M.G. Schmidt