Mythes en sagen van overal ter wereld

De oorsprong van de dood
Een mythe van de Noord-Amerikaanse Indianen 



In de vroegste tijden — nog voordat de mensen werkelijk mens waren geworden — vervaardigde Raaf van zijn eigen lichaam een jongetje, hij wekte het tot leven en gaf het een naam. Zijn schepping was een onuitputtelijke bron van vreugde voor hem. De knaap was mooi, zijn voeten en handen waren opvallend klein en licht getint. Raaf glunderde omdat hij tot zoiets in staat was gebleken zonder hulp van zijn vriend de Timmerman. Vijftien jaar lang ging alles naar wens. Toen wilde het hemelse opperhoofd Elqoentem wel eens weten wat voor wezen Raaf nu eigenlijk geschapen had. Hij stuurde een van zijn magische roofvogels naar de aarde om de zoon van Raaf te ontvoeren. In die tijd beschikte hij over vier van deze reusachtige vogels; ze leken op arenden en stonden onder zijn persoonlijke toezicht. De vogel stortte zich naar beneden, omvatte de jongen met zijn klauwen en voerde hem omhoog naar het huis van Elqoentem, waar hij als een gerespecteerde gast werd ontvangen.

Raaf, onwetend omtrent de oorzaak van zijn verlies, was gebroken. Hij trok de haren uit zijn hoofd en bracht vier dagen in zwaarmoedig gepeins door. Daarna besloot hij tot een oorlog met de monsterlijke vogels. Dat deze op bevel van het Opperwezen in actie waren gekomen, bleef hem onbekend. Raaf ging naar zijn vriend de Timmerman en vroeg hem een reusachtige walvis te maken. De Timmerman was verbaasd en wilde weten waarom hem dat gevraagd werd. Daarop vertelde Raaf over het smartelijke verlies van zijn zoon en hoe hij hoopte dat de vliegende rovers ertoe verlokt zouden worden zich op de onechte walvis te storten. Op die manier zou hij ze te pakken kunnen krijgen. Zijn vriend wilde hem wel helpen en werkte vier dagen lang aan een gigantische ceder. Net als bij een kano stak hij de gevelde boom met beitels uit, maar het hout kreeg de vorm van een grote walvis. Vervolgens bracht hij vier dagen lang grote hoeveelheden gom bijeen. Het houten monster werd bedekt met een laag die vele centimeters dik was. Tenslotte schilderde hij de buitenkant in de kleuren van de walvis. Het was een fraai stuk werk geworden. Diezelfde avond vroeg Raaf aan zijn vriend het te water te laten. De maag was verzwaard, zodat de vis naar believen kon zinken of drijven. Binnenin was voldoende ruimte uitgespaard om het gevaarte op onzichtbare wijze te sturen. De walvis gedroeg zich volgens plan; hij dook even gemakkelijk onder als hij bovenkwam en bewoog zich in elke richting die de roerganger wenste. Raaf was opgetogen. De volgende morgen liet de Timmerman het vaartuig in alle vroegte opnieuw te water. Het dobberde als een echte walvis in de buurt van de kust. Raaf zat in de vis verborgen.

Het hemelse opperhoofd kreeg het dier in het oog en stuurde er een van zijn gevleugelde ontvoerders op af. De naam van deze vogel was ‘Hij-die-er-één-draagt’, wat betekent dat hij van alles ter wereld één exemplaar kan optillen en meenemen. Het beest stortte zich naar beneden en greep de nagemaakte walvis in zijn klauwen. Toen hij zijn vleugels uitsloeg om op te stijgen, raakten deze vast in de gom. Ook zijn klauwen bleven in de kleverige massa steken. Hij kon zijn buit niet optillen en slaagde er evenmin in te ontsnappen. De walvis dook onder water en liet de rover verdrinken. Vele mensen hadden het gevecht vanaf de kust gadegeslagen.  

Het Opperwezen zond terstond een andere vogel: ‘Hij-die-er-twee-draagt’. Deze is in staat van alles ter wereld twee exemplaren op te tillen. Het beest pakte de walvis op dezelfde wijze met zijn klauwen beet en slaagde erin hem even omhoog te heffen voordat zijn vleugels in de gom bleven vastkleven en ook hij door verdrinking om het leven kwam.

Daarop stuurde Elqoentem ‘Hij-die-er-drie-draagt’. Evenals zijn voorgangers sloeg deze zijn klauwen om de houten walvis. Hij tilde zijn prooi enkele meters boven water, maar ook zijn vleugels werden door de gom verlamd. Hij viel naar beneden en verdronk. Elqoentem zag de gebeurtenissen met groeiende bezorgdheid aan.

Hij riep Noenoemoesek bij zich, de vogel die er vier kan dragen. Alvorens hem weg te sturen vertelde hij de reuzenvogel wat het lot van zijn drie broers was geweest. Hij bond hem op het hart even voorzichtig als doortastend op te treden, omdat Noenoemoesek de laatste kans op succes belichaamde. Aldus gewaarschuwd stortte het gevleugelde dier zich met volle kracht op de walvis, greep hem stevig in zijn nekvel en trok zijn druipende prooi omhoog uit het water. Hij voerde hem ver de ruimte in en begaf zich op weg naar de hemel. Langzaam maar zeker drong de kleverige gom tussen de slagpennen die in zijn vleugels staken. De wiekslag werd trager en trager, totdat de uitgeputte vogel — worstelend met de walvis — naar beneden begon te vallen. Toen de haperende vleugels het volledig begaven, sloeg hij samen met zijn prooi tegen het wateroppervlak, bleef daar nog een ogenblik drijven om vervolgens verkleefd met de walvis naar de diepte te zinken.

Omdat verdere aanvallen uitbleven, stuurde Raaf-de-roerganger zijn vreemde vaartuig terug naar het strand, waar hij de gesneuvelde roofvogels voor de toeschouwers uitstalde. Iedereen was verbluft bij de aanblik van de dode dieren, omdat ze nog nooit zulke reusachtige benige vleugels hadden gezien. Raaf was echter niet tevreden over zijn succes: weliswaar had hij de ontvoerders vernietigend verslagen, maar zijn zoon was daarmee niet teruggewonnen. Huilend van verdriet om zijn verloren kind ging hij terug naar huis.

Het Opperwezen en zijn jonge gast was het treuren van Raaf niet ontgaan. De jongen werd door Elqoentem grootmoedig teruggestuurd. Toen hij het vaderhuis betrad zei hij tegen Raaf: ‘Huil niet, hier ben ik weer. Ik heb je verdriet gezien en ben teruggekeerd.’ Raaf keek hem met betraande ogen aan en antwoordde: ‘Nee, jij bent niet mijn zoon. Die had mooie, golvende haarlokken.’ De jongen was inderdaad zonder haar op zijn hoofd verschenen. Hij verklaarde het verlies van zijn haardos met de woorden: ‘Toch ben ik werkelijk jouw zoon. Ik ben daarboven in het huis Noesmetta geweest, waar zo’n zware storm opstak dat al mijn haar is weggewaaid!’ Raaf, verblind door tranen, geloofde hem niet en antwoordde op geërgerde toon: ‘Nee, jij bent niet mijn zoon. Waarom lieg je tegen me? Verlaat dit huis onmiddellijk!’ 

Gebelgd door deze ontvangst gaf de zoon van Raaf gevolg aan zijn vaders verzoek. Hij draaide zich om en liep weg. Toen hij zijn voeten optilde om over de hoge drempel te stappen, merkte Raaf zijn getatoeëerde benen op en besefte hij opeens dat de bezoeker ondanks een veranderd uiterlijk wel degelijk zijn zoon was. Hij riep hem terstond terug, maar de jongen schonk geen aandacht aan zijn vaders smeekbede en spoedde zich weg. Het verdriet en de spijt van Raaf waren te groot voor woorden, maar hij kon het aangerichte onheil niet meer herstellen. Had Raaf deze vergissing niet begaan, alle stervelingen zouden vier dagen na hun dood tot het leven hebben kunnen terugkeren.

Bron:
DE SCHEPPING
Verhalen, over het begin uit alle windstreken
 Samengesteld door Maria Vlaar
 
 
 
 
Het zonnelied van Achnaton
Egyptische zonnehymne 




Gij verschijnt prachtig in de lichtwoning des hemels, o Aton, levende, die het eerst hebt geleefd! Wanneer gij opgaat in de oostelijke lichtwoning, vult gij alle landen met uw schoonheid. Wanneer gij blinkend en groot zijt, schitterend en hoog boven alle landen, omvatten uw stralen de landen tot de uiterste zone van al wat gij gemaakt hebt. Wijl gij de zon zijt, bereikt gij hun uiterste zone. Gij knecht ze voor uw beminde zoon. Ofschoon gij verre zijt, zijn uw stralen op de aarde; hun ogen zien u, hoewel men uw gangen niet kent. Wanneer gij ondergaat in de westelijke lichtwoning, ligt de aarde in duisternis, als ware zij dood. De slapers bevinden zich in hun kamer met omhulde hoofden; het éne oog ziet het andere niet. Wanneer al hun bezittingen gestolen worden — zelfs al liggen zij onder hun hoofd, zij merken het niet. Alle roofdieren komen uit hun holen tevoorschijn, al het kruipend gedierte bijt. Wordt het verlichte huis verduisterd, dan ligt de aarde in zwijgen, want hij, die hen gemaakt heeft, is ondergegaan in zijn lichtwoning.

In de ochtendschemering gaat gij weer op in de lichtwoning; gij straalt als Aton bij dag, gij verdrijft de duisternis, gij zendt uw stralen neer en de beide landen zijn in feeststemming, de mensen ontwaken en gaan staan op hun voeten; gij hebt hen opgericht. Zij wassen hun lichaam en trekken hun kleren aan; hun armen zijn in aanbidding geheven voor u, wanneer gij verschijnt. De gehele mensheid verricht haar werk, alle dieren doen zich te goed aan hun weide. Bomen en planten worden groen. De vogels, die opvliegen uit hun nesten — hun vleugels zijn in aanbidding geheven voor uw wezen. Alle gedierte huppelt op zijn voeten; al wat opvliegt en neerstrijkt — zij leven, wanneer gij voor hen opgaat. De schepen varen stroom af en stroom op en ook alle wegen liggen open, wanneer gij verschenen zijt. De vissen in de rivier springen op voor uw aangezicht, want uw stralen dringen door tot in het binnenste der zee.

O gij, die zaad herschept tot vrouwen, die vocht tot mannen maakt, die het kind in leven houdt in de schoot zijner moeder, die het sust, zodat het niet schreit, voedster in de moederschoot, die lucht schenkt om leven te geven aan al wat gij maakt. Verlaat het de moederschoot op de dag zijner geboorte, dan opent gij zijn mond geheel en zorgt voor zijn nooddruft. De jonge vogel in het ei, die in de schaal reeds spreekt — gij geeft hem daarin lucht om hem in leven te houden. Gij hebt hem in het ei zijn bepaalde tijd gesteld om het te breken, en op zijn bepaalde tijd kruipt hij uit het ei om te spreken. Hij loopt op zijn voeten, zodra hij eruit gekropen is.

Hoe talrijk is wat gij gemaakt hebt, het is teveel om te zien. O, enige god, wien geen ander evenaart, gij hebt de aarde om uwentwil geschapen, gij alleen: mensen en alle groot en klein gedierte, al wat zich op aarde bevindt, dat zich voortbeweegt op voeten, wat er is in den hoge en vliegt met zijn vleugels, de vreemde landen, Syrië en Nubië, en het land Egypte. Gij hebt ieder mens op zijn plaats gesteld, gij hebt voor hun nooddruft gezorgd, zodat ieder zijn voedsel heeft. Hun levensdagen zijn geteld. Tongen en oren zijn gescheiden door de talen, hun karakter en ook hun uiterlijk is verschillend. Gij hebt onderscheid gemaakt tussen Egypte en de vreemde volkeren: gij hebt een Nijl gemaakt in de onderwereld, gij brengt die, naar het u behaagt, om de Egyptenaren in leven te houden, daar gij hen gemaakt hebt voor u, hun aller heer, die u moeite voor hen geeft, heer van alle landen, die voor hen opgaat, Aton van de dag, ontzagwekkende. Doch ook van alle verre vreemde landen maakt gij de leeftocht: gij hebt een Nijl in de hemel geplaatst, die voor hen neerdaalt en die op de bergen waterstromen vormt als de zee om hun akkers te bevochtigen met hetgeen hun toekomt. Hoe uitnemend is uwe voorzienigheid, o heer der eeuwigheid! De Nijl in de hemel, hij is bestemd voor de vreemde volken, voor al het gedierte in den vreemde, dat zich voortbeweegt op voeten. Egypte daarentegen bezit de Nijl, die uit de onderwereld komt.

Uw stralen voedsteren alle tuinen; wanneer gij opgaat, leven en groeien zij voor u. Gij maakt de seizoenen om op te kweken al wat gij gemaakt hebt, de winter om hun koelte te geven, de hitte, opdat zij u ervaren. Gij hebt de hemel verre gemaakt om daarin op te gaan om te zien al wat gij gemaakt hebt, gij alleen. Wanneer gij opgaat in uw gedaante als levende Aton, schitterend en stralend, ver en toch dichtbij, maakt gij talloze gedaanten uit u, de éne: steden, dorpen en akkers, weg en rivier. Alle ogen schouwen u tegenover zich, zolang gij de Aton van de dag zijt boven de aarde. Zijt gij dan heengegaan, dan zullen alle ogen, wier gezicht gij geschapen hebt, u niet meer zien, noch iets wat gij gemaakt hebt. Doch ook dan zijt gij in mijn hart.

Er is geen ander, die u kent, behalve uw zoon. Re is schoon van gedaanten, Re is alleen. Gij hebt hem uw raad en uw sterkte doen kennen. De aarde rust in uw hand, want gij hebt hen gemaakt: wanneer gij opgaat, leven zij, wanneer gij ondergaat, sterven zij. Gij zijt de levensduur in eigen persoon, men leeft van u. De ogen zijn op uw schoonheid gericht, tot gij ondergaat. Alle werk wordt neergelegd, wanneer gij ondergaat in het Westen. Wanneer gij weer opgaat, sterkt gij mijn armen voor de koning, en ik rep mij uit alle macht, want gij hebt de aarde gegrondvest en gij richt hen telkens weer op voor uw zoon, die uit uw lichaam is voortgekomen, de koning van Boven- en Beneden-Egypte, die leeft van de waarheid, de heer der beide landen. Re is schoon van gedaanten, Re is alleen, de zoon van Re, die leeft van de waarheid, de heer der kronen lang van levensduur en voor de grote gemalin des konings, zijn beminde, de vrouwe der beide landen. Re Aton is overschoon, Nefertete, zij leeft, zij is jong in alle eeuwigheid.

Bron: DE SCHEPPING - Verhalen, over het begin uit alle windstreken - Samengesteld door Maria Vlaar