De Griekse Godenwereld - deel I


 
 
 
De Oergoden
De Griekse oergoden zijn in de Griekse mythologie de godheden die de basis vormden voor de wereld zoals de Grieken die kenden.

Aether (de atmosfeer)  = de zoon van Erebus (de duisternis) en Nyx (de nacht).
Chaos (de leegte) - zijn kinderen Nyx (de nacht), Erebus (de duisternis), Eros (de liefde), Gaia (de aarde) en Tartarus (de onderwereld).
Erebus (het donker)
Eros (de liefde) - Eros is in de Griekse mythologie ook het derde kind van Chaos, (naast Nyx en Erebos) en personifieert dan de universele, allesomvattende liefde, de kracht die het universum samenhoudt. Eros was een klein jongetje dat niet groter wilde groeien. Aphrodite vond het maar niets dat hij zo klein bleef, dus vroeg ze raad aan Themis (de godin van de wijsheid). Zij zei haar dat Eros alleen kon groeien als hij een broer of zus had, die hem ook liefde terug kon geven. Anteros (letterlijk wederliefde) werd geboren en samen met hem kon Eros goed groeien. Anteros strafte mensen die wel liefde kregen, maar die niet teruggaven.
Gaia (de aarde en de natuur)
Hemera (de dag) Hemera werd meestal gezien als de dochter van Nyx en Erebus (de duisternis). Hemera's broer was Aether, de atmosfeer en tevens het licht.
Nyx (de nacht) Volgens Hesiodos werd Nyx geboren uit Chaos, net als Erebus, de duisternis. Samen kregen zij twee kinderen: Aether (de atmosfeer) en Hemera (de dag).í
Tartarus (de onderwereld)
Uranus (de hemel) Uranus is de zoon en echtgenoot van Gaia, de Aarde. Zij vormen het oudste godenpaar en zijn verantwoordelijk voor de creatie van vele mythologische figuren, waaronder de Cyclopen, de Titanen, de Hecatonchiren (Centimani) en de Oceaniden.
 
 
 
      De Olympische Goden     
     Aphrodite (liefde, vruchtbaarheid, schoonheid en beschermster van planten- en dierenwereld)
  Apollo (zon, kunst, epidemische ziekten, licht, heling, medicijnen, boogschieten, dichtkunst, waarheid, voorspelling, dans, rede, intellectualisme en beschermer van herders en hun kuddes)
    Ares (oorlog, krijgslust)
    Artemis (maan, jacht, maagden, wilde dieren en kuisheid, maar ook vruchtbaarheid)
    Demeter (landbouw en graan)
    Dionysus (wijn en feesten)
    Hades (dood, rijkdom, kostbare metalen en god van de onderwereld)
    Hephaistos (smeedwerk,vuur en ambachten)
    Hera (godin van het huwelijk, vrouw van Zeus)
   Hermes (handel, verkeer, welsprekendheid, boodschapper van de goden, patroon van reizigers, dieven en bedriegers)
    Hestia (godin van de haard en familie)
    Pallas Athene (wijsheid, strategie, krijgskunst en het handwerk)
    Pan (god van het woud, herdersleven en de muziek)
    Poseidon (zeeŽn oftewel water en aardbevingen)
    Zeus (oppergod, hemel en aarde, bliksem-slingeraar)

Zeus - Hera - Pallas Athena - Leto - Apollo - Artemis - Poseidon - Demeter - Kore (Persephone) - Helios - Eos - Selene - Hermes - Pan - Aphrodite - Ares -  Hephaistos - Dionysus - Hades -
 
 
 01. Zeus en Hera
 
 
  
 De geboorte van Zeus

 

Het gelukte zijn moe≠der Rhea hem van de alles verslindende Kronos weg te houden door het kind op Kreta ter wereld te brengen. Hesiodus verhaalt, dat Rhea het kind in donkere nacht naar een grot in het Aigaion (= Geiten)-gebergte bracht. De grot is de huidige Psychro-grot op de berg Lasithi, waar in de tijd vůůr 1400 v. Chr. een heilige offerplaats was voor de "God met de Dubbele Bijl", de grote godheid van het oude Kreta. Anderen vertellen, dat Zeus in een grot van het Dikte-gebergte ter wereld kwam. Ook daar is bij het dorp Praisos in het Oosten van Kreta gegraven. Er kwamen resten van een tempel voor de dag en een steen met de sedert vermaard geworden hymne aan de Dictaeische Zeus. In de hymne wordt zijn komst op aarde als het begin van vrede en rechtvaardigheid be≠jubeld. "Dans met ons mee, Gij grote Zoon van Kronos! De wijnvaten zullen dan vol worden, het gewas op de velden zal groeien, honing komt in de bijen≠korven." Zo zongen en dansten, begeleid door de muziek van lieren en fluiten, daar elk jaar jonge mannen rond het Zeus-altaar.

Weer anderen beweren, dat Zeus werd gevoed in de grot van de Idaberg (2700 m), waar in historische tijd een beroemde eredienst voor Zeus bestond. In de 50 m diepe grot, die op een hoogte van 1700 m ligt, zijn rijke vondsten gedaan. Want duizend jaren lang trokken hier pelgrims naar boven - Kretenzers, Grieken en Romeinen - om er te offeren aan de grote Zeus. Nu staat er boven op de top van de Ida een primitief kerkje met iconen en offerkaarsen. Veertig jaar geleden kwam daar de bevolking van de dorpen beneden eenmaal in het jaar te samen; na de dienst in de kerk werden op de binnenplaats de oude boerendansen door de jongeren uitgevoerd. . .

Het grootbrengen van de zuigeling moest Rhea aan anderen overlaten, want argwanend raasde Kronos overal rond. Zeus werd er gevoed met melk en honing, of met nectar en ambrozijn. Vaak zijn het alleen dieren, die hem ver≠zorgen: een geit, bijen of duiven. Van de geit wordt verhaald, dat het een reusachtig grote, wilde geit was, zů schrikwekkend van uiterlijk, dat zelfs de Titanen er angst voor hadden! Op hun verzoek had Gaia het beest op Kreta opgesloten in een grot; naar die grot bracht Rhea het kind Zeus. Naderhand doodde Zeus het dier om het vel als wapenrusting in de strijd tegen de Titanen te kunnen gebruiken. De "aigis" (aig = geit) werd het vervaarlijke wapen van de oppergod, dat schrik en paniek onder de tegenstanders zaaide. De naam van de geit was volgens de een Amaltheia, maar anderen spreken over Aix, "de Geit", en noemen Amaltheia de nymph, die het goddelijk kind voedde. Aan haar zou Zeus later een horen van de geit hebben geschonken; hij maakte daar≠van een toverhoren, waaruit alle vruchten der aarde in oneindige overvloed voortkwamen. Dit is de beroemde "Hoorn des Overvloeds", het symbool van de zegen der vruchtbaarheid. In de beeldende kunst wordt hij overigens altijd voorgesteld als koehoren. Anderen menen, dat de geit Amaltheia Zeus met zijn horens voed≠de: uit de ene kwam nectar, uit de andere ambrozijn.

Verder worden de bijen genoemd als de voedsters van de jonge god. Elk jaar, zo verhaalt de dichteres Boio, begint in de Dikte-grot een geweldig vuur te branden. Het is het bloed van Zeus' geboorte, dat gaat zieden. Het Griekse woord zein betekent "zieden"; de Grieken legden verband tussen zein en Zeus, de god van de gloed, de god van het stralende hemelgewelf. In die grot nu zijn de heilige bijen, die Zeus voedden. Eens drongen vier mannen naar binnen om de honing te bemachtigen; uit voorzorg waren zij in bronzen harnassen gehuld. Terwijl zij de honing namen, zagen zij de windselen liggen van het Zeus-kind. Onmiddellijk vielen hun harnassen uiteen, de bijen vielen op hen aan en Zeus veranderde hen voor straf in vogels.

Volgens een andere lezing waren het de duiven, die van de boorden van de Oceaan het nectar en de ambrosia in hun snaveltjes aanvoerden. Later brach≠ten ze dit voedsel der goden dagelijks naar de Olympus.

De geluiden van de zuigeling zouden zijn verblijfplaats aan vader Kronos kun≠nen verraden. Daarom kregen de Cureten, twee, negen of meer in getal, de opdracht de ganse tijd woeste wapendansen rond de grot uit te voeren, terwijl zij wild met de speren op de bronzen schilden beukten. Dank zij deze lawaai≠campagne was het mogelijk Zeus voor zijn grote taak in de wereld groot te brengen. Volgens anderen werd Zeus door een varken gezoogd, dat trouw alle geluiden van de baby met haar voortdurend geknor overstemde. In weer een ander verhaal hangt Amaltheia het kind in een wieg op in de kruin van een wilgenboom: daardoor kon Kronos hem noch in de lucht, noch op aarde, noch in het water vinden.

Van een almachtige god als Zeus, die overal op de bergen werd vereerd, is niet te verwachten, dat de sagen alleen Kreta als geboorteplaats vermelden. Ook bergtoppen van Klein-AziŽ, van Griekenland zelf worden met name genoemd. Het aantal nymphen, die stuk voor stuk als "de" voedster van Zeus doorgingen, loopt in de dertig!
 

De huwelijken van Zeus


Oneindig groot is het aantal huwelijken, dat Zeus met goddelijke en sterfelijke vrouwen sluit, nadat hij volwassen is geworden. Deze grote verscheidenheid be≠hoeft een korte toelichting. Ze hangt samen met het religieuze karakter van de godheid. In de ene streek werd hij als berggod vereerd, in de andere als god van de natuur, elders als god van de regen, van het licht, van het vuur. Elke streek had een eigen naam voor hem, elke streek dacht hem een vrouw toe. Voor verdere uitbreiding zorgden die sagen die de afstamming van allerlei godheden en grote sagenhelden van Zeus wilden afleiden. Bij de adellijke geslachten was het bovendien "mode" hun stambomen het liefst met Zeus te laten beginnen. De heiligheid van de oppergod werd hierdoor eerder versterkt dan aangetast.

Elke huwelijksvoltrekking van Zeus is het onaantastbare stralende symbool van de instandhouding der natuur en van de ononderbroken vruchtbaarheid der aarde. Het wezen van de natuur is de volkomen natuurlijke voortplanting. Stilstand in het eeuwige groeiproces betekent dood en ondergang. Voltrekt Zeus een huwelijk, dan juicht de natuur. Wie dit niet als achtergrond ziet van de tot in het oneindige gevarieerde liefdesverhalen van Zeus en van andere goden, miskent de Griekse religie, miskent de Griekse cultuur.

Toch is deze heiligheid en de diepere achtergrond vaak niet in de sagen te be≠speuren. De oorzaak, of, zo men wil: de schuld, ligt bij Homerus, bij de kringen der zangers en dichters der adellijke bovenlaag, die hun eigen wereld in de maatschappij projecteerden. De burchtheer, de "koning" in de sagen, is offi≠cieel gehuwd, uit liefde of alleen uit familiebelang. Hij heeft één vrouw, hun kinderen zullen het adellijke geslacht voortzetten. Het gevolg was, dat aan de koning der goden, Zeus, ook één officiŽle gemalin werd toegedacht: Hera. Haar huwde Zeus uit liefde of uit familiebelang: Hera is zijn eigen zuster. . . Door dit "officiŽle" huwelijk komt de figuur van Zeus noodzakelijkerwijs in een ander licht te staan, zodra hij een andere vrouw dan Hera bemint. Door dit huwelijk met Hera wordt Zeus, die in de religie een vrees en ontzag in≠boezemend, oppermachtig wezen voorstelt, in de wereld der sagen, in de mytho≠logie (die met religie weinig of niets gemeen heeft) omlaag getrokken naar de menselijke sfeer. In de sagen is Zeus nog wel een bovenmenselijke figuur, maar tegelijk een, aan wie niets menselijks vreemd is. Want nu worden niet meer de normen van de natuur (zoals de religie dat doet) op Zeus toegepast, maar de normen van de mensenmaatschappij. De normen en wetten der natuur, die in de religie de sfeer om de godenfiguren bepaalden, zijn nu eenmaal anders dan de normen van een geordende gemeenschap van mensen. Een spin vreet haar man op, een kat paart met haar zoon. Dat is de gewoonste zaak van de wereld in de . . . natuur! Zo was het ook in de oude godenwereld: Gaia paart met haar eigen zoon Oeranos, Kronos eet zijn kinderen op, de Titanen huwen allen hun zusters, Zeus doet nog hetzelfde. Een zedelijke orde is de natuur zelf niet eigen, daar heerst het recht van de sterkste, daar heerst het geweld.

Maar in de sagen wordt de zedelijke orde van de menselijke samenleving aan Zeus getoetst, zijn gedrag wordt door de dichters met menselijke maatstaven gemeten! Wanneer de dichter niet oppast, krijgt de heiligheid van Zeus een stevige bijsmaak!

Zeus is de warmte en de regen, die de ganse natuur bevrucht. Hij is het sym≠bool van het mannelijke element in de natuur, hij opent de schoot van alles, wat vrouwelijk is. Maar nu komt de dichter, hij stelt Zeus voor als officieel gehuwd. Ook in het huwelijk moet Zeus aan de mensen het voorbeeld geven. Zeus mag geen veelwijverij bedrijven, dat is onzedelijk in een maatschappij, die het huwelijk met één vrouw als ideaal stelt. Maar Zeus, hij past niet in dit systeem, hij barst er aan alle kanten uit! Het gevolg is, dat in de ogen der dich≠ters en hun publiek Zeus onophoudelijk echtbreuk pleegt en de eeuwig on≠trouwe echtgenoot wordt! Zodra de ware, religieuze achtergrond van Zeus' gedragingen uit het oog wordt verloren, bewust of onbewust, is daarmede het hellende vlak bereikt. Doet de dichter dit, dan wordt Zeus een paskwil, een deugniet. Zeus wordt de eeuwige Don Juan, die voor elke vrouw bezwijkt. En Hera? Hera is natuurlijk altijd boos! Altijd is er ruzie tussen de beide echt≠genoten!

Zoals de Grieken zijn, zo zijn de godengestalten, die zij schiepen. Ernst en humor, ontzag en spot wisselen elkaar af. Beiden, goden en mensen, kunnen dit verdragen. Dat is het wonder van de Griekse mens, van de Griekse cultuur, die tot de goden tegelijkertijd in diepe ernst en met sprankelende humor kan opzien. Bij alle spot en scherts verliest de Griek nooit het gevoel van ontzag. Wanneer het anders was, zouden de talrijke "echtbreuken" van Zeus en de andere goden het aanmoedigend voorbeeld zijn geworden voor de grofste onzedelijkheid. En daarvan is in Griekenland wel allerminst sprake. Zo ergens, zo ooit, dan hebben in Griekenland de dichters en denkers orde en recht, kuis≠heid en trouw als hoogste idealen bezongen, ook als zij vrijmoedig over het tegendeel daarvan spraken en schertsten. De Grieken maken ernst met het leven, maar ze kunnen ook losbandig zijn. Zouden hun goden dan anders zijn?


02 Het huwelijk met Hera

 

Hera, in de religie een machtige moedergodin op het Griekse vasteland, is in vele opzichten een volkomen gelijkwaardige tegenhangster van de grote Zeus. Meer dan een ander is zij geschikt als zijn partner te dienen. Daarom gaven de dichters Hera tot officiŽle gemalin aan de oppergod.

In het huwelijk met Zeus is Hera de eeuwig jonge bruid, weelderig en begeerlijk van vormen. Hera kent maar één man in haar leven: Zeus. Voor hem tooit zij zich, voor hem alléén. Om Zeus te kunnen bekoren laat zij geen middelen onge≠bruikt, die haar imposante uiterlijk nog kunnen verfraaien. Hera is kuis, reeds daarom is haar schoonheid onvergelijkelijk. Een andere man dan Zeus bestaat niet voor haar. Zoals in de lente de aarde zich in haar schoonste kleed tooit en dankbaar de gaven des hemels in haar schoot ontvangt, zo wacht Hera steeds als een jonge bruid op Zeus om zich aan hem over te geven. Op vele plaatsen in Griekenland werd het heilig huwelijk tussen Zeus en Hera juist in het begin van de lente gevierd als het feest van het leven, dat in dit jaargetijde in de natuur ontluikt.

Ook in de sage staat de huwelijksdaad in het middelpunt. Bij Homerus wordt verhaald, hoe Zeus en Hera reeds in hun jeugdjaren heimelijk het spel der liefde speelden, nog voor de strijd tegen de Titanen. Hera wordt opgevoed bij Okeanos en diens gade Tethus. Homerus bedoelt misschien, dat zich aan het uiteinde der wereld hun eerste liefde voltrok. Want dichters als Euripides spreken van het huwelijksbed van Zeus en Hera in de Tuin der Hesperiden, waar de eeuwige lente bloeit; daar staat dan ook de levensboom met de gouden appelen, daar stroomt ook het levenswater. Uit de bruidskamer van Zeus ontsprongen de bron≠nen der ambrosia, het levenskruid der goden. Daar vond het heilig huwelijk voor de eerste maal plaats.

Zo luidde waarschijnlijk de oudste vorm van de sage. In latere tijd, toen de oude voorstellingen niet meer leefden, meende men, dat Gaia de gouden appelen der Hesperiden als huwelijksgeschenk zou hebben aangeboden, en dat Hera daar toen de boom zou hebben geplant, die zij door de honderdkoppige slang Ladon liet bewaken. De Tuin der Hesperiden, ook de Tuin van Zeus of de Weide van Hera geheten, werd aan de voet van het Atlasgebergte gedacht, dicht bij het sprookjesachtige Madeira.

Zeus en Hera zijn ook berggoden. Hera heet de godin "met-de-gouden-troon" naar het gouden licht van de eerste zonnestralen om de bergtoppen. Op de Troonberg in Argos zou zich hun huwelijk hebben voltrokken. Het gebergte Thronax of Thornax (Troonberg) heeft twee toppen naast elkaar. Op de een had Hera een heiligdom; Zeus had er een op de andere bergtop, die Kokkugion, "Koekoeksberg", heet. Uit verlangen naar Hera zou Zeus zich daar namelijk in een koekoek hebben veranderd. De koekoek is de vogel, wiens geroep de nadering van de lente en van regenweer aankondigt. Toen Zeus zijn grote geliefde daar, ver van de goden, op haar berg had zien zitten, nam hij de gedaante aan van een koekoek en liet een zwaar onweer boven de bergen los≠barsten. In dit noodweer zocht de kleine koekoek bevend en sidderend zijn toe≠vlucht in de veilige schoot van Hera, die het diertje medelijdend toedekte met haar kleed. Aanstonds herkreeg Zeus zijn eigen gedaante om de schuchtere maagd tot de zijne te maken. Doch uit angst voor haar moeder wederstreefde het kuise meisje de van hartstocht gloeiende minnaar, totdat hij plechtig be≠loofde haar tot zijn wettige gade te zullen maken. In de beroemde Hera-tempel te Argos zat een koekoek op de scepter van het godenbeeld.

In haar huwelijk blijft Hera de eeuwige bruid; na elke vereniging met Zeus baadt zij in de bron Kanathos om haar maagdelijkheid te herkrijgen. Daardoor kan Zeus telkens weer met Hera het huwelijk opnieuw voltrekken, want goden naderen slechts tot een vrouw, wier schoot nog is gesloten. Overigens maakte de ontrouw van Zeus het leven met Hera niet bepaald tot een leven. van enkel rozengeur en maneschijn. Hera, die naar het moederschap verlangt, eist kuisheid van zichzelf Ťn van haar heer gemaal. Zij wil de moeder van de kinderen van Zeus zijn; zij voelt zich diep beledigd, als een andere vrouw aan Zeus een kind schenkt. Zeus voelt zich onder haar scherpe ogen dikwijls allesbehalve op zijn gemak. Voortdurend moet hij allerlei listen te baat nemen om Hera's waakzaamheid te verschalken. Soms wordt het zelfs Zeus te bar. Eens, toen Hera zijn zoon Herakles door een zware storm bijna had doen verongelukken, hing hij haar voor straf zwaargeboeid op tussen hemel en aarde, met twee aambeelden aan de voeten. De andere goden maakten groot misbaar en trachtten Hera te bevrijden. Zeus was echter tegen hen opgewassen en smeet een van haar zoons, Hephaistos, van de goden berg omlaag. Hera had haar heer gemaal over het bezoek van een dame geÔnterpelleerd, die Zeus 's morgens onder vier ogen te spreken had gekregen. De dame was niet de eerste de beste, het was Thetis, de zilver≠blanke zeemeermin, de grote liefde van Zeus. Maar Zeus mag haar niet huwen, wil hij zijn wereldheerschappij niet verliezen aan de zoon, die uit Thetis ge≠boren zou worden. Dat is de stille tragedie zelfs in het bestaan van een almach≠tige godheid als Zeus, dat hij de vrouw, die hij liefheeft, niet kan huwen.

Voor Thetis had Hera dus geen achterdocht behoeven te koesteren! Maar Hera's jaloersheid en ontevredenheid kennen geen grenzen. Eens vluchtte zij zelfs van Zeus weg naar Euboea en keerde niet terug. Zeus bedacht een list. Op het vasteland tegenover het eiland Euboea liet hij door een koning een zittende vrouwenfiguur maken van eikenhout en dit beeld opsieren en aankleden als bruid. Er werd een grote bruiloftsstoet geformeerd met muzikanten en al. In de stoet reed de bruidswagen met Zeus en de zwaargesluierde houten pop er boven≠op. Luid weerklonken tot in Euboea aan de overzijde de bruiloftsliederen: Zeus ging huwen met Plataia, de dochter van de riviergod Asopos. Daar! Daar kwam Hera al aangesneld, razend van woede! Zij greep de bruid vast en rukte de sluiers weg. . . en zag stomverbaasd, dat het een. . . houten bruid was! Ditmaal kon Hera de humor van het geval wel waarderen, zij had een lesje gehad.
 
 
 
 
 
 
03. Pallas Athena

 

Athena Parthenos is de Maagd. Zij is de fiere, sterke dochter van Zeus, in fier≠heid en kracht het evenbeeld van haar vader. Wars van zinnelijke liefde, ver≠heven in haar strakke kuisheid, rein van denken en edele zin, is Pallas Athena een waarachtige godin. Zij denkt, zij handelt doordacht. Zij begunstigt allen, die bereid zijn te denken en doordacht te handelen. De kracht van de intelli≠gentie, het vernuft, de diplomatieke welberadenheid worden door haar ge≠steund en gestuwd. Denken vereist tucht en discipline van de geest, denken is strijd. De godin van het denken is een strijdbare godin: dat drukte Phidias uit in het beeld van de Parthenos. Daarom is zij de Maagd-godin, haar koele geest wordt nimmer vertroebeld en verward door de klop van het hete bloed. Wijs≠heid IS haar innerlijkste wezen, wijsheid, die uitgaat boven verstand; wijsheid, die bezonkenheid en bezonnenheid in zich sluit. De Griekse cultuur heet de bakermat der westerse beschaving. Deze naam ver≠dient zij alleen al door de onsterfelijke schepping van de godin Pallas Athena. In haar geeft zij de richting aan van alle geestelijke beschaving: die naar de wereld van de geest. De schepping van Pallas Athena als godin van de wijsheid bracht de Griekse geest uit zichzelf voort. In de religie is Athena een godheid, die van de voor-Griekse bevolking is over≠genomen. Dat zegt haar naam reeds voldoende door de uitgang -ena of -ene. Namen als Mycene, Pirene, Sirene, Pallene zijn ontleend aan de taal van een volk, dat vůůr de komst van de Grieken het land bewoonde. Als stadsgodin van de stad Athene genoot zij daar een bijzondere verering. 

Geboorte

Algemeen bekend is het, hoe Athena ontsprong aan het hoofd van vader Zeus. De eerste geliefde van Zeus zou Metis (Schranderheid) zijn geweest. Zij kon zich in alle gedaanten veranderen; het had dan ook lang geduurd, voor zij zich naar Zeus voegde. Maar toen ze een kind van hem verwachtte, ontving Zeus een waarschuwing van Gaia en Oeranos, dat een volgend kind van Metis zou heer≠sen over goden en mensen. Wat moest Zeus doen om dit te verhinderen? Onder zoete liefdeswoorden verlokte hij Metis tot een innige omhelzing. In de liefdes≠taal der mensen is het niet ongewoon schertsend te zeggen: "Ik zou je wel kun≠nen opeten, zo lief vind ik je!" Dat nu zei Zeus ook, maar dat niet alleen: hij voegde de daad bij het woord! Hij nam Metis in zich op, zoals Gaia hem had aangeraden. Geen ander immers dan Zeus mocht over de wereld heersen. Voort≠aan had Zeus de Schranderheid in zich: door haar vermocht hij goed en kwaad te onderscheiden.

Toen de dagen van het kind waren vervuld, bracht Zeus het voort vanuit zijn hoofd. Op Griekse vazen beukt Hephaistos, de smidsgod, met bijl of hamer op het hoofd van Zeus. Het hoofd spleet vaneen. . . en onder het uitstoten van daverend oorlogsgeschal verrees in gouden wapenrusting... Pallas Athena!

De Olympus dreunde op zijn grondvesten, toen de machtige godin met haar dreigende lans vůůr haar vader op de grond sprong. De ganse aarde daverde, de zee sloeg hoog op, de zon stond stil, totdat de fiere maagd de wapenrusting had afgelegd. De schrandere Zeus verheugde zich, Athena werd zijn lievelings≠dochter, zijn rechterhand, zijn tweede ik. Na Zeus komt onder de goden Athena op de eerste plaats. Ares de krijgsgod, wel een zoon van Zeus, maar bij zijn vader gehaat als de zwarte dood, zegt eens tot Zeus: "Haar (Athena) straft ge nooit met woord noch met daad, haar laat ge altijd maar begaan..."

De goede fee


Als een goede fee helpt Athena de mensen, waar zij maar kan. Op het oorlogs≠toneel leidt zij haar gunstelingen met tact en met wijsheid, op beslissende momenten is zij plotseling aanwezig. Voor grote helden als Perseus, Tudeus, Achilleus en Odusseus is Athena een onmisbare steun. In de werken des vredes is zij evenzeer een goede fee. Onder haar leiding wordt het beroemde schip de Argo gebouwd; zij duwt het op het meest kritieke moment tussen de Klap≠rotsen weg. De Atheners schenkt zij de olijfboom en de zegen der olijfolie, die Attica tot welstand brachten. De vrouwen danken aan haar de kunst van het spinnen en weven; van de smeden en pottenbakkers is zij de patrones.
 
 
04. Leto
 
 
 
 

"Leto, gezegend zijt Gij! Uit U zijn geboren de heerser Apollo en Artemis, de Jageres met de Boog! Wanneer Apollo het paleis der goden betreedt, sidderen alle goden, allen verheffen zich van hun zetels voor de grote Boogschutter! Alleen Gij, Leto, Gij blijft rustig naast Zeus gezeten, Gij ontspant de pees van Apollo's boog, Gij sluit de koker der pijlen. Dan hangt Ge de boog aan de zuil achter Zeus en geleidt Uw zoon naar zijn zetel. Zeus biedt hem de beker met nectar, hij drinkt Apollo toe, dan pas zetten zich allen terneder. Trots kijkt de edele Leto naar haar machtige zoon." In deze geest vangt een Griekse hymne op Apollo aan.

In macht is Apollo de derde der goden. Zijn moeder is Leto. In de religie is Leto een moedergodin van het land van Klein-AziŽ, zoals Hera dat is in Griekenland. Hera is haar dus vijandig gezind. In de sage is Leto een rivale van Hera, Leto geniet de gunsten van Zeus. Wanneer Hera bemerkt, dat Leto een kind van Zeus zal krijgen, is haar woede grenzeloos. Alles stelt zij in het werk om de geboorte te verhinderen. Leto kan daardoor geen kinderen ter wereld brengen op een plaats, die door de zon wordt beschenen. Volgens anderen durfde geen land haar opnemen uit angst voor Hera. Hoe de geboorte dan wel plaats vond, daarover gaat er meer dan één lezing. De een wil, dat Zeus zijn geliefde in een wolvin veranderde. Twaalf dagen verbleef Leto in het hoge Noorden van Europa, in het land van de middernachtzon bij het geheimzinnige volk der HyperboreŽrs. Apollo heeft soms de bijnaam Lukogenes, de uit een wolvin geborene. Uit het hoge Noorden kwam Leto daarna naar Delos.

Gewoonlijk vertelt men, dat de geboorte plaats vond op een eiland, dat de naam Delos kreeg. Er zijn vele verklaringen voor de wijze, waarop het gebod van Hera werd ontgaan. De een wil, dat Zeus Leto's zuster Asteria begeerde, die in de golven van de zee wegdook en onder water een berg van steen werd. Toen Leto aankwam, dook de berg uit zee op: hij was nog nooit door de zon beschenen! Volgens een ander overhuifde Poseidon het eiland met een gewelf van water, dat alle zonlicht verre hield.

Meestal luidt het verhaal, dat Delos vroeger een drijvend eiland was, dus geen land in de eigenlijke zin van het woord. Deze armzalige, onvruchtbare aard≠schol durfde, wat geen ander land had gewaagd: het nam de door barensweeŽn reeds oneindig lang gekwelde Leto op! Als beloning hechtten goden het op vier zuilen vast op de bodem der zee. Het kreeg de naam Delos (delos = duidelijk zichtbaar) en werd het beroemdste eiland ter wereld, het was het geboorteland van de grote Apollo! Over de geboorte van zijn tweelingzuster Artemis wordt zelden gesproken. Volgens de dichter Callimachus kwam zij het eerst ter wereld zonder enige pijn voor de moeder. Op last van de Moiren verleende Artemis terstond hulp en bijstand aan haar moeder bij de geboorte van haar broeder Apollo.
 
 
 
05. Apollo
 
 
 
 
 
 


Geboorte

Uitvoerig beschrijft de "Hymne aan Apollo", hoe Leto angstig en gepijnigd rondzwierf van land tot land. Nergens werd haar toegang verleend, zo zeer vreesden allen de toom van de machtige Hera. Toen kwam zij naar het on≠vruchtbare Delos. Leto beloofde het eiland, dat niet vruchtbaarheid van' de bodem, geen rijke kudden, niet de wijnstok, maar haar zoon Apollo het kleine eiland beroemd zou maken. De ganse wereld zou zich er verenigen rond de altaren van Apollo. Het eiland uitte toen de vrees, dat de grote god Apollo na het aanschouwen van het levenslicht het kleine Delos zou verachten en het met de voet in de diepte der zee zou neerstoten. "Grote golven zullen dan over mij voortwentelen, polypen en donkerkleurige robben zullen in mij huizen, terwijl Apollo zich elders een welvarend land zal zoeken om zich daar een tempel te bouwen." Maar Leto bezwoer het eiland, dat Apollo's tempel op Delos zou komen te staan. Toen liet Delos Leto op zijn grondgebied toe.

Negen dagen en negen nachten doorsneden de weeŽn de aanstaande moeder, onuitsprekelijk waren haar pijnen. Alle goden verzamelden zich om haar heen, behalve... Hera. Hera hield uit jaloezie ook de geboortegodin Eileithuia op de Olympus vast. Heimelijk zonden de godinnen Iris tot Eileithuia om deze een prachtige gouden halsketen te beloven van negen ellen lang, als zij wilde komen. Terstond ging de godin mee omlaag, toen Iris haar uit de burchtzaal had geroepen. Toen begon voor Leto de stonde der bevalling. Beide armen om een palmboom geslagen, de knieŽn neergedrukt in het zachte gras, deed zij Apollo ter wereld komen. Alle godinnen juichten van vreugde. Zij baadden hem in kristalhelder water, wikkelden hem in het fijnste, blanke linnen en legden hem een gouden gordel aan. Aan de moederborst werd Apollo niet gelegd: Themis bood hem het nectar en de ambrozijn, terwijl Leto dankbaar toezag. Aanstonds groeiden de krachten van het kind zo snel, dat de gordel en de windsels van hem afvielen. Apollo rees op en vroeg om zijn lier en zijn boog! Hij kondigde aan orakels te zullen geven, die de onfeilbare wil van Zeus zouden onthullen. Vol bewondering staarden de godinnen hem aan! Delos, het eiland, overdekte zich met goud en met bloemen. Het goud was de honing der bijen.

Toen kwamen de vogels der Muzen, de zingende zwanen, aangevlogen. Onder schone gezangen cirkelden zij zevenmaal rondom het eiland. Apollo sprong op, hij spande zeven snaren aan de lier. De nymphen van het eiland namen toen het gezang van de zwanen over, zij zongen het heilige lied van Eileithuia. De hemel weerklonk van de prachtige zang, zelfs Hera vergat toen haar toorn. Zeus kwam tot zijn zoon, hij bracht hem de lier en een wagen, bespannen met zwanen. Zij moesten hem brengen naar Delphi, maar eerst ijlden zij heen naar het land van de HyperboreŽrs, het land van hun herkomst. Daar, in het land met de koele, heldere luchten, verbleef Apollo geruime tijd. Daar verkreeg hij de helderheid en de verheven sereniteit van zijn wezen. Vervolgens kwam hij naar Delphi. Maar alle negentien jaren, wanneer de sterren een bepaalde stand bereiken, keert Apollo terug naar het Noorden om er zelf zijn eigen hymnen te zingen.

Apollo en de slang

Een van de wonderen van Apollo is, dat hij reeds kort na zijn geboorte vrese≠lijke vijanden verslaat. De eerste was de Reuzenslang van Delphi. Dit monster≠lijke dier huisde in een hol bij de bron, waar vele mensen reeds de dood had≠den gevonden in zijn worgende greep. Aan dit dier, Delphune geheten, zou Hera de monsterlijke Tuphon hebben toevertrouwd om hem groot te brengen. Apollo schoot de ene pijl na de andere in de woest-kronkelende slang, totdat het beest levenloos bleef liggen. Eén schrijver meent, dat dit feit reeds vier dagen na Apollo's geboorte plaats had. Een ander vertelt heel schilderachtig, dat de kleine Apollo op de armen van zijn moeder was gezeten, toen het ondier op hen toeschoot. Anderen menen, dat het gevecht met de drakaina (vrouwe≠lijke slang) na zijn eenjarig verblijf in het Noorden plaats vond.

De Reuzenslang is een mythische voorstelling van Gaia of van Themis. Deze had in oeroude tijd een heilig gebied in Delphi, waar door orakels de toekomst werd voorspeld aan de voor-Griekse bevolking. Toen de Grieken het land bezet≠ten, namen ze menige eredienst over, andere moesten plaats maken voor die van hun eigen goden. De strijd met de Reuzenslang is de strijd tegen de duistere machten der aarde, die een rol speelden in de verering der doden. De Griekse adel, die de macht van de doden over de levenden niet erkende, trachtte in zijn godsdienstige opvattingen de verering van de Aarde als godin te vervangen door die van een der stralende goden van de smetteloos-blanke Olympus. Wie was daarvoor beter geschikt dan Apollo, zo dikwijls geprezen als de god van het licht? Hij verdelgde de Slang. De vrees voor de dood en voor de almacht der Aarde bestreed hij met het blijmoedige geloof in het licht en aan het leven. Op Delos mochten geen doden worden begraven! Apollo richtte de mens op van de aarde, hij deed de mens met franke blik omhoogkijken naar de klaarte van de hemel. In de Griekse religie, bovenal in de zuivere reinheid van de Apollo-gestalte, toont de mensheid, dat zij zich heeft ontworsteld aan de tirannie van het tijdperk, waarin de mens nog een holenbewoner is, die zich wanhopig verweert tegen de duistere krachten der natuur. Een volk, een tijd≠perk, dat zich een Apollo weet te scheppen, heeft de ware mens ontdekt: de mens, die zich door zelfstandig denken, door de kracht van de geest naar een hoger leven omhoog worstelt. Dat is de betekenis van de Griekse cultuur, dat zij de mens heeft ontdekt, de westerse mens. Apollo verslaat de Slang. De triomftocht van de westerse geest kan beginnen. Met de geboorte van Apollo is de Griekse, is de westerse mens geboren.

De orakeltempel van Apollo te Delphi
 


Apollo kwam naar Delphi, zegt de sage, hij versloeg daar de slang en stichtte er zijn grote tempel, de beroemde orakeltempel. Nimmer heeft een Griekse tempel zoveel betekenis en invloed gehad als de Apollo-tempel van Delphi. Gedurende acht eeuwen gingen van deze tempel uit orakels over Griekenland en omliggende landen. De priesters van Apollo gaven niet alleen uitsluitsel over de kansen van een komende oorlog, maar ook en vooral over alle geeste≠lijke vraagstukken van de mens en de samenleving. Zij gaven leiding en raad in godsdienstige en politieke aangelegenheden. Met name was dat het geval in de tijd, die voorafgaat aan de Gouden Eeuw van Griekenland, toen er grote geestelijke verwarring heerste, toen naar ordening en leiding werd gevraagd en gezocht. In die eeuwen kreeg "Delphi" een autoriteit zonder weerga. Zijn woord had gezag en was bindend voor vriend en vijand.

Delphi gaf geen uitleg uit een heilig boek, het bezat geen Bijbel of Koran, de tempelpriesters behoorden niet tot een priesterkaste, zoals het Oosten die kent. De mannen, die de antwoorden van Apollo samenstelden, waren gewone bur≠gers van adellijken huize, zij waren aristocraten ook naar de geest. Hun taak in de tempel beschouwden zij als een erezaak. Zij gaven geen nieuwe leer, zij hielden slechts de geestelijke stromingen binnen de grenzen van de traditie der vaderen. In alles gingen zij uit van de eerbied voor de goden en van de eerbied voor het mensenleven. Wie een medemens had gedood, diende schuld te erken≠nen en boete te doen. Ook Apollo moet zich reinigen na de moord op de Slang. Bloedvergieten verwekt de toorn der goden. Moord is meer dan een bevlekking. Als er geen straf of boete op moord zou volgen, zouden de wetten der samenleving alle zin verliezen. In deze eis tot boetedoening was Delphi onverbiddelijk. Aan de heiligheid der ongeschreven wetten, aan wat mag onder mensen en wat niet, hield Delphi streng de hand. De meineed bestreed het met alle midde≠len. Delphi wist zuiver te bepalen, wat er in het volk leefde en hoe het dacht. Het heeft zich de diepe volkswijsheid toegeŽigend, die later is samengevat in de Spreuken der Zeven Wijzen. Deze spreuken stonden vermoedelijk boven de hoofdingang van de tempel gegrift. Ken u zelven, was het eerste gebod, In niets te veel het tweede, Denk na, alvorens te doen het derde. De meest diepzinnige is en blijft de eerste spreuk: Gnoothi seauton, ken u zelven: weet, dat ge een mens zijt en niet meer dan een mens; erken het bestaan van een hogere Macht; eer≠biedig de goden. Er waren meer wijze spreuken: "Borgen baart zorgen", "Alles, wat ik werkelijk bezit, draag ik met (in) mezelf mee". Ook het veel geciteerde en gewoonlijk volkomen onjuist vertaalde "De mortuis nil nisi bene" staat op naam van een der Zeven Wijzen. Het betekent, dat men "over de doden op een goede manier" moet spreken: de dode kan zich niet meer verdedigen, als men hem ten onrechte van iets beschuldigt. De vertaling "over de doden niets dan goeds" is klinkklare onzin.

De invloed van Delphi op gewetensvragen is ook in de Griekse sagen merk≠baar. Op beslissende momenten van het verhaal wendt een stad of een held zich om hulp of raad tot het orakel van Delphi. Soms komt het uitstekend te pas, maar dikwijls werkt het uitermate storend, als steeds weer naar voren wordt gebracht, dat de mens slechts door Delphi tot inzicht en verstand kan worden gebracht. Te pas en te onpas is Delphi in de sagen ingeweven.
 
 
 
06. Artemis
 
 
 


Het leven in de natuur, in de bergwouden . . . klaterende bronnen. .. in het wild levende dieren. . . vrolijk stoeiende nymphen - zij vormen de sfeer, waarin de godin Artemis thuishoort, die door de Romeinen met Diana werd gelijk≠gesteld. Met groot behagen hebben beeldende kunst en literatuur de Griekse Artemis voorgesteld als heerseres over het wild, dat op de bergen en in de dalen leeft. Overal in de vrije natuur, waar zelden mensen plegen te komen, ijlt haar rijzige gestalte op lichte voeten voort, omstuwd door vervaarlijke everzwijnen of door sierlijke herten. Hoog rijst haar kloeke schoonheid uit boven de nymphen van haar gevolg. Artemis is een voortreffelijke jageres. Haar onfeil≠bare pijlen regelen de wildstand door te doden, wat schaadt of wat oud en gebrekkig is.

Geen Griekse godin kan Artemis evenaren in populariteit. Het was niet alleen de adel in de burchten, die haar als de godin van zijn lievelingssport de jacht, die uiterste krachtsinspanning en stalen zenuwen eist, vereerde. Voor de bur≠gers in de enge bergstadjes betekende Artemis meer. Voor allen, die gedwongen zijn binnen nauwe muren en in enge straatjes te leven, verpersoonlijkte Artemis het leven in de vrije natuur, waar de wisselwerking tussen de seksen wegvalt, waar een kuis en volstrekt rein leven mogelijk is. Artemis is de kuise maagd, aan wie de woeste drang der zinnen volslagen vreemd is. Geen uit marmer gehouwen vrouwenlichaam kan zo veel edele schoonheid en harmonische rein≠heid naar uiterlijk en innerlijk bezitten als de ranke gestalte van Artemis. Haar aanblik heft de mens op naar het eeuwige en loutert hem van het aardse. Deze heilige sfeer, dit waas van volstrekte reinheid geeft aan de godin Artemis een geheel eigen karakter.

In de religie is Artemis meer de godin van de fauna dan van de jacht. In Midden-Griekenland werd voor haar een soort Paasvuur gebrand, een jaarlijks terugkerend evenement, waarbij allerlei levende dieren te harer ere in de vlam≠men werden geworpen. Wanneer in de natuur een dier van ouderdom of door ziekte gestorven op de grond lag, meende men, dat Artemis het met haar zachte pijlen uit zijn lijden had geholpen. Hetzelfde werd gezegd, wanneer vrouwen een natuurlijke dood stierven: Artemis doodt de vrouwen, Apollo de mannen. De barende vrouwen is zij een hulp; de kleren der kraamvrouwen werden aan haar tempel in Athene gewijd. Op sommige plaatsen is zij meer in het bijzonder de godin der vruchtbaarheid. In Sparta was zij beroemd als Artemis Orthia, voor wier altaar zich elk jaar een rituele strijd afspeelde. De jongemannen, die in dat jaar de leeftijd hadden bereikt om in het leger te worden opgenomen, werden dan in twee groepen verdeeld en met stokken en zwepen uitgerust. Op het altaar lag een aantal kazen. De ene groep moest deze kazen trachten te roven, de anderen moesten dat beletten. Tegen het einde van Sparta's bestaan was het gewoonte geworden de jongens langdurig te geselen om hen op hun gehardheid tegen pijn en wonden te beproeven.

De Artemis (Diana) in Ephese (Klein-AziŽ) kent de Christenheid uit het ver≠haal in het Bijbelboek over de Handelingen der Apostelen. De stad Ephese trok een sterk vreemdelingenverkeer door de tempel van Artemis, die zo prachtig en indrukwekkend groot was, dat hij tot de zeven wereldwonderen werd gerekend. Tijdens de reis van de apostel Paulus ontstond er grote opwinding in Ephese, toen Paulus daar tijdens zijn langdurig verblijf grote indruk maakte en velen bekeerde. Vooral de zilversmeden, die als souvenir voor de duizenden toeristen zilveren Artemistempels vervaardigden, zagen in de verbreiding van het christendom een bedreiging voor hun broodwinning. In een rumoerige protestver≠gadering schreeuwde de opgewonden volksmassa twee uren lang: "Groot is de Artemis der EpheziŽrs!" De Artemis, die in de Griekse kolonie Ephese werd vereerd, heeft weinig uit te staan met de Griekse Artemis. Zij was, evenals haar moeder Leto, een moedergodin van Klein-AziŽ, die door de Grieken als vrucht≠baarheidsgodin met hun Artemis werd gelijkgesteld.

Door christelijke schrijvers in de tweede en vijfde eeuw na Christus wordt deze Artemis de godin "met de vele borsten" genoemd. Op grond van deze uit≠latingen en van bewaard gebleven kopieŽn van het beroemde Artemisbeeld heeft men gemeend, dat het godenbeeld in Ephese een groot aantal borsten als symbolen van vrucht≠baarheid zou hebben bezeten. Sindsdien hebben opgravingen het gebouwen≠complex blootgelegd; geen van de gevonden godenbeelden bleek echter derge≠lijke ongewone vormen te bezitten. Het is zeer wel mogelijk, dat de bewering in de hand is gewerkt door de afbeeldingen van de Ephesische Artemis, die op de stadsmunten voorkwam. Het oeroude godenbeeld staat op deze munten afgebeeld in feestgewaad, omhangen met slingers van dadels.

Wie de reinheid van Artemis of van haar gezellinnen belaagde, was een man des doods. Dat ondervond de beroemdste jager van de Griekse sagenwereld: Orion, een zoon van Poseidon. Kolossaal groot was deze Orion, hij bezat het vermogen over de oppervlakte van de zee te kunnen lopen. Side was zijn vrouw. Orion verloor haar door de dood, toen zij de schoonheid van haar lichaam hoger stelde dan die van Hera. Hij raakte aan het zwerven en kreeg op het eiland Chios de opdracht van de koning Oinopion het gevaarlijkste wild op te ruimen. Ondertussen maakte hij Merope, de dochter van de koning, het hof. Het meisje protesteerde hiertegen bij haar vader, die Orion dronken voerde, de jager de ogen liet uitsteken om hem vervolgens op het strand te laten neer≠werpen. Orion wandelde daarop naar de smidse van Hephaistos, nam er een jongen weg, die hij op zijn schouders zette om hem de weg te wijzen naar de plaats, waar de zon opgaat. En aanstonds gaven de eerste zonnestralen hem het gezichtsvermogen terug. Als een Razende Roeland stormde Orion naar Chios om Oinopion zijn misdaad betaald te zetten, maar de koning was tijdig in een schuilplaats onder de grond verdwenen. Ondertussen was Eos, de godin van de Dageraad, op de stoutmoedige jager verliefd geworden; voortvarend als de dageraad nu eenmaal is, had ze Orion meteen ontvoerd en op het eiland Delos gebracht. Daar achtervolgde Orion Artemis zelf of een harer gezellinnen. De godin zond een schorpioen op hem af en Orion stierf een smadelijke dood. Als sterrenbeeld werd hij naderhand onder de sterren opgenomen evenals de schor≠pioen, die Artemis had gered. Wie in de wereld der sterren thuis is, kan nu nog zien, dat Orion altijd op de vlucht is voor de Schorpioen.

 
 
07. Poseidon

   

In de achttiende en de negentiende eeuw kon men zich haast geen wandelpark met waterpartijen voorstellen zonder dat daarbij ergens een waterbassin voor≠kwam met een standbeeld van Poseidon, door de Romeinen gelijkgesteld met Neptunus. De god met de drietand, een kroon op het hoofd!

Poseidon was oorspronkelijk zeker niet de god van de zee alleen. Want in de zee kenden de Grieken een groot aantal goddelijke wezens. Elke baai, elke kuststrook, elke kaap had een eigen zeegod. Poseidon is veel meer dan de god van de zee; alle wateren van het binnenland, alle bronnen, alle meertjes en rivieren staan onder zijn macht. Met de drietand stoot hij op de aarde en een bron spuit op tot zegen voor het land. Met de drietand doet Poseidon nog meer: één stoot en de aarde beeft! Poseidon is de "aardschudder", hij is de god van de aardbevingen. Alle eeuwen door is Grie≠kenland door aardschokken geteisterd. Stadsmuren en huizen vielen uiteen, eilanden verdwenen, vloedgolven sloegen over de kust. Poseidon was de ver≠wekker ervan. Een zware aardschok en een aardlaag verschuift, een bron houdt Voor altijd op te stromen of elders treedt een nieuwe te voorschijn. Dat alles heeft Poseidon in de hand.

Poseidon behoort tot de oudste goden van de Grieken zelf; misschien kwam hij zelfs met hen mee uit Midden-Europa, toen ze na 2000 v. Chr. naar het Zuiden begonnen te trekken. Hij hoort dus in de eerste plaats in het binnenland thuis, in Griekenland, in BoeotiŽ en ArcadiŽ. De naam Poseidon of Potei-da-oon heeft vrij zeker met de aarde te maken: -don, -da-oon bevat het woord "da", dat "aarde" betekent. Als de nieuwste ontcijfering van het oudste schrift in Grie≠kenland (het MinoÔsche schrift uit 1600-1200 v. Chr.) juist is, komt de naam reeds in Myceense tijd voor als po-se-da.

Vooral in het Zuiden van Griekenland, in het midden van de Peloponnesus, werd hij als de god van de bronnen vereerd. Een bijzonderheid is, dat Poseidon daar, evenals ook op vele andere plaatsen, in de gedaante van een paard werd gedacht: de hoefslag van het paard slaat de bronnen. Bij Mantinea, in de bergen van ArcadiŽ, stond een tempel voor Poseidon Hippios (hippos=paard) met een bron van zout water. De bron mocht slechts door ingewijden worden gezien, anderen zouden er blind van worden. Geen wonder, dat in vele sagen Poseidon dan ook in paardengedaante optreedt. Hij werd geboren als zoon van Rhea en van Kronos, die al zijn kinderen placht op te slokken. Evenals in het geval van Zeus, in wiens plaats Rhea een steen aan de vader aanbood, gaf Rhea bij de geboorte van Poseidon een pasgeboren veulen aan Kronos (in plaats van het echte veu≠len, Poseidon zelf!). Zeus werd op Kreta grootgebracht onder de veilige hoede der Cureten, Poseidon kwam op het eiland Rhodus onder de hoede der Tel≠chinen. Zij zijn zonen van Pontos (Zee) en Gaia (Aarde); evenals de dwergen in de westerse folklore, kunnen ook zij alles maken, zij kunnen elke gedaante aannemen, kunnen het laten regenen, hagelen of sneeuwen. Voor Poseidon maakten zij de drietand, zo zegt deze sage. Jaloers van aard als dwergen nu eenmaal zijn, besproeiden zij later het eiland met water uit de Styx ; Rhodus werd daardoor geheel onvruchtbaar. Voor straf doodde Zeus hen met de bliksem.

Poseidon sluit vele huwelijken met bronnymphen, watergeesten en andere god≠delijke wezens. Het meest bekend zijn de verbintenissen met de godin Demeter en met de vreselijke Medoesa, waarin Poseidon als paard optreedt. Toen Demeter op zoek was naar haar dochter, werd ze door Poseidon achtervolgd. Om aan zijn liefdesdrang te ontkomen, veranderde zij zich in een merrie en begaf zich onder de stoeterijen van koning Onkios. Maar Poseidon volgde haar voorbeeld; bij Thelpusa in ArcadiŽ kwam hij als hengst tot haar. Demeter baarde twee wezens: een dochter, waarvan de naam geheim moest blij≠ven, maar die in soortgelijke sagen op andere plaatsen Despoina heet (Meeste≠res); verder een paard, het beroemde ros Areion.

Enkele sagen wekken de indruk, dat Poseidon als god van de aarde door andere godheden werd verdreven uit de landen, waar hij oudtijds werd vereerd. Goden zijn de schutspatroons van een bepaalde landstreek of stad. In Griekenland zelf is het Poseidon niet gelukt schutsheilige van een land te worden, steeds moest hij voor andere goden wijken. Zo streed hij met Helios om het bezit van de stad Corinthe. Briareos was scheidsrechter, hij wees de stad aan de zonnegod toe; Poseidon moest zich vergenoegen met het behoud van de Isthmos, de landengte tussen Zuid- en Midden-Griekenland, waar ter ere van Poseidon de Isthmische spelen werden gehouden. Met Apollo zou Poseidon om Delphi, met Dionusos om het eiland Naxos, met Zeus om het eiland Aegina hebben gestre≠den. Vooral het verlies van de voorrang in de stad Athene en in het land Argos heeft Poseidon zich erg aangetrokken. In Athene slaat Poseidon de zogenaamde Zee van Erechtheus, een "meertje" van zout water, dat bij Zuidenwind een geluid als van een golfslag liet horen. Maar de scheidsrechter, koning Kekrops, wees de stad toe aan Athena, omdat zij het eerst een olijfboom had laten ont≠staan. Uit woede liet Poseidon de korenschuur van Attica, de grote vlakte bij Eleusis, onder water lopen.

Het land van Argos beroofde Poseidon van alle bronnen, toen Inachos zijn rijk onder de bescherming van Hera had gesteld.

De god van de zee

Vooral in de grote heldensagen treedt Poseidon op als god van de zee. Evenmin als op de aarde is hij daar een beminnelijk heerschap; meer nog dan elders gedraagt hij zich op zee als een woeste geweldenaar. Zoals hij de aarde doet schokken en beven, zo verwekt hij op zee stormen met huizenhoge golven. Voor vissers en zeelui is het dan ook zaak door het brengen van offers vrede met hem te houden. Anders stoot hij met zijn machtige wapen, de drietand, de schepen in de diepte of drijft hij ze tegen klippen en rotsen. De drietand is de vork, waarmee in de visserij op grote vissen (vooral op tonijnen) wordt gejaagd. Ook andere godheden van de zee voeren de drietand; bij Poseidon behoort hij echter zoals de bliksem bij Zeus. Poseidon is de oppergod van de zee, alle andere god≠heden van zee en water erkennen zijn oppergezag. Zo willen het de dichters van Homerus af; aan Zeus dachten zij de hemel, aan Hades de onderwereld, maar aan Poseidon de zee toe.

Bij Aigai heeft Poseidon een gouden paleis op de bodem der zee. Daar woont hij met zijn officiŽle gemalin Amphitrite, een dochter van Nereus. Vandaar rijdt hij omhoog op een wagen, bespannen met paarden, en zweeft hij over het wateroppervlak zonder dat de bronzen wagen-as ook maar door een druppel wordt bespat. Onder hem krioelt dan de zee van grote vissen, die hun meester trouw begeleiden.

Andere goden van de zee

Naast Poseidon als oppergod kenden de Grieken vele andere goddelijke mach≠ten in de zee, die in tegenstelling met hun heer en gebieder een uitgesproken vriendelijk karakter hebben. Nereus heet de "Oude Man" van de zee. Uiterst welwillend helpt hij de zeevaarders. Hij is schuw van aard; bij de nade≠ring van mensen neemt hij alle mogelijke gedaanten aan, maar wie dan niet op de vlucht slaat, kan letterlijk alles van hem te weten komen. Dezelfde gewoonte had de robbengod Proteus, die door Menelaos werd ver≠schalkt.

Nereus is bovendien de vader van wel vijftig of honderd schone, schalkse zee≠meerminnen: de NereÔden (= dochters van Nereus). Zij zijn de nymphen van de zee; de Griekse fantasie zag hen altijd over en in de golven dartelen. Zij zijn altijd vrolijk, zij dansen en zingen altijd, ook als zij op hun gouden tronen zitten te weven in het paleis in de diepte der zee. Uit hun midden koos Posei≠don zich een echtgenote: Amphitrite. Ze was dan ook allerliefst, zelfs tegen een onechte zoon van haar man, die zijn vader kwam bezoeken.

De beroemdste der NereÔden is Thetis, de Zilverblanke, om wier liefde zelfs Zeus en Poseidon dongen. Zij werd de grote liefde van Zeus, omdat zij voor hem onbereikbaar was. . . Prometheus werd van zijn eeuwige straf verlost, toen hij Zeus het grote geheim openbaarde, dat een zoon van Thetis en Zeus de god van de wereldheerschappij zou beroven. Thetis kreeg Peleus, een sterveling, tot echtgenoot. Daarom trachtte zij elke keer, als zij een kind van hem had gebaard, dit kind onsterfelijk te maken. Het lukte haar nimmer, elk kind stierf onder haar behandeling. Toen zij de kleine Achilleus had gebaard, werd ze er door haar man op betrapt, dat ze de pasgeborene in het vuur hield. . . Sprakeloos van woede en spijt verliet de zeemeermin haar sterfelijke echtgenoot, nimmer keerde zij tot hem terug. . . Sindsdien woonde zij weer in haar vaderlijk huis, waar hare zusters haar troostten in haar verdriet. Telkens als haar zoon haar roept, komt Thetis aangesneld, de zusters begeleiden haar trouw. Als Thetis' grote zoon is gesneuveld, zingen alle NereÔden de lijkzangen rond de baar...
 
 
 
08. Demeter en 09. Kore
 
            
 
 

In het landschap ArcadiŽ verbindt Poseidon zich met Demeter. Daar is Demeter een godin van de natuur en de dierenwereld. In andere landschappen van Griekenland heeft zij een ander karakter. Haar te beschouwen als een Moeder Aarde is niet geheel juist. Van het woord De-meter betekent -meter "moeder", maar van het eerste deel is het niet zeker of de- of da- in deze naam hetzelfde is als ge of ga (aarde); de- kan ook "gerst" betekenen, in welk geval De-meter de Moeder van de gerst, de "Moeder van het Koren" zou kunnen zijn. Uit de mythe van Demeter blijkt, dat zij de goddelijke macht voorstelt, die het graan op de akker doet kiemen en rijpen; zij is de godin van het koren, de korenmoeder. Onverbrekelijk met haar ver≠bonden is haar dochter ,,Kore", het Griekse woord voor meisje of dochter. Samen vormen zij een eenheid. Vaak heten zij tezamen eenvoudig "de beide Godinnen" of "de Oude en de Jonge". Zij zijn de machten van het kiemende en rijpende graan. De Moeder blijft het gehele jaar door op de aarde. De Doch≠ter verrijst in de zaaitijd uit de aarde en keert na de oogst daarin terug.

Deze beide godinnen, Moeder en Dochter, werden overal vereerd, waar land≠bouw werd uitgeoefend. Zaai- en oogsttijd gaven vanzelf aanleiding tot reli≠gieuze feesten. De verering van Demeter, de opstanding en het heengaan van de Dochter vormden de religieuze achtergrond van menig feest. Het Thesmo≠phoria-feest is het algemene Demeter-feest, dat door de boerenbevolking van geheel Griekenland overal werd gevierd. Het was uitsluitend voor de vrouwen bestemd en het had plaats in de zaaimaand. Uit onderaardse bergruimten werd, te zamen met het daar bewaarde zaaikoren, het bedorven varkensvlees voor de dag gehaald, dat er lang tevoren was neergelegd. Nadat het op de alta≠ren was gelegd, strooiden de boeren het vlees in kleine stukjes samen met het zaaikoren uit over het zaaiveld. Thesmo- betekent "het in een graf neergeleg≠de", phoria "het uitdragen"; Thesmophoria is het uitdragen van het varkens≠vlees over de akker.


Ten westen van Athene begint de voor Griekse begrippen grote landbouw≠vlakte van Eleusis; hier werd koren verbouwd. Hier ontwikkelde zich een cen≠trum van godsdienstige verering van Moeder en Dochter. Het hoogtepunt van het grote feest in Eleusis was niet voor iedereen toegankelijk, maar slechts voor ingewijden. Ter voorbereiding van het gemoed der feest≠gangers werd eerst de nu volgende mythe voorgedragen. Er is namelijk uit zeer vroege tijd, uit de zevende eeuw voor Christus, een hymne aan Demeter bewaard gebleven. Het gedicht vertelt, hoe Demeters dochter door de God van het Dodenrijk werd geroofd, hoe de moeder vruchte≠loos haar kind zocht en ten slotte uitgeput in Eleusis aankwam. Demeter wei≠gerde in haar droefheid terug te keren naar de goden op de Olympus. Op de aarde ontstond hongersnood, goden en mensen verkeerden in wanhoop. Maar dan komt in Eleusis het blijde einde, Demeter kan weer lachen, haar dochter mag gedurende de langste tijd van het jaar het Dodenrijk verlaten om bij haar moeder te zijn: het leven in de natuur begint weer, de aarde lacht, het koren ontkiemt, een vredige rust komt over goden en mensen...

 

Hades rooft Kore
 
 
 

Op het einde van de lentetijd, toen de aarde op haar mooist was getooid, was het schoonste meisje, dat de wereld ooit zag, aan het bloemen plukken. Zij, de dochter van Demeter, plukte rozen, irissen en andere soorten zonder tal, en maakte een heerlijk bouquet van wat de weelderige natuur in overdaad bood. Zo veel had Kore op het laatst, dat zij haar bloemenweelde met beide armen moest omvatten. En toen, toen gebeurde het verschrikkelijke! Ineens scheurde plotseling voor haar voeten de aarde uiteen! Uit de gapende afgrond verrees op zijn wagen de Heer van het Dodenrijk, hij rukte het jammerlijk-gillende maag≠delijn mee in de diepte. . . Luid klonk nog haar smeekgeroep over bergen en zeeŽn. . . Geen van de goden, die de wandaad bemerkte. . . alleen Hekate en Helios hoorden de kreten om hulp en op het aller-, allerlaatst, toen reeds de aarde zich boven haar sloot, hoorde ook de moeder de doodsgil van haar dochter.. .

VanwŠŠr, vanwŠŠr kwam dit geluid? Doelloos, met brandende fakkels in de hand, zocht Demeter rond over de aarde... Goden en vogels vroeg zij om hulp en om raad, maar niemand, die haar de waarheid durfde te vertellen. Zonder aan eten of drinken te denken, stormde Demeter voort door de landen, negen dagen lang. Toen, op de tiende dag, ontmoette zij Hekate; aan haar vroeg Demeter, wie van de goden Persephone (zo heet Kore in de onder≠wereld) toch kon hebben geroofd. Samen kwamen zij bij Helios, Demeter vertelde van de gil, die haar het moederhart had verscheurd. . . Met deernis ant≠woordde Helios haar: het was de wil van Zeus, dat zijn broeder Hades Perse≠phone tot echtgenote zou hebben; het was Hades, die het meisje roofde. En Helios troostte de moeder met de gedachte, dat de Gebieder der Doden, haar eigen broeder, haar als schoonzoon niet onwaardig was.

Maar Demeter kon het onuitsprekelijk verdriet om het verlies van haar enige dochter niet verwerken. Zeus was de vader, zij de moeder. Hoe kon Zeus dit gedogen? Demeter hield zich verre van de goden en de Olympus, zij verwaar≠loosde haar schoonheid, zij verwelkte met de dag en teerde weg van ellende. Niemand herkende haar meer, zij was een stille, oude vrouw geworden. In de vlakte van Eleusis bij de Maagdenbron, vanwaar de mensen het water haalden, daar in de schaduw van een olijfboom, zeeg zij terneer. . . In alles geleek zij nu op een oude vrouw, uit wie voor altijd de lusten der liefde zijn weggegleden. . . en die géén kinderen meer zal baren. . .


Eleusis

Meisjes naderden de bron, waar Demeter was neergezegen. Het waren de hupse dochters van Keleos, die water kwamen halen. Zij herkenden de stille gedaante niet. Verbaasd vroegen zij, waarom een oude vrouw als zij niet onder de mensen was, die haar konden verzorgen in haar ouderdom. Droef antwoordde Demeter: "Ik. .. ik ben een... vreemdelinge uit Kreta. Zeerovers roofden mij... als slavin wilden ze mij ergens verkopen. .. hier aan de kust wist ik aan hen te ontkomen... Weten jullie niet ergens een huis, waar ik werk voor mijn handen kan vinden? Ik zou nog heel goed een kind kunnen verzorgen, tegelijk kan ik dan toezien op het huis, het bed van mijn meesters bereiden en het werk van de slaven regelen."

Geestdriftig roept het knapste van de meisjes uit, dat zulk een eerbiedwaardige dame als de vreemdelinge - "U lijkt wel een godin" - zeker in elk huis gaarne zal worden opgenomen. Bij hen thuis is een nakomertje geboren. . . De vreem≠delinge zou ruime verdiensten krijgen, meent het meisje, als zij het kind wilde grootbrengen. En ze stormden al weg om het te gaan vragen! Hun moeder was het dadelijk eens met het plan en de meisjes wisten van blijdschap niet hoe hard ze naar de bron zouden lopen. Weldra liep Demeter, in donker gewaad gehuld, achter hen aan naar het huis, waar de moeder (Metaneira) al met de jonggeborene op de arm stond te wachten. Maar zie! Terwijl de meisjes jui≠chend op de moeder toevlogen, rees de gestalte van de godin bij het betreden van de burchtzaal tot haar ware grootte en vervulde de ruimte met een stralend licht. . . Overweldigd door de goddelijke verschijning stond de moeder ijlings op om de vreemdelinge haar eigen zetel aan te bieden. Maar stil, met neerge≠slagen ogen, weigerde Demeter, zij wachtte totdat de dienstmaagd Iambe met het dek van een schapenvacht een stoel voor haar neerzette. Geen woord kwam over haar lippen, geen spijs raakte zij aan, te groot nog was het leed van de herinnering. . .

De trouwhartige Iambe wist echter met haar scherts een verandering te brengen in de bedrukte houding van de godin. Van tijd tot tijd kwam er even een stille glimlach om de stijf samengeknepen lippen. Maar toen de boerendeern zich een schaamteloze grap veroorloofde, barstte de godin plotseling in een schaterlach uit. Op slag was haar stemming verbeterd! Ook later was het altijd Iambe, die de neerslachtigheid van de godin door haar boerse humor wist te verdrijven. Iedereen in de zaal ademde verlicht op en de vrouw des huizes bood snel een beker wijn. Maar Demeter verklaarde geen rode wijn te mogen drinken en verzocht om water met wat meel en kruizemunt. Toen vroeg Metaneira of de vreemde vrouw bereid was haar jongste kind, dat ze zo laat nog had gekre≠gen, voor haar op te voeden. Dankbaar aanvaardde Demeter het voorstel. Zij verzekerde middelen tegen kinderwormen en alle andere kinderziekten te hebben.

Daarop nam zij de zuigeling van de moeder aan en legde de kleine Demophon tegen haar welriekende boezem. Met blijde trots keek de moeder toe. Van toen af aan verzorgde Demeter de kleine. Snel en voorbeeldig groeide hij op zonder ooit van de moederborst te drinken, zonder enig voedsel te ontvangen. Want Demeter wreef hem in met ambrozijn, als was hij een godenzoon. Zij ademde zacht op hem, wanneer hij tegen haar borsten lag. 's Nachts hield zij hem in het geheim in het vuur om hem onsterfelijk te maken. Met verbazing staarden de ouders naar het bloeiende uiterlijk van de jongen, die veel sneller groeide dan een sterfelijk kind. Het zou Demeter zeker zijn gelukt hem de eeuwige jeugd en de onsterfelijkheid te schenken, als Metaneira niet op een nacht naar binnen had gegluurd en haar kleine lieveling daar in het haardvuur had zien liggen. Gillend kwam zij naar het kind toestormen. Vertoornd rees Demeter op, terwijl zij de kleine behoedzaam uit het vuur tilde en op de grond neerlegde, en zei tot de moeder: "Gij mensen, hoe onwetend zijt gijlieden, hoe weinig in staat het goed van het kwaad te onderscheiden! Zie, door uw onverstand hebt ge u thans groot onheil berokkend! Uw kind hier zou onsterfelijk zijn geworden en eeuwig jong zijn gebleven. . . thans wacht ook hem de dood der stervelingen. . . Onver≠gankelijke eer zal hem echter blijven, omdat hij in mijn armen heeft geslapen: ik ben Demeter! Bouwt mij hier een tempel en altaar, ik zal u de heilige myste≠riŽn leren, waarmee ge mijn hart gunstig voor u kunt stemmen."

Bij deze woorden toonde Demeter zich in haar ware gedaante: in plaats van een oude vrouw stond daar de machtige godin in haar rijpe, stralende schoon≠heid, een verrukkelijke geur vervulde het huis, licht straalde van haar af, een weelde van goudblond haar viel neer over haar prachtige schouders. Majesteitelijk schreed de grote godin heen uit het paleis. . .

Lang lag de koningin in onmacht, nog langer bleef zij sprakeloos, het kind liet zij onverzorgd liggen. . . Maar de kleine begon krachtig te huilen, zijn zusters ontwaakten door zijn geschreeuw. Snel pakte de een hem op, een ander blies het vuur aan, terwijl de anderen de moeder overeind hielpen en wegleidden. Zij baadden hun jonge broer, zij vertroetelden hem met de grootste zorg, maar het hielp alles niets, zij konden hem niet stil krijgen: hij was aan heel andere handen gewend, deze bevielen hem allerminst!

De tempel voor Demeter werd gebouwd, de godin nam er haar intrek. Nog steeds overmeesterd door het verdriet om het verlies van haar dochter, hield Demeter het koren in de aarde. Het werd een rampjaar voor de mensen, de grond leverde niets meer op: hoe vaak ook de ossen het land beploegden, het zaaigraan ontkiemde niet. Hongersnood stond voor de deur, het mensenras dreigde uit te sterven. De goden zouden dan ook geen offers meer ontvangen.

Eindelijk, in de allerhoogste nood, zond Zeus de snelle Iris om Demeter bij zich te roepen, maar het was tevergeefs! In zwarte gewaden gehuld zat Demeter roerloos in haar tempel. . . Achtereenvolgens kwamen al de goden haar bidden en smeken, doch geen kon haar hart vermurwen. . . De schoonste geschenken werden haar geboden, Demeter mocht zelf zeggen, welke voorrechten zij onder de goden wenste, niets hielp. . . Telkens herhaalde zij met toonloze stem, dat zij geen voet op de Olympus zou zetten, dat géén zaaikoren op aarde zou ont≠spruiten, vůůr en aleer zij haar dochter in levende lijve vůůr zich zou hebben gezien . . .

Hermes brengt Kore terug bij Demeter

 
 
Terugkeer van Kore-Persephone

Toen zond Zeus Hermes af naar de onderwereld ten einde Hades te overreden Persephone naar de bovenwereld en de goden te laten gaan, opdat haar moeder haar toorn zou staken. . .

Hermes zag naast de Heer der Doden de indrukwekkende figuur van Perse≠phone zitten. Heel de houding van de schone, jonge vrouw ademde opstand en verzet, haar hart ging uit naar de moeder. . . Toen Hermes had verteld van het gevaar, dat mensen en goden bedreigde, wendde de wijze echtgenoot zich om naar zijn jonge, wrokkende gade en sprak 'met een nauw merkbare glim≠lach: "Ga gij dan heen naar uw moeder. Doch toorn dan ook niet langer tegen uw lot! Toon u genadig en mild! Ik zal u een echtgenoot zijn, die uwer zeker niet onwaardig is: ik ben toch de broeder van Zeus! Zijt ge hier bij mij, dan zult ge heersen over al de levenden en de grootste eerbewijzen der goden zullen uw deel zijn! Eeuwige straf zal er voor hen zijn, die u niet voldoende zullen eren."

Terwijl het jonge meisje opsprong van blijdschap, liet Hades haar, zonder dat Hermes het bemerkte, een verzoete pit van een granaatappel eten, anders zou zij nimmer tot hem terugkeren. Op de gouden wagen van Hades trok Hermes met haar heen. In razend tempo ijlden de paarden over afgronden en bergen door de lucht, totdat zij de tempel van Demeter bereikten. Bezeten van vreugde stormde de goddelijke moeder, alle waardigheid vergetend, naar buiten. De dochter sprong in haar armen. Bevend van spanning vroeg de moeder: "Mijn kind. . . hebt ge soms iets gegeten daar beneden? Zeg me . . . zeg me alles. . . als ge niets hebt gegeten, kunt ge altijd bij mij blijven en bij uw vader. Maar anders zult ge een derde van het jaar in de schoot van de aarde verwijlen, de andere tijd zijt ge dan hier. Elk jaar, wanneer de aarde weer groen wordt en de bloemen ontluiken, zult gij tot goden en mensen wederkeren: bewonderend zullen allen u aanstaren."

"Moeder," antwoordde Kore, "de waarheid is, dat Hades mij ongemerkt een granaatappelpit liet eten, toen ik na de komst van Hermes opsprong van blijd≠schap." Uitvoerig verhaalde zij haar moeder, hoe Hades haar roofde, toen zij naar hartenlust plukte van de weelde van bloemen in de lentetijd. Lang duurden de gesprekken tussen Moeder en Dochter, totdat Zeus hen beiden uitnodigde naar de Olympus te komen.

Demeter liet in de aarde het zaad ontkiemen, een groen waas legde zich over de vlakte, overal gingen de bloemen open en ontvouwde zich het frisse loof. In Eleusis onderrichtte zij Triptolemos, Keleos en de anderen in de heilige handelingen der mysteriŽn. De mens mag tegen deze mysteriŽn geen overtreding begaan, een niet-ingewijde mag ze niet uitvorsen, een ingewijde ze niet aan onbevoegden bekendmaken. Gelukkig is hij, die de mysteriŽn van Eleusis heeft gezien! Want wie zich niet heeft laten inwijden, diens lot zal anders verlopen, ook na de dood.
 
 
HELIOS, EOS EN SELENE

Officieel behoren zij geen van drieŽn thuis in een reeks van Olympische goden, maar men mag hen toch wel tot de familie der grote goden rekenen. De god van de zon (Helios) en de godinnen van de dageraad (Eos) en de maan (Selene) zijn alle drie kinderen van de beide Titanen Huperion en Theia. De ouders van Zeus, Poseidon, Demeter en Hades zijn broer en zuster met de ouders van Zon, Maan en Dageraad. Daarom hebben zij er recht op hier in het midden van de grote goden te staan.

 

10. Helios
 
 
 

Een grote, sterke man, verbluffend schoon van uiterlijk, het hoofd omgeven door een krans van gouden zonnestralen - ziedaar de Griekse voorstelling van de Zonnegod Helios (bij de Romeinen: Sol). Het is zijn taak dagelijks met ijzeren regelmaat de zon te doen verrijzen. Staande op een wagen met een snui≠vend vierspan rijdt Helios langs de hemelkoepel. Zijn dagtaak eindigt pas, als hij tegen het einde van de dag in het Westen aan de horizon van de zee is afge≠daald. Deze dienstbaarheid en zijn onvervangbaarheid zijn mede de oorzaken, dat hij niet tot de eigenlijke Olympische goden behoort. Helios staat in dienst van de goden. Wie zou anders dit vaste dagelijkse werk moeten doen? Evenals de rijke grootgrondbezitters van de aarde hebben de grote goden wel alle rech≠ten, maar zij zijn niet verplicht om dagelijks op bepaalde uren werk te verrich≠ten. Gelukkig voor de goden stond Helios in de strijd tegen de Titanen aan de zijde van Zeus, anders was hij ook naar de Tartaros verbannen en had een van hen de vacature van bestuurder van de zonnewagen moeten vervullen! Maar de Titaan Helios wist zijn vaste positie in de wereld te behouden; sinds de schep≠ping van het heelal doet hij onverpoosd zijn werk.

Zijn onmiddellijke chef is Zeus, de god van de hemel. Zeus kan Helios zelfs gebieden niet te verschijnen. Dat is eens gebeurd, toen Zeus de schone Alkmene drie dagen en nachten achtereen beminde, de dagen werden nachten, onge≠stoord ging het liefdesspel voort. Zeus kan ook de zonnewagen laten stoppen en terugkeren. In de wedstrijd tussen Atreus en Thuestes bewoog de zon zich plotseling achterwaarts en ging in het Oosten onder om sindsdien in het... Westen op te komen! Altijd kunnen de goden zich op Helios verlaten, nimmer zal hij zijn diensten staken, behalve wanneer hij op aarde al te gruwzame dingen ziet gebeuren. Toen de genoemde Atreus de zoon van Thuestes als spijs aan zijn vader voorzette, vlood de zon terug naar zijn punt van uitgang: toen het Westen. Dat is volgens Romeinse dichters de reden, dat sedertdien de zonsopgang weer normaal in het Oosten plaatsvindt!

Het bijzondere voorrecht van Helios is, dat hij, het oog van de zon, alles ziet, wat er op aarde gebeurt. Prompt waarschuwt hij de smidsgod Hephaistos elke keer, als diens liefdevolle gade heimelijk haar minnaar Ares bij zich heeft. Voor het oog van de zon, wiens stralen tot in alle schuilhoeken door≠dringen, blijft niets verborgen. Dat bemerkten ook de makkers van Odysseus toen ze de Runderen van Helios op SiciliŽ verorberden. Zij hadden er op gerekend bij hun terugkeer in het vaderland dit vergrijp jegens Helios met een tempel en met offers weer goed te maken, maar de berekening kwam niet uit: enkele uren later waren zij al dood! Zelf kan Helios niet straffen, als wagen≠bestuurder kan hij niet worden afgeleid voor zulk werk; het was zijn hoogste chef, de opperbestuurder van de wereld, die hen trof met donder en bliksem!

Niemand is onmisbaar in deze wereld, pleegt men wel te zeggen, maar er is toch één uitzondering: Helios. Aan de zon en het licht dankt de wereld haar instandhouding. Zonder zon was er de duisternis van de dood. Bij andere volken is daarom de Zon dikwijls de hoofdgod. Dankbaar ademt de schepping weer op, als na de inktzwarte nacht de gouden zon boven de horizon rijst. Een dichter als Homerus is zozeer gegrepen door deze machtige gebeurtenis in de natuur, dat hij nimmer nalaat de komst en de opgang van de zon in brede, plechtstatige woorden te verheerlijken. Helios is onvervangbaar, zoals dadelijk zal blijken uit het droevige lot van PhaŽthon, Helios' zoon, die voor één dag de teugels der zonnepaarden in handen kreeg.

Overbekend is, hoe Helios het klaarspeelt na de ondergang in het Westen vůůr de volgende morgen de zonnewagen weer op tijd in het Oosten te hebben. Wanneer de zon in de Oceaan neerzakt, ligt daar de zonneboot, of liever de zonnebeker, gereed om paarden en wagen onder de aarde door of over de zee naar het punt van uitgang terug te brengen. Deze weg was veel korter dan die langs de bolvormige hemelkoepel: de Grieken dachten zich de aarde aanvanke≠lijk als een platte schijf met daaromheen de Oceaan.

Helios is vader van beroemde kinderen. Van zijn gade PerseÔs (een dochter van de Titanen Okeanos en Tethus) had hij Kirke, PasiphaŽ, AiŽtes en Perses. Zijn kinderen hebben een zeldzame gouden glans in de ogen. Zonder haar nicht Medeia ooit te hebben gezien, herkende Kirke deze dochter van haar broer AiŽtes terstond aan deze gouden glans, hoewel Medeia haar naam en afkomst geheim trachtte te houden. De gouden Zon heeft veel geluk in de liefde, de vrouwen zijn aanbidsters van de zon, ook in onze tijd! Maar het is verkeerd, elkaar een goed plekje in de zon te misgunnen, zoals de geschiedenis van Klutia leert. Klutia was jaloers op LeukothoŽ, de geliefde van Helios. Zij verklapte het zoete geheim aan de vader, toen Helios haar liefde afwees. Het liep anders dan zij verwachtte. De vader liet Klutia in een afgrond werpen.

Maar Helios keerde nimmer weer tot LeukothoŽ, die van liefdessmart verteerde en in een heliotroop werd veranderd: de bloem, die altijd haar hoofdje in voortdurende aanbidding met de zon meedraait.

Toen de goden de landen der aarde onder elkaar verdeelden, was Helios ambte≠lijk verhinderd daarbij aanwezig te zijn, de anderen hadden hun trouwe die≠naar geheel vergeten. Toen Helios zich bij Zeus kwam beklagen, bood deze de harde werker zijn verontschuldigingen aan, zelfs wilde hij de verdeling her≠roepen. Helios zag echter een nieuw, vruchtbaar land van de zeebodem ver≠rijzen: het eiland Rhodos. Hij vroeg Zeus dit land aan hem te geven. Bij de nymph van dit eiland, Rhode, kreeg hij zeven schrandere zonen, die naar hun vader Heliaden worden genoemd. Gewoonlijk verstaat men onder de Helia≠den (= dochters van Helios) de zeven dochters van Helios en Klumene. Deze Klumene schonk hem één zoon: PhaŽthon.


11. Eos

 
 
 
 
De rozenvingerige Dageraad... Hoeveel moderne stadsmensen hebben ooit de verschijning van de Dageraad beleefd? Hoeveel zijn er, die hebben waargeno≠men, dat inderdaad enkele seconden vůůr het eerste tipje van de zon zichtbaar wordt, de prachtige rose vingers langs de heldere hemel verschijnen om vrijwel onmiddellijk daarna te vervagen door het licht van de opduikende zon? De verschijning van de dageraad is een grootse en poŽtische natuurgebeurtenis. Zij kan de teerste gevoelens wakker roepen. . . gevoelens van verliefdheid. . . verlangens naar overgave en trouw. . . verlangen naar de ander. . .

Eos, bij de Romeinen Aurora geheten, is de zuster van de zonnegod Helios en van de maangodin Selene. Zij, de godin van de Dageraad, is altijd verliefd! Zelf beeldschoon, houdt zij van mannelijke schoonheid. Zoals de frisse dageraad de mensen in de vroege morgen tot kloeke voornemens inspireert (morgenstond heeft goud in de mond), zo neemt Eos in liefdeszaken het liefst zelf het initia≠tief: zij rooft telkens eenvoudigweg de man, die zij wil hebben! Volgens het geleerde werk van Apollodorus had zij deze vrouwelijke Don Juannerie aan Aphrodite te danken: de schone Morgenstond zou haar Ares hebben afgesnoept. Uit wraak zou Aphrodite Eos toen hebben gestraft met eeuwige verliefdheid. Maar Eos, de frisse, opgewekte godin, weet zelf toevallig heel goed, wat zij wil! Op een eigen vierspan jaagt zij 's morgens voor de zon uit, wit en rood zijn de kleuren, waarin zij verschijnt. Fris als de dauw, actief en doortastend door haar dagelijks werk in de vroege morgen, betekent zij een gevaar voor schone mannen.

Niet alleen roofde Eos de om zijn knappe verschijning beroemde Kleitos, een kleinzoon van Melampoes, maar, flink als zij is, kreeg zij het zelfs gedaan, dat Zeus hem onsterfelijk maakte. De schone jagersman Kephalos, bekend om zijn romantisch leven met Prokris, werd eveneens door Eos ontvoerd, doch wist later te ontkomen. Met de wilde jager Orion beleefde Eos een liefdes≠roes op het eiland Delos, waar Artemis hem doodde.

Eos' grote liefde was Tithonos, de oudste broer van de Trojaanse koning Priamos. De dynastie van Troje telt vele mooie mannen: Ganumedes, die door de goden tot wijnschenker op de Olympus werd verheven; Anchises, door wie Aphrodite zich liet omhelzen, Paris, die door zijn betoverend uiterlijk Helena's hart in vuur en vlam zette. Eos echter had al haar zinnen op Tithonos gezet; met de bekende voortvarendheid, de Dageraad eigen, nam zij Tithonos dus weg! Aan de boorden van de oceaan, ver weg in het Oosten, genoot zij in volle overgave zijn liefde. Ook hem schonk Zeus op haar verzoek de onsterfelijkheid. Maar, verward en gehaast van verliefdheid, vergat Eos iets te vragen: de eeuwige jeugd. Na gezette tijd begon Tithonos derhalve oud te worden, zijn slapen werden grijs, het hoofdhaar viel uit. Trouw bleef zij hem verzorgen, maar sla≠pen moest hij voortaan alleen. . . Steeds ouder en ouder werd Eos' geliefde. Op het laatst was hij ineengeschrompeld tot een zielig oud mannetje, zo licht als een veertje, dat een windzuchtje had kunnen wegblazen. Uit voorzorg zat hij daarom altijd opgesloten in een kamer; zich bewegen kon hij trouwens toch niet meer. Aanvankelijk kon Tithonos nog enkele woordjes mummelen, maar later ging ook dat niet meer en bracht hij slechts rauwe, hese geluiden voort als het zwakke gesnerp van een krekel. Sagen van jongere datum vertellen dan ook, dat hij in een krekel veranderde. "Ouderdom van Tithonos" werd een gevleugeld woord; erger dan de dood is een hulpeloze ouderdom, zo meent de dichter Mimnermos.


12. Selene
 
 
 


Als de godin van de maan zich aan de hemel vertoont, golft de vloed van het milde licht uit de gouden stralenkransen van haar hoofd. Voordat zij verschijnt, baadt zij haar schone leden in de oceaan; dan kleedt zij zich in stralende gewa≠den en bestijgt de wagen met het tweespan. Zo komt zij in de avond boven de aarde, alle sterren verbleken bij haar verschijning. Elk ontvankelijk gemoed wordt geroerd door de stille pracht van het langzaam voortglijdend, zilveren maanlicht. De stralende glans van de vredige, doodstille natuur lokt tot stame≠lende liefdesontboezemingen, tot verrukking van verliefde harten.

Evenals haar zuster Eos is Selene (bij de Romeinen: Luna) onophoudelijk ver≠liefd. Haar oog straalt over romantische bergen en dalen, over bossen en zacht≠ kabbelend water. Daar, in de natuur, huist Pan. Hem bemint zij, hem volgt zij op al zijn sporen. Het meest bekend is de liefde van Selene voor de weke schoon≠heid van de herdersknaap Endumion. Zeus, de vader van Endumion, stond zijn zoon toe te sterven ůf een eeuwige jeugd te genieten in een eeuwige slaap. Endumion verkoos het laatste. Hoog in de bergen van KariŽ in Klein≠ AziŽ lag hij vredig terneer in diepe sluimer. Selene zag hem daar elke avond. . . Zij kreeg hem lief. . . In de nacht daalde zij tot hem af en vlijde zich op hem neer om hem te kussen. . .

In het Griekse landschap Elis werd een zelfde verhaal verteld, doch in dit ver≠haal beantwoordde Endumion de diepe liefde van Selene: zij, de godin van de Maan, baarde hem ... vijftig dochters. Daarom werd in Elis om de vijftig maanden het grote, nationale feest der Olympische spelen gehouden; de maan≠den zijn de dochters van de Maan.
 
 
 
 13. Hermes
 
 
 

Hermes (niet te verwarren met Hermes Trismegistos) is de jeugdig uitziende god met de vilten herdershoed; in de hand houdt hij de staf der herders. Hermes is de bode der goden. Van oorsprong is hij de god van de herders: op afbeeldingen draagt hij een ram of een lam. Afkomstig van het bescheiden herdersvolkje heeft Hermes op de Olympus daarom slechts de bescheiden functie van bode en heraut.

Herders moeten voortdurend oppassen, dat er geen dieren uit hun kudde wor≠den gestolen. Veedieven gaan met list en sluwheid te werk, ook de herders zelf roven van andere kudden, wat hun wordt ontstolen: Hermes is de god van de gewetenloze slimheid, de god van de dieven. Door list en bedrog vermag Hermes soms meer dan een ander. Hij is de eeuwige bedrieger. Dat komt duide≠lijk tot uitdrukking in de sagen over de gebeurtenissen op de dag, dat Hermes werd geboren. Ook blijkt daaruit, dat hij de uitvinder is van vele dingen, zoals van de lier en de kunst om vuur te maken door stokjes tegen elkaar te wrijven.

Overal in het land lagen steenhopen met een grote steen middenin. De grote stenen waren "beelden" van Hermes, zij waren de wegwijzers van de Griekse Oudheid. Aan deze steenhopen dankt Hermes zijn naam: "Hermes" betekent "hij-van-de-steenhoop". Hermes geleidt de reizigers en trekkers, hij beschermt hen tegen de gevaren van rovers en wilde dieren. In een stad als Athene stonden de "Hermen" aan vele huisdeuren.

Als god van de reizigers (meestal handelaren en kooplieden) werd Hermes de god van handel en verkeer. Dat werd hij vooral bij de Romeinen, die hem kenden onder de naam van Mercurius.

Steenhopen zijn dikwijls het teken, dat ter plaatse een dode ligt begraven. Hermes is de geleider der doden op hun weg naar hun laatste verblijfplaats. Zijn staf is een toverstaf, hij doet er de mensen mee inslapen om hen te kunnen beroven. Als heraut en bode der goden heeft Hermes een gouden staf met een tweetandige vork, die in de vorm van een 8 is gestileerd.

Wonderbaarlijk zijn de daden, die de kleine Hermes reeds op de dag zijner geboorte weet te verrichten. 's Morgens geboren, speelt hij 's middags reeds op een zelfvervaardigde lier, in de namiddag rooft hij de runderen van Apollo!

 

14. Pan

 
 
 
 
Op een zomerdag kan in een bos soms volmaakte rust en stilte heersen. De vogels vliegen van boom tot boom, vlinders spelen in de zon, geen geluid is te horen, alles zwijgt. Maar dan, ineens, verheffen zich alle vogels als bij toverslag luid kwetterend van de boomtakken en vliegen in dolle vlucht weg. Zelfs de eenzame wandelaar schrikt even: wat is dat? Wat bezielt de vogels? Komt er iets aan? Ja, wandelaar er kwam iets aan, wat gij niet hebt kunnen zien: Pan stormde voorbij, Pan, de ruige bosgod met zijn bokkenpoten en bokkenneus. Hij was het, die daarnet een "panische schrik" onder de dieren veroorzaakte. Onder mensen kan hij dat ook; Pan is een gevaarlijk heerschap. Dat ondervonden de Perzen, die Griekenland met hun legers overstroomden. Zij waren vlak bij Athene, toen een bode van die stad onderweg was naar Sparta om hulp te halen. In een bergwoud van ArcadiŽ klonk opeens de stem van Pan! Hij vroeg de bode, waarom de Atheners hem niet vereerden, terwijl hij hun toch goed≠gezind was. En zie, in de beroemde veldslag bij Marathon werden de Perzen door het kleine leger uit Athene reddeloos verslagen. Zij waren plotseling door een panische schrik overvallen en, achtervolgd door de Atheners, in dolle vaart naar de schepen gevlucht. Hetzelfde zou later in de slag bij Salamis, vlak voor de kust van Attica, hebben plaats gevonden. Op een klein eiland, Psyttaleia, werden alle Perzen gedood, die er een toevlucht hadden gezocht; op dit eiland stond ergens een houten godenbeeld van Pan. . .

Evenals zijn vader, Hermes, is Pan afkomstig uit de bergen van ArcadiŽ. Hoe schrok zijn moeder, een nymph, toen zij zag, wat zij had gebaard! Twee horens droeg het kind, in plaats van voetjes had het bokkenpoten! Met één sprong was de nymph verdwenen, vergeten waren haar moederlijke plichten. Hermes kwam met het kind aanzetten op de Olympus, nadat hij de kleine in een hazenvel had gewikkeld. Daar werd het door alle goden met blijdschap begroet: Pan werd zijn naam, want "pan" betekent "alles".

Duris van Samos, een Griekse schrijver, die graag pikante dingen vertelt, be≠weerde, dat de moeder van Pan de om haar huwelijkstrouw zo vermaarde Penelope zou zijn geweest. Toen haar wettige echtgenoot, Odusseus, na lange jaren van gevaren en ellende naar huis kwam en daar de halfdierlijke, halfmenselijke Pan aantrof als springlevend bewijs van haar ontrouw, zou hij meteen weer voor altijd zijn weggegaan. Anderen deden ook nog een duit in het zakje door de verwekking van Pan (= alles) te verklaren als het gevolg van Penelope's losbandige leven met alle vrijers!

Aan zijn uiterlijke gelijkenis met een bok dankt de ruig behaarde, dartele her≠dersgod van ArcadiŽ zijn persoonlijke ondeugden. Zinnelijk van aard, als geen ander, vormt Pan een gevaar voor nymphen en jonge mensen van beiderlei geslacht. Pan is de boeman voor meisjes en kinderen. Zonder de hoede van ouderen mogen zij nooit alleen in een bos gaan. Want 's middags pleegt Pan ergens in de struiken te slapen en wee degeen, die hem dan stoort! Overigens is hij wel een ruwe kwant, vol grappen en grillige invallen, maar boosaardig is hij niet, ŗls hij zijn portie slaap maar krijgt. Ronddartelend ontlokt hij lokkende tonen aan zijn Panfluit, een herinnering aan een van zijn liefdes. Zijn fluit is de Griekse rietfluit, de syrinx, die uit zeven of negen rietpijpjes bestaat. Pan was verliefd op een schuwe nymph, die Syrinx heette. Zij had een afkeer van de geile Pan en liet zich in riet veranderen. Toen maakte Pan een fluit van dat riet, zo had hij haar altijd aan zijn mond!

Ook de nymph Echo verzette zich tegen zijn verlangens. In zijn woede dreef Pan schaapherders tot waanzin, die daarop de nymph verscheurden: alleen haar stem, de echo, bleef bestaan. Nog steeds herhaalt de echo in de bergen het laatst gesproken woord.

Voor romantische geesten is de maan onafscheidelijk verbonden met bosrijke landschappen. Geen wonder, dat Pan liefdesbetrekkingen heeft met Selene, de godin van de maan. De zilveren stralenbundels en de helder verlichte plekken op de grond zijn het teken van hun samenzijn. Pan legt een helderwitte wollen vacht op de grond en kruipt er zelf onder. Dan treffen de manestralen de lichte plek in het bos, de plek gaat bewegen, Pan gaat met Selene op zijn rug door het bos. . .